Woensdag 10/08/2022

'Ik ben niet kwaad, maar ik schrijf over kwade personages'

In 1960 won Philip Roth de National Book Award, een prestigieuze Amerikaanse literaire prijs, voor zijn eerste boek 'Goodbye Columbus'. Vandaag krijgt hij de Man Booker International uitgereikt, een tweejaarlijkse oeuvreprijs. In tussentijd bouwde hij een uniek literair repertoire op, altijd even gevierd als omstreden.

In de voorbije halve eeuw heeft Roth voor zijn 53 boeken zowat alle belangrijke Amerikaanse onderscheidingen verzameld, waaronder ook een Pulitzer voor fictie, de Gold Medal fictie, de National Medal of Arts, sommige zelfs meermaals. Je kunt je moeilijk voorstellen dat een zoveelste prijs nog veel indruk op hem maakt. "Die eerste keer was wel belangrijk, hoor", zegt hij. "Daardoor kreeg het boek vanuit het niets veel aandacht. Maar daarna... Wel, je kunt ze maar beter winnen dan verliezen."

Het is zo'n typische laconieke opmerking van Roth. Hij reist tegenwoordig niet meer, en hij zal vandaag dus ook niet in Londen zijn om zijn prijs in ontvangst te nemen. We zitten in de studeerkamer van zijn huis in Connecticut, een kleine houten hut die losstaat van het grote, grijze, met hout beklede huis uit 1790, waar hij sinds 1972 woont - al brengt hij de koude helft van het jaar in Manhattan door.

De ruimte wordt grotendeels ingenomen door een groot bureau. Een gigantische haard erachter die nu leeg is geeft aan hoe bar het hier in de winter is. Er staat ook een ligstoel en een comfortabele lederen sofa -het is een rustgevende plek, uitstekend geschikt om uren aan een stuk te werken. Door het venster kijk je op appelbomen, een oude schuur, de enorme takken van een 200 jaar oude es die zachtjes kraken in de wind. Ik denk aan Swede Levov, de protagonist van Roths roman American Pastoral uit 1997, een Joodse jongen uit Newark die erin slaagt zijn familie van de stad naar de rust van het platteland te krijgen en zich erover verbaast dat je een boom kunt bezitten.

In de voorbije halve eeuw heeft Roth voor zijn 53 boeken zowat alle belangrijke Amerikaanse onderscheidingen verzameld, waaronder ook een Pulitzer voor fictie, de Gold Medal fictie, de National Medal of Arts, sommige zelfs meermaals. Je kunt je moeilijk voorstellen dat een zoveelste prijs nog veel indruk op hem maakt. "Die eerste keer was wel belangrijk, hoor", zegt hij. "Daardoor kreeg het boek vanuit het niets veel aandacht. Maar daarna... Wel, je kunt ze maar beter winnen dan verliezen."

Het is zo'n typische laconieke opmerking van Roth. Hij reist tegenwoordig niet meer, en hij zal vandaag dus ook niet in Londen zijn om zijn prijs in ontvangst te nemen. We zitten in de studeerkamer van zijn huis in Connecticut, een kleine houten hut die losstaat van het grote, grijze, met hout beklede huis uit 1790, waar hij sinds 1972 woont - al brengt hij de koude helft van het jaar in Manhattan door.

De ruimte wordt grotendeels ingenomen door een groot bureau. Een gigantische haard erachter die nu leeg is geeft aan hoe bar het hier in de winter is. Er staat ook een ligstoel en een comfortabele lederen sofa -het is een rustgevende plek, uitstekend geschikt om uren aan een stuk te werken. Door het venster kijk je op appelbomen, een oude schuur, de enorme takken van een 200 jaar oude es die zachtjes kraken in de wind. Ik denk aan Swede Levov, de protagonist van Roths roman American Pastoral uit 1997, een Joodse jongen uit Newark die erin slaagt zijn familie van de stad naar de rust van het platteland te krijgen en zich erover verbaast dat je een boom kunt bezitten.

Newark als emotionele toetssteen

Newark als emotionele toetssteen

Roth is inmiddels 78 en heeft een hoop bomen. De grond neemt het huis in een beschermende omhelzing, alles ademt rust en privacy en diepe stilte. Hij woont hier sinds het einde van zijn tweede huwelijk in 1995 alleen. Op dit moment klinkt het gehamer van bouwvakkers die de schade van het barre winterweer aan het herstellen zijn, maar anders moet het hier verschrikkelijk kalm zijn. Het is een andere wereld, ook al is het op maar een paar uur rijden van de drukke straten van Newark, de stad waar hij in de jaren 30 opgroeide als kind van Joodse immigranten. Steeds opnieuw komt hij in zijn fictie terug op die ontsnapping aan de stad - de immigrantendroom van succes, het gevoel 'dat je iets van Amerika bezit', en de gevaren van vertrekken als je dan moet samenleven met de gojim en hun vreemde gewoonten, hun drank, hun golf en hun vooroordelen.

Toch leven die straten voort in zijn hoofd, en in zijn fictionele wereld keert hij er keer op keer naar terug, psychologisch maar ook als literaire ruimte. Newark is voor Roth wat Rosebud was voor Citizen Kane: zijn emotionele toetssteen, de locus van zijn zo belangrijke etnische identiteit, de springplank voor zijn voortdurend peilen naar de Amerikaanse conditie. Het was zijn vriend en mentor Saul Bellow, zegt hij, die hem leerde dat je kunt werken vanuit het lokale, van wat je kent. Bellow gebruikte Chicago daarvoor. "Ik denk dat ik Amerika aan mezelf toon in die boeken", legt Roth uit. "Ik probeer het moment opnieuw tot leven te wekken, en te herinneren. En wat ik me niet herinner, daar ga ik naar zoeken in Newark. Ik haal daar plezier uit. Wel", zegt hij met een oprechte bulderlach, "ik mag toch een beetje plezier hebben."

Zijn laatste boek, Nemesis, dat vorig jaar uitkwam, is een terugkeer naar Newark, en volgens sommige recensenten ook een terugkeer naar de grote vorm na zijn matige voorganger, The Humbling uit 2009. Nemesis speelt zich af in Newark tijdens de Tweede Wereldoorlog ten tijde van een polio-epidemie die zwaar huishoudt bij kinderen van arme gezinnen. Angst en paniek slaan hard toe bij de kwetsbaren en antisemitisme steekt de kop op.

Roth is inmiddels 78 en heeft een hoop bomen. De grond neemt het huis in een beschermende omhelzing, alles ademt rust en privacy en diepe stilte. Hij woont hier sinds het einde van zijn tweede huwelijk in 1995 alleen. Op dit moment klinkt het gehamer van bouwvakkers die de schade van het barre winterweer aan het herstellen zijn, maar anders moet het hier verschrikkelijk kalm zijn. Het is een andere wereld, ook al is het op maar een paar uur rijden van de drukke straten van Newark, de stad waar hij in de jaren 30 opgroeide als kind van Joodse immigranten. Steeds opnieuw komt hij in zijn fictie terug op die ontsnapping aan de stad - de immigrantendroom van succes, het gevoel 'dat je iets van Amerika bezit', en de gevaren van vertrekken als je dan moet samenleven met de gojim en hun vreemde gewoonten, hun drank, hun golf en hun vooroordelen.

Toch leven die straten voort in zijn hoofd, en in zijn fictionele wereld keert hij er keer op keer naar terug, psychologisch maar ook als literaire ruimte. Newark is voor Roth wat Rosebud was voor Citizen Kane: zijn emotionele toetssteen, de locus van zijn zo belangrijke etnische identiteit, de springplank voor zijn voortdurend peilen naar de Amerikaanse conditie. Het was zijn vriend en mentor Saul Bellow, zegt hij, die hem leerde dat je kunt werken vanuit het lokale, van wat je kent. Bellow gebruikte Chicago daarvoor. "Ik denk dat ik Amerika aan mezelf toon in die boeken", legt Roth uit. "Ik probeer het moment opnieuw tot leven te wekken, en te herinneren. En wat ik me niet herinner, daar ga ik naar zoeken in Newark. Ik haal daar plezier uit. Wel", zegt hij met een oprechte bulderlach, "ik mag toch een beetje plezier hebben."

Zijn laatste boek, Nemesis, dat vorig jaar uitkwam, is een terugkeer naar Newark, en volgens sommige recensenten ook een terugkeer naar de grote vorm na zijn matige voorganger, The Humbling uit 2009. Nemesis speelt zich af in Newark tijdens de Tweede Wereldoorlog ten tijde van een polio-epidemie die zwaar huishoudt bij kinderen van arme gezinnen. Angst en paniek slaan hard toe bij de kwetsbaren en antisemitisme steekt de kop op.

Oude verhalen, nieuwe onderwerpen

Oude verhalen, nieuwe onderwerpen

"Voor mij heeft het verstrijken van de jaren onderwerpen opgeleverd die ik nooit eerder had. Onderwerpen die ik nu kan bekijken vanuit een historisch perspectief. Zoals de anticommunistische jaren in Amerika. Ik heb dat meegemaakt, ik was een jongen toen. Ik vond pas jaren later een manier om daar over te schrijven. Hetzelfde met de Vietnamoorlog. Ik begon het boek dat later American Pastoral werd in de jaren 70 te schrijven, toen de oorlog op zijn einde liep, maar het lukte me niet. Ik had daar 20 jaar voor nodig. Ik zou nu niet weten wat ik moest schrijven over Irak en Afghanistan of 9/11. Ik heb 20 jaar nodig om dat te plaatsen.

"Dat boek, Nemesis, begon toen ik niet wist wat ik ging schrijven. Ik stelde een lijst op van gebeurtenissen die ik heb meegemaakt en die ik nog nooit onderzocht of gepresenteerd had in mijn fictie. Polio stond op die lijst, en toen ik de lijst opnieuw bekeek, merkte ik dat ik polio omcirkeld had.

"De polio-epidemie van 1944 heeft niet bestaan. Het is fictief. Ik kende één of twee kinderen die de ziekte hadden, ik hoorde er verhalen over, maar van dichtbij heb ik het niet meegemaakt."

Het is zo'n krachtige metafoor voor aanvallen op het thuisfront, vooral in oorlogstijd, dat het doet denken aan de terrorist in American Pastoral, de aanbeden dochter van een succesvol gezin die zich ontpopt tot een moordzuchtige, bomaanslagen plegende antioorlogsactiviste. Maar Roth denkt niet graag in termen van metaforen. In een interview in The New Yorker gaf hij aan dat hij niet houdt van de allegorie als literaire vorm, en tijdens ons gesprek zegt hij meer dan eens als we een werk van hem bespreken: "Wel, het gaat over wat er staat."

Voor een schrijver wiens werk altijd spelletjes speelt met waarheid en illusie, met alter ego's en hun dubbelgangers, met protagonisten en vertellers die wel en niet samenvallen met de auteur, met nepbekentenissen, nepbiografieën, vervalste geschiedenis en misleidende sporen, betekent dat zoveel als: 'Lees gewoon het boek.'

"Voor mij heeft het verstrijken van de jaren onderwerpen opgeleverd die ik nooit eerder had. Onderwerpen die ik nu kan bekijken vanuit een historisch perspectief. Zoals de anticommunistische jaren in Amerika. Ik heb dat meegemaakt, ik was een jongen toen. Ik vond pas jaren later een manier om daar over te schrijven. Hetzelfde met de Vietnamoorlog. Ik begon het boek dat later American Pastoral werd in de jaren 70 te schrijven, toen de oorlog op zijn einde liep, maar het lukte me niet. Ik had daar 20 jaar voor nodig. Ik zou nu niet weten wat ik moest schrijven over Irak en Afghanistan of 9/11. Ik heb 20 jaar nodig om dat te plaatsen.

"Dat boek, Nemesis, begon toen ik niet wist wat ik ging schrijven. Ik stelde een lijst op van gebeurtenissen die ik heb meegemaakt en die ik nog nooit onderzocht of gepresenteerd had in mijn fictie. Polio stond op die lijst, en toen ik de lijst opnieuw bekeek, merkte ik dat ik polio omcirkeld had.

"De polio-epidemie van 1944 heeft niet bestaan. Het is fictief. Ik kende één of twee kinderen die de ziekte hadden, ik hoorde er verhalen over, maar van dichtbij heb ik het niet meegemaakt."

Het is zo'n krachtige metafoor voor aanvallen op het thuisfront, vooral in oorlogstijd, dat het doet denken aan de terrorist in American Pastoral, de aanbeden dochter van een succesvol gezin die zich ontpopt tot een moordzuchtige, bomaanslagen plegende antioorlogsactiviste. Maar Roth denkt niet graag in termen van metaforen. In een interview in The New Yorker gaf hij aan dat hij niet houdt van de allegorie als literaire vorm, en tijdens ons gesprek zegt hij meer dan eens als we een werk van hem bespreken: "Wel, het gaat over wat er staat."

Voor een schrijver wiens werk altijd spelletjes speelt met waarheid en illusie, met alter ego's en hun dubbelgangers, met protagonisten en vertellers die wel en niet samenvallen met de auteur, met nepbekentenissen, nepbiografieën, vervalste geschiedenis en misleidende sporen, betekent dat zoveel als: 'Lees gewoon het boek.'

Charmant afwerend

Charmant afwerend

Dat is al wat de schrijver - die vaak omschreven wordt als 'teruggetrokken' en 'heel op zichzelf', maar die net zo goed de vragen beu kan zijn - lijkt te willen. Tijdens ons gesprek is Roth perfect galant, perfect charmant, perfect afwerend. Een halve eeuw beroemdheid, die hem sinds de publicatie van Portnoy's Complaint in 1969 als 36-jarige geld opleverde en een soort turbulente faam, heeft hem geleerd beleefd de toegang te weigeren. Het gesprek dat ik al zo lang met hem wil voeren, sinds ik hem voor het eerst las tientallen jaren geleden, een gesprek over fictie zelf, stierf een vroege dood.

"Ik lees zelf geen fictie meer. Ik lees andere dingen: geschiedenis, biografieën. Ik heb niet meer de interesse voor fictie die ik vroeger had."

Hoe komt dat?

"Weet ik niet. Wijzer geworden, zeker?"

Waarna hij me lang aankijkt met zijn beroemde doordringende ogen en vervolgens in de richting van mijn notitieboekje blikt, alsof hij wil zeggen: ik wil dat je dat opschrijft.

Waarover is hij dan wijzer over geworden? Op een oppervlakkig niveau, en waarschijnlijk lang geleden, alvast over het feit dat het niet raadzaam is ook maar iets prijs te geven als je vragen van journalisten beantwoordt. Zijn bedoeling achter dit of dat boek? "Ik heb geen plan voor het boek waaraan ik aan het werken ben, ik stapel gewoon pagina's op. Na een poosje merk ik dat ze samen horen." Zijn lezers? "Ik heb geen lezer in mijn achterhoofd - de lezer, dat ben ik die herleest. Als ik een boek klaar heb, geef ik het aan vier à vijf lezers, vrienden. Zij zijn de eersten. Vervolgens luister ik naar wat ze te zeggen hebben. Behalve dat verbaast het me altijd als ik post krijg. Soms zit er een interessante brief tussen. Soms biedt me dat een perspectief."

Maar maakt hij me op een dieper niveau ook diets dat hij wijzer is geworden omtrent de grenzen van fictie, ook zijn eigen fictie? De productiviteit die hij momenteel aan de dag legt, lijkt dat tegen te spreken. Roth heeft een vreemde carrière achter de rug, zowel qua lengte als qua vorm. Na de wilde, woeste en komische Zuckerman- en Kepesh-romans (genaamd naar hun protagonist) kwam er een middenperiode waarin hij sommige van zijn meesterwerken schreef - onder meer de zogenaamde American Trilogy van grootse romans over grote thema's, American Pastoral (1997, over Vietnam), I Married a Communist (1998, over het McCarthyisme) en The Human Stain (2000, over ras). En toen was er de verbazingwekkende productiviteit van het voorbije decennium, waarin hij in tien jaar acht boeken schreef. Maar nu, zegt hij, "bestaat mijn doel erin een groot, vet onderwerp te vinden dat me de rest van mijn leven bezighoudt. Als ik er klaar mee ben, sterf ik. Maar het verschrikkelijke is starten, ik haat het eraan te beginnen. Ik wil nu gewoon blijven schrijven en stoppen als het gedaan is."

De vier laatste boeken, gegroepeerd (Roth ordent zijn eigen bibliografie zorgvuldig) als Nemeses, zijn heel hard begaan met 'het einde', met gedachten over de dood en hoe ermee om te gaan. Hoe er een eind aan te maken ook. Zo is er een dissectie van een dode protagonist (Everyman, 2006), een tragische dood van een misleide held (Nemesis, 2010), twee zelfdodingen (Indignation, 2008, en The Humbling, 2009). Ze zijn geschreven in een meer getemperde en veel onevenwichtiger succesvolle stijl dan lezers gewend zijn van Roth. Ze staan in schril contrast met de bulderend vitale, priapische en algemeen verschrikkelijke natuurkracht van Mickey Sabbath in Sabbath's Theatre (1995), een boek met zo veel Rothiaanse overdadigheid en brutale humor dat het Rothlezers hevig blijft verdelen. De eeuwige zelfmoordgedachten van Sabbath zijn van een heel andere orde, en we weten dat hij het nooit zal doen - zijn ego is veel te groot, hij moet nog te veel haten en neuken in de wereld.

Dat is al wat de schrijver - die vaak omschreven wordt als 'teruggetrokken' en 'heel op zichzelf', maar die net zo goed de vragen beu kan zijn - lijkt te willen. Tijdens ons gesprek is Roth perfect galant, perfect charmant, perfect afwerend. Een halve eeuw beroemdheid, die hem sinds de publicatie van Portnoy's Complaint in 1969 als 36-jarige geld opleverde en een soort turbulente faam, heeft hem geleerd beleefd de toegang te weigeren. Het gesprek dat ik al zo lang met hem wil voeren, sinds ik hem voor het eerst las tientallen jaren geleden, een gesprek over fictie zelf, stierf een vroege dood.

"Ik lees zelf geen fictie meer. Ik lees andere dingen: geschiedenis, biografieën. Ik heb niet meer de interesse voor fictie die ik vroeger had."

Hoe komt dat?

"Weet ik niet. Wijzer geworden, zeker?"

Waarna hij me lang aankijkt met zijn beroemde doordringende ogen en vervolgens in de richting van mijn notitieboekje blikt, alsof hij wil zeggen: ik wil dat je dat opschrijft.

Waarover is hij dan wijzer over geworden? Op een oppervlakkig niveau, en waarschijnlijk lang geleden, alvast over het feit dat het niet raadzaam is ook maar iets prijs te geven als je vragen van journalisten beantwoordt. Zijn bedoeling achter dit of dat boek? "Ik heb geen plan voor het boek waaraan ik aan het werken ben, ik stapel gewoon pagina's op. Na een poosje merk ik dat ze samen horen." Zijn lezers? "Ik heb geen lezer in mijn achterhoofd - de lezer, dat ben ik die herleest. Als ik een boek klaar heb, geef ik het aan vier à vijf lezers, vrienden. Zij zijn de eersten. Vervolgens luister ik naar wat ze te zeggen hebben. Behalve dat verbaast het me altijd als ik post krijg. Soms zit er een interessante brief tussen. Soms biedt me dat een perspectief."

Maar maakt hij me op een dieper niveau ook diets dat hij wijzer is geworden omtrent de grenzen van fictie, ook zijn eigen fictie? De productiviteit die hij momenteel aan de dag legt, lijkt dat tegen te spreken. Roth heeft een vreemde carrière achter de rug, zowel qua lengte als qua vorm. Na de wilde, woeste en komische Zuckerman- en Kepesh-romans (genaamd naar hun protagonist) kwam er een middenperiode waarin hij sommige van zijn meesterwerken schreef - onder meer de zogenaamde American Trilogy van grootse romans over grote thema's, American Pastoral (1997, over Vietnam), I Married a Communist (1998, over het McCarthyisme) en The Human Stain (2000, over ras). En toen was er de verbazingwekkende productiviteit van het voorbije decennium, waarin hij in tien jaar acht boeken schreef. Maar nu, zegt hij, "bestaat mijn doel erin een groot, vet onderwerp te vinden dat me de rest van mijn leven bezighoudt. Als ik er klaar mee ben, sterf ik. Maar het verschrikkelijke is starten, ik haat het eraan te beginnen. Ik wil nu gewoon blijven schrijven en stoppen als het gedaan is."

De vier laatste boeken, gegroepeerd (Roth ordent zijn eigen bibliografie zorgvuldig) als Nemeses, zijn heel hard begaan met 'het einde', met gedachten over de dood en hoe ermee om te gaan. Hoe er een eind aan te maken ook. Zo is er een dissectie van een dode protagonist (Everyman, 2006), een tragische dood van een misleide held (Nemesis, 2010), twee zelfdodingen (Indignation, 2008, en The Humbling, 2009). Ze zijn geschreven in een meer getemperde en veel onevenwichtiger succesvolle stijl dan lezers gewend zijn van Roth. Ze staan in schril contrast met de bulderend vitale, priapische en algemeen verschrikkelijke natuurkracht van Mickey Sabbath in Sabbath's Theatre (1995), een boek met zo veel Rothiaanse overdadigheid en brutale humor dat het Rothlezers hevig blijft verdelen. De eeuwige zelfmoordgedachten van Sabbath zijn van een heel andere orde, en we weten dat hij het nooit zal doen - zijn ego is veel te groot, hij moet nog te veel haten en neuken in de wereld.

Fanatieke reacties

Fanatieke reacties

Nemesis heeft een ander soort hoofdpersonage, Bucky Cantor, een vriendelijke Joodse jongen en getalenteerde atleet - voor Roth is sport een belangrijke manier om te peilen naar de aard van de Amerikaanse mannelijkheid. Bucky gaat tekeer tegen het toeval en een onverschillige God die toestaat dat kinderen sterven. Zijn ontsnappingsdromen richten zich op zijn lief, dat hem weglokt van de polioplaag en de jongens onder zijn hoede, en op de kans om gelukkig te worden. Dat laatste is niet echt een typisch Roththema, wat hij bevestigt: "Nee, niet echt, ik ben niet echt geïnteresseerd in gelukkig zijn."

Toch is het een woord dat Roth vaak hanteert in het boek, en ook toepast op zijn eigen leven, althans: zijn leven als schrijver. Gevraagd of hij boosheid moet blijven voelen om zijn creaties te voeden, antwoordt hij: "Ik ben niet kwaad, ik schrijf over kwade personages. Als ik dat doe, dan ben ik gelukkig. Als ik schrijf over een geile Mickey Sabbath, dan ben ik ook niet zelf geil, maar gelukkig."

Die scheiding tussen het leven en fictie bij iemand die zo dartel en handig met zijn eigen verhaal speelt, maakt deel uit van zijn kunst. De controverse die hij in de loop der jaren heeft veroorzaakt is waarschijnlijk ontstaan door een foute interpretatie van dat fictionaliseringsproces. Wanneer we over het grasveld naar het bos achter zijn huis wandelen, voorbij welriekende boerenjasmijn en kleine paarse wilde irissen, kun je in hem moeilijk iemand zien die zo veel boze en extreme en fanatieke reacties opwekte. Passionele positieve reacties ook van zijn (vaak maar niet altijd) mannelijke literaire fans. Een Britse criticus, zelf schrijver, verklaarde onlangs in een vlaag van ademloze bewondering: "Nu hij zo krachtig, vasthoudend, briljant en mooi geworsteld heeft met begrippen als natiebewustzijn, godsdienst, liefde, dood, geloof, wanhoop, lotsbestemming en de fundamentele aard van de menselijke ervaring, vind ik dat Roth het verdient om, als hij dat wenst, zijn koelkastmagneten letter per letter te kluisteren en te verlossen."

Maar binnen de Joodse gemeenschap werd Roth na de publicatie van zijn alleenspraak van 240 pagina's over masturbatie Portnoy's Complaint (nooit nog zouden we op dezelfde manier naar een stuk rauwe lever zien) al snel een 'Jood met zelfhaat' genoemd. Maar die beschuldiging lijkt wat achterhaald: Joods zijn in Amerika is enorm veranderd, zegt Roth, sinds hij met schrijven begon. "Het is totaal anders. Toen ik opgroeide konden Joden zelfs geen geneeskunde studeren. Als men het nu heeft over minderheden in de VS, worden Joden zelfs niet meer vermeld." Een van de belangrijkste thema's van Roth - waarvoor zijn opponenten hem ook vaak op de korrel nemen vanwege de manier waarop hij ermee omgaat - is dan ook de beleefde ervaring van het verleden in het geheugen.

Nemesis heeft een ander soort hoofdpersonage, Bucky Cantor, een vriendelijke Joodse jongen en getalenteerde atleet - voor Roth is sport een belangrijke manier om te peilen naar de aard van de Amerikaanse mannelijkheid. Bucky gaat tekeer tegen het toeval en een onverschillige God die toestaat dat kinderen sterven. Zijn ontsnappingsdromen richten zich op zijn lief, dat hem weglokt van de polioplaag en de jongens onder zijn hoede, en op de kans om gelukkig te worden. Dat laatste is niet echt een typisch Roththema, wat hij bevestigt: "Nee, niet echt, ik ben niet echt geïnteresseerd in gelukkig zijn."

Toch is het een woord dat Roth vaak hanteert in het boek, en ook toepast op zijn eigen leven, althans: zijn leven als schrijver. Gevraagd of hij boosheid moet blijven voelen om zijn creaties te voeden, antwoordt hij: "Ik ben niet kwaad, ik schrijf over kwade personages. Als ik dat doe, dan ben ik gelukkig. Als ik schrijf over een geile Mickey Sabbath, dan ben ik ook niet zelf geil, maar gelukkig."

Die scheiding tussen het leven en fictie bij iemand die zo dartel en handig met zijn eigen verhaal speelt, maakt deel uit van zijn kunst. De controverse die hij in de loop der jaren heeft veroorzaakt is waarschijnlijk ontstaan door een foute interpretatie van dat fictionaliseringsproces. Wanneer we over het grasveld naar het bos achter zijn huis wandelen, voorbij welriekende boerenjasmijn en kleine paarse wilde irissen, kun je in hem moeilijk iemand zien die zo veel boze en extreme en fanatieke reacties opwekte. Passionele positieve reacties ook van zijn (vaak maar niet altijd) mannelijke literaire fans. Een Britse criticus, zelf schrijver, verklaarde onlangs in een vlaag van ademloze bewondering: "Nu hij zo krachtig, vasthoudend, briljant en mooi geworsteld heeft met begrippen als natiebewustzijn, godsdienst, liefde, dood, geloof, wanhoop, lotsbestemming en de fundamentele aard van de menselijke ervaring, vind ik dat Roth het verdient om, als hij dat wenst, zijn koelkastmagneten letter per letter te kluisteren en te verlossen."

Maar binnen de Joodse gemeenschap werd Roth na de publicatie van zijn alleenspraak van 240 pagina's over masturbatie Portnoy's Complaint (nooit nog zouden we op dezelfde manier naar een stuk rauwe lever zien) al snel een 'Jood met zelfhaat' genoemd. Maar die beschuldiging lijkt wat achterhaald: Joods zijn in Amerika is enorm veranderd, zegt Roth, sinds hij met schrijven begon. "Het is totaal anders. Toen ik opgroeide konden Joden zelfs geen geneeskunde studeren. Als men het nu heeft over minderheden in de VS, worden Joden zelfs niet meer vermeld." Een van de belangrijkste thema's van Roth - waarvoor zijn opponenten hem ook vaak op de korrel nemen vanwege de manier waarop hij ermee omgaat - is dan ook de beleefde ervaring van het verleden in het geheugen.

Vrouwonvriendelijk

Vrouwonvriendelijk

Problemen kreeg Roth ook met de feministische lobby, die vele voorbeelden zien van vrouwonvriendelijkheid in de manier waarop hij vrouwen portretteert en de mannelijke kijk op vrouwen, vooral in de krachtige seksscènes waarmee zijn boeken doordrongen zijn. En een publiek schandaal was er ook toen zijn tweede vrouw, de Britse actrice Claire Bloom, in 1996 haar nietsverhullende boek schreef over hun huwelijk, waar Roth heel slecht uitkomt - de verbale oorlog inspireerde hem misschien wel voor het wraakzuchtige karakter van Eve Frame in I Married a Communist twee jaar later.

Onlangs distantieerde Carmen Callil, een van de drie juryleden van de Man Booker International Prize, zich na de uitreiking van de prijs. Ze vond Roth "maar niks", en dacht dat zijn talent uiteindelijk niet duurzaam zal blijken te zijn.

Ook zei Callil in haar nogal mager beargumenteerde kritiek dat Roth keer op keer hetzelfde schrijft. Ja, als je begrippen als natiebewustzijn, godsdienst, liefde, dood, geloof, wanhoop, lotsbestemming en de fundamentele aarde van de menselijke ervaring "altijd weer hetzelfde" noemt.

Toen ik wegreed van de oprit waren de bouwvakkers weg en was de stilte weergekeerd in het avondlicht. Ik zag Roth terugwandelen naar het huis, alleen, in zijn zelfgekozen rust. De volgende ochtend zou hij zoals elke ochtend opstaan, naar zijn bureau wandelen en alle opwinding in zijn hoofd opschrijven. Het is alleen zichtbaar op de pagina: lees nu maar gewoon de boeken.

Problemen kreeg Roth ook met de feministische lobby, die vele voorbeelden zien van vrouwonvriendelijkheid in de manier waarop hij vrouwen portretteert en de mannelijke kijk op vrouwen, vooral in de krachtige seksscènes waarmee zijn boeken doordrongen zijn. En een publiek schandaal was er ook toen zijn tweede vrouw, de Britse actrice Claire Bloom, in 1996 haar nietsverhullende boek schreef over hun huwelijk, waar Roth heel slecht uitkomt - de verbale oorlog inspireerde hem misschien wel voor het wraakzuchtige karakter van Eve Frame in I Married a Communist twee jaar later.

Onlangs distantieerde Carmen Callil, een van de drie juryleden van de Man Booker International Prize, zich na de uitreiking van de prijs. Ze vond Roth "maar niks", en dacht dat zijn talent uiteindelijk niet duurzaam zal blijken te zijn.

Ook zei Callil in haar nogal mager beargumenteerde kritiek dat Roth keer op keer hetzelfde schrijft. Ja, als je begrippen als natiebewustzijn, godsdienst, liefde, dood, geloof, wanhoop, lotsbestemming en de fundamentele aarde van de menselijke ervaring "altijd weer hetzelfde" noemt.

Toen ik wegreed van de oprit waren de bouwvakkers weg en was de stilte weergekeerd in het avondlicht. Ik zag Roth terugwandelen naar het huis, alleen, in zijn zelfgekozen rust. De volgende ochtend zou hij zoals elke ochtend opstaan, naar zijn bureau wandelen en alle opwinding in zijn hoofd opschrijven. Het is alleen zichtbaar op de pagina: lees nu maar gewoon de boeken.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234