Zondag 28/11/2021

Mode

"Ik heb het gehad met het systeem"

null Beeld Charlie De Keersmaecker
Beeld Charlie De Keersmaecker

Steeds meer modemensen zetten zich af tegen grote modehuizen, tegen grote ketens en het systeem binnen de mode-industrie. De nieuwe onderstroom van ontwerpers kiest voor traag en klein, voor originaliteit en handwerk, wars van trends. De komende weken zoeken we de gezichten achter die tegendraadse mode op. Vandaag: Frieda Degeyter, voorvechtster van de kleinschaligheid.

Frieda Degeyter (47) woont in Brugge, in een oud fabriekspand dat ze jaren geleden op de kop kon tikken. Ze woont er samen met haar man, twee dochters en de hond Colette. Frieda werkt thuis. Ze is momenteel bezig met de afwerking van een sweater, een met de hand gehaakte halsboord in fluoroze. Tegen de muur van haar open atelier hangt een kleine collectie onder plastic klaar voor verzending. Een deel is voor de winkel van ontwerper Dirk Van Saene, een ander deel gaat rechtstreeks naar privéklanten.

Van ontwerpster naar klant zonder tussenpersoon, dat is waar Frieda voor kiest. Ze organiseert elk nieuw seizoen een soort van Tupperware-avonden om haar ontwerpen te verkopen op bestelling. Als je de hoge productiekosten kunt drukken door veel zelf te doen, en als dure marges van boetieks wegvallen, dan blijkt mode immers veel bereikbaarder en betaalbaarder voor klanten die echt van unieke stukken houden. Mode per soirée privée: voorlopig is het de enige manier waarop Frieda haar creativiteit kan botvieren.

Kleinschaligheid is voor Frieda op zeker ogenblik een bewuste keuze geweest. Nu is het zelfs een noodzaak. Ze doet een groot deel van haar productie zelf. Achter haar eigen naaimachine, in de woonruimte. Creatie en productie vanuit het eigen nest. Ze toont hoe haar nieuwe sweaters gemaakt zijn: "De confectie van mijn sweaters doe ik niet zelf, maar de afwerking wel. Als basis neem ik grote standaardsweaters, die ik afgewerkt aankoop, maar waarvan ik de coupe, de vorm laat veranderen. Daarna worden er vormen uit weggeknipt, die ik dan vervang door een andere stof.

"Mijn sweatercollectie is de serie die ik absoluut wil blijven doen, maar die ik zeker niet kan uitbesteden. Dat ligt voor een deel aan mijn eigen koppigheid, aan mijn keuze om zo kleinschalig te werken. De enige winkel waar mijn label verkocht wordt, is de winkel van Dirk Van Saene. Dirk en Walter Van Beirendonck zijn van in het begin altijd erg enthousiast geweest. Ze hebben mij onophoudelijk gesteund om door te blijven gaan. Voor mij is het ook erg belangrijk wat Walter over mijn ontwerpen denkt. Aan de academie was hij mijn docent, mijn leermeester, en dat is hij al die jaren voor mij ook gebleven. Zijn mening is belangrijker dan de mening van om het even wie. En Dirk is voor mij iemand met een ongelooflijk goede smaak. Die twee mensen zijn voor mij van onschatbaar belang geweest."

Frieda studeerde in 1993 af aan de Modeacademie van Antwerpen, samen met onder andere Peter Philips (nu artistiek directeur make-up bij Dior), Olivier Rizzo (stylist bij onder meer Prada), Olivier Waelkens (nu interieurvormgever) en Erik Verdonck (docent). Ze ging vrijwel onmiddellijk aan de slag bij het textielbedrijf Vem Tricots in Brugge: "Ik werkte daar samen met Christophe De Muynck. We hadden er een supertijd, we hebben er zo ontzettend veel plezier gehad. We tekenden er een kindercollectie en een damescollectie. Het was werken met het verstand op nul.

"Van Vem Tricots ging ik naar Parmentier, een bontbedrijf in Meulebeke. In een kamertje van 2 bij 2 moest je zitten ontwerpen, een hondenjob. In die tijd deden wij helemaal geen buitenlandse stages, zoals pas afgestudeerden nu. Het was afstuderen en geld verdienen, onze ouders hadden ons al genoeg gesponsord. Ik snap niet hoe jonge mensen dat nu doen, die doen soms tot vijf jaar stage... Is het een rijkere generatie? Geen idee."

Waren jullie niet de generatie in het zog van de Zes van Antwerpen die het moest maken omdat het mogelijk was, en liefst onmiddellijk?
"Niet zozeer. Die indruk had ik tenminste niet. We waren gefocust op werken en geld verdienen, op overleven. Pas afgestudeerden gaan nu direct in Parijs bij grote huizen werken voor 300 euro per maand, haast als slaven. Dat hadden wij gelukkig niet, wij hadden een normaal loon, we konden vooruit, plannen maken.

"We hadden ook niet de ambitie om meteen in Parijs te gaan werken of om onze eigen collectie op de markt te brengen. Je mag niet vergeten dat er in die tijd nog een pak textielbedrijven waren. Als ik het me goed herinner, waren er 150 confectiebedrijven, terwijl er nu nog vijf zijn. Je had Scapa, je had Bartsons, waar ook Ann Demeulemeester nog een tijd heeft gewerkt, en Filip Arickx van A.F. Vandevorst. Er was altijd werk voorhanden. Je rolde er gewoon in, je ging van de ene naar de andere job omdat je een netwerk had. Ik heb nooit moeten solliciteren.

"Toen ik mijn eerste dochter kreeg, werkte ik voor een pyjamabedrijf in Kortrijk. Ik heb na haar geboorte nog drie à vier jaar parttime voor dat bedrijf gewerkt. Ik was intussen begonnen met kleertjes te maken voor haar. 'Waarom breng je dat niet op de markt?', vroegen mensen mij voortdurend. Je had in die tijd de vooruitstrevende kinderwinkels De Groene Wolk en Ossewolle in Antwerpen. Dat waren heel nieuwe kinderwinkels die meteen veel succes hadden.

"Ik startte met een kindercollectie, eerst voor die twee winkels, en na een tijd nam ik een agente voor België en voor Japan. Ik merkte toen, vooral in Japan, dat ik vooral maat 14 jaar en maat 16 jaar enorm goed verkocht. Maar het waren uiteraard volwassen vrouwen die die kleren kochten.

"Toen kwam de vraag voor een echte vrouwencollectie in dezelfde stijl. In 2000 lanceerde ik mijn collectie, maar ik ondervond al snel dat een vrouwencollectie niet zo makkelijk te verkopen valt als een kindercollectie. De verkoop was intens en moeilijk. Ik ben nog met mijn valies naar Londen gegaan om in winkels binnen te stappen en te vragen of ze niet geïnteresseerd waren. Dat zou ik nu nooit meer doen." (lacht)

Je hebt jarenlang in Parijs je collectie voorgesteld, in een showroom. Hoe ging dat?
"Een aantal jaren had ik tijdens de modeweken telkens een showroom in Parijs, ja. Achteraf gezien had ik de verkoop misschien nooit zelf moeten doen. Ik vond dat deel van mijn job echt ellendig. De mensen die naar de showroom kwamen, lagen me vaak niet. Inkopers van prestigieuze winkels die roepen dat ze het allemaal fan-tas-tisch vinden, maar niets aankopen, dat is hard. Je wordt beoordeeld op datgene wat vanuit het diepste van jezelf komt.

"Tijdens die modeweken zelf zit iedereen bovendien in een enorme luchtbel die niets te maken heeft met de rest van de wereld. Iedereen gedraagt zich dan zo fake en vreemd. Dat hoeft voor mij allemaal niet, ik erger mij daaraan. Als je dan de showroom deelt met mensen die al een aantal seizoenen meedraaien en al veel verder staan dan jij, dan voel je je op dat moment heel klein. Wanneer klanten bij iemand in de showroom kopen, doen ze dat niet meer bij jou, omdat hun budget op is, en dat geeft soms rare wrijvingen. Ik voelde mij daar niet goed bij.

"Het hele systeem, dat je een jaar op voorhand al een showroom moet vastleggen, lag me ook helemaal niet. Je moet iedere keer iets plannen voor iets dat er nog niet is. Dat geeft alleen maar méér onzekerheid. Ik ben op zeker ogenblik naar investeerders op zoek gegaan, samen met het Flanders Fashion Institute (FFI). Maar dan zit je weer met een commercieel verhaal, met meer verkopen, meer opbrengen. Met een nichecollectie in mijn stijl lag dat sowieso moeilijker.

"Ik onderhandelde intussen ook met een agent in Parijs, maar die vond mij met 34 toen al veel te oud. Volgens hem duurde het tien jaar voor een nieuwe collectie echt zou beginnen te renderen, en dat zag hij niet zitten. Bovendien wilde hij dat slechts de helft van de collectie met kleur mocht zijn, de andere helft moest zwart zijn. Met zoiets moet je mij niet confronteren, dan blijf ik liever koppig mijn eigen ding doen en voor kleinschaligheid kiezen."

Wanneer begon je te merken dat het klimaat in de mode veranderde?
"De malaise groeide geleidelijk aan. Na 9/11 ging het overal ineens een pak slechter, maar vooral in de mode. De ketens brachten op dat moment goedkope, maar hippe dingen op de markt en mijn verkoop ging zienderogen achteruit. Het werd me ook te veel in combinatie met mijn kinderen. De oudste was 10 en de jongste 6. Er zijn supervrouwen die dat kunnen, werk en kinderen combineren, maar ik niet, ik kon niet 100 procent voor mijn collectie gaan. Je kunt dat ook niet 'een beetje' doen, mode. Hetzelfde geldt nu ook: het is niet omdat ik het nu kleinschalig doe, dat het niet even moeilijk is of even intensief. Of je nu één stuk maakt of driehonderd, het moet goed zijn, en sterk. Iedere keer opnieuw moet je er staan met wat je maakt.

"Ik had altijd met ateliers in België gewerkt om mijn collectie uit te voeren. Omdat het over zulke kleine oplagen ging, was het iets duurder om dat te doen, maar er wás tenminste een plek waar je je ontwerpen kon laten uitvoeren: tien stuks van dit, vijf van dat, vijftien van iets anders, dat was geen probleem.

"Toen de economische crisis toesloeg, wilden de fabrikanten niet meer in kleine oplagen werken. Om in grotere aantallen te kunnen laten produceren, moest ik veel commerciëler beginnen werken. Intussen hadden de meeste fabrikanten een 'delocalisatie' gedaan en lieten ze alles uitvoeren in buitenlandse ateliers met een lagere loonkost, naar Slovakije bijvoorbeeld. Ook de marge van winkels steeg, omdat de prijzen van winkelvastgoed bleven stijgen. Op den duur zit je dan met een verkoopprijs die zeker voor klanten helemaal niet meer haalbaar is."

Dacht je dat het een definitief eindpunt was, toen je stopte met je collectie?
"Nee, zeker niet. In 2009 ben ik gestopt met mijn eigen collectie, maar ik kon meteen aan de slag voor een paar andere confectiemerken. Voor Quincy en Filou & Friends, daarna voor een pyjamafabrikant en voor verschillende andere confectieateliers. Een gebrek aan werk had ik nooit, ik moest zelfs opdrachten weigeren. Maar in de kantlijn bleef ik mijn eigen ding doen, met sjaals of bloezen met handwerk en vlechtwerk.

"Ik verkocht gewoon aan particulieren, niet meer via winkels. Walter zag die stukken soms en hij wilde ze per se terug in zijn winkel. De microbe om zelf te blijven creëren bleef bij mij bovendien maar kriebelen, het liet me niet los. Ik moet creatief bezig zijn om mij gelukkig te voelen. Ik was in mijn vrije tijd bezig geweest met het maken van tassen, en die bleken een succes in mijn vriendenkring. Ik gebruikte voor de tassen bedrukte badhanddoeken die ik kocht via het internet. Badhanddoeken met tekeningen van paarden en tijgers, van een aan lelijkheid grenzende schoonheid die ik heel interessant vond.

"Ik dacht: ik ga voor Walters winkel gewoon een total look maken, de sweater of de jurk en de tas volledig met die bedrukte badhanddoeken. Zo over the top dat het weer interessant wordt. Ik vond het een hele eer om bij Walter met mijn stukken te mogen liggen. Voor België was het een unieke winkel, zeer uitgekiend qua concept. Wat er hing, was artistieker dan in andere winkels. De kleren moesten bovendien niet 'sexy' zijn, of commercieel. Wel draagbaar en mooi gemaakt en kwalitatief van een hoog niveau."

Maar toen ging de winkel van Walter noodgedwongen dicht.
"Het werd januari en ik was wat ongerust omdat Walter en Dirk me nog niet hadden gebeld om te leveren. Op een dag las ik in de krant dat de winkel van Walter failliet was. Ik kon niemand bereiken, maar een paar dagen later kreeg ik een heel blije en positieve telefoon van Dirk dat ze een nieuwe winkel zouden openen, onder andere met mijn badstofcollectie. Probleem opgelost! De badstofstukken bleken een succes.

"Het seizoen erop had ik niets gepland, ik wilde gewoon losse projecten doen. Maar Dirk vroeg me met aandrang om een continuïteit voor zijn winkel te behouden. Ik heb toen vrij snel iets bedacht met patchwork van allerlei stoffen.

"Elk jurkje was anders. Ik heb die collectie ook helemaal zelf gemaakt, omdat je met ingewikkeld patchwork niet kunt aankloppen bij een fabrikant. Voor mij voelde dat aan als een nieuw begin. Ik dacht, oké, ik hou het klein en probeer zo veel mogelijk zelf te doen. Toch voelde ik wel weer de druk, dat het iets méér moest zijn en groter. De winkel Stijl in Brussel heeft die collectie ook aangekocht. Dat seizoen was voor mij heel intensief qua werk, in combinatie met mijn vaste job, maar het lukte."

Maar je had ineens ook geen vaste job meer.
"Twee jaar geleden had het pyjamabedrijf waarvoor ik werkte ook de deuren gesloten. Ook al was die job niet volledig mijn ding, ik kon er op een bepaalde manier toch mijn eigenheid in kwijt. Toen ben ik voor de allereerste keer sollicitatiebrieven beginnen te schrijven. Vorig jaar heb ik bij letterlijk iedereen in de mode gesolliciteerd, bij bedrijven, alle ontwerpers, zelfs bij Ann Demeulemeester en Veronique Branquinho. Zonder succes. Ik kreeg gewoon geen werk meer.

"Met een nieuwe vaste job en een goede fabrikant zou het me allemaal iets makkelijker vallen om daarnaast mijn eigen ding te blijven doen. Ik wil vooral ook een job waarin men me kan waarderen voor wat ik allemaal kan. En ik kan véél. Voor een commercieel merk of niet: ik heb ervaring genoeg in de sector. Bij deze zal ik dan maar een warme oproep doen, bij wijze van sollicitatie: wie een job voor mij heeft, mag mij zeker contacteren."

Intussen heb je je 'Tupperware-avonden' gelanceerd. Vanwaar het idee?
"Het idee is stilaan gegroeid, met mijn vriendinnen en hun vriendinnen. Ik kondig de avonden telkens aan op mijn Facebookpagina, of ik stuur een mailtje naar geïnteresseerden. Mijn klanten komen vooral uit Antwerpen en Brussel. Het zijn vrouwen die op zoek zijn naar andere dingen. Ze houden absoluut van Belgische ontwerpers, van de tijdloosheid ervan.

"Mijn klanten zijn ook mensen die bij Ann Demeulemeester kopen, of bij Dries Van Noten. Vrouwen die hun kleren willen koesteren en die kleren jaren willen dragen, vrouwen die kiezen voor heel tijdloze stukken, los wat er 'in de mode' is."

Dat is een filosofie die indruist tegen erg de tijdelijke aard van 'mode', niet?
"Het is alleszins een filosofie die weinig ruimte krijgt tegenwoordig, inderdaad. Sparen voor iets, dat kan niet meer. Sommige mensen zeggen mij: schoenen van 300 euro, dat kan ik niet betalen. Dezelfde mensen kopen dan wel iedere zaterdag bij kledingketens een jasje, of een jurkje, een bloes of een rok. Die mensen kopen méér dan ik, maar 300 euro voor een mooi paar schoenen vinden ze te veel. Ik begrijp dat niet. Waarom willen ze niet iedere maand een klein beetje sparen en één keer in het seizoen iets moois kopen?

"De hele economie is gebaseerd op één principe: koop nu, haast je, anders ben je te laat. Dat economische klimaat maakt dat je niet snel 600 of 1.000 euro aan een jas zult spenderen. Als je niet je juiste maat hier en nu koopt aan het begin van de lente, heb je dat ene stuk niet meer. Ik wil daar niet meer aan meedoen. Ik heb het gehad met dat systeem."

Kun je je vinden in wat Li Edelkoort zei, dat er een terugkeer moet komen naar 'het kledingstuk' als uitgangspunt van de mode?
"Absoluut. Een kledingstuk moet je kunnen zien zoals je een designmeubel zou kopen. Of een beeld, of een lamp. Ik wil kleren maken die stuk voor stuk sterk zijn, die hun kracht blijven behouden.

"Er zijn merken die heel sterk zijn in mooi gemaakte basics. Daar hoef ik mij niet op toe te leggen. Ik wil echte eyecatchers maken, waar geen datum op staat. En wanneer een kledingstuk wat duurder is, dan moet dat voor mij ook zichtbaar zijn in het kledingstuk, qua stof, qua afwerking en details. Het handwerk aan de sweaters met patchwork die ik nu maak, dat wordt enorm geapprecieerd door mijn klanten, want net daarin ligt het verschil."

Wat moet er voor jou dringend veranderen in de mode?
"Dat we hier weer kunnen produceren. Nu wordt je collectie via een lokale 'fabrikant' in het buitenland vervaardigd, in Polen bijvoorbeeld, maar dat maakt alles moeilijk en stroef. Voor een paar kleine stikfouten in drie truien moeten fiches worden opgemaakt, douanepapieren ingevuld, weer opgestuurd, daar moet dan iemand weer de hele uitleg doen... Dat is onzin en tijdverlies.

"Maar om hier weer kansen te scheppen op lokale productie zouden de loonkosten dringend omlaag moeten. Hier zijn kleine initiatieven haast onmogelijk, omdat er zo veel risico's aan verbonden zijn. Niets mag nog als het niet in een vastgelegde structuur zit. Ik geloof in een nieuw systeem van een basisinkomen voor iedereen, zeker om de creativiteit te stimuleren.

"Wat er ook dringend nodig is, is een mentaliteitswijziging. Mensen zouden minder moeten kopen maar beter. Nu willen ze geen geld meer geven aan goede kleren in mooie stoffen, waar heel wat research aan voorafgegaan is. Terwijl ze zich zonder verpinken een iPhone van 600 euro aanschaffen die door een robot wordt gemaakt, waar geen arbeider zijn brood mee kan verdienen. Mensen gaan uit eten voor 300 euro, maar vinden de prijs voor een mooi kledingstuk dat gemaakt is door mensenhanden met veel precisiewerk, kennis en geduld, veel te hoog. Een bedroevende situatie. Verlangen naar iets, ervoor sparen en er jaren van genieten, dat kan zo mooi zijn. Daar geloof ik in."

Tassen van Frieda Degeyter op zangra.com
Collectie bij DVS, Schuttershofstraat 9, Antwerpen
Privéverkoop: info@friedadegeyter.com

Volgende keer: Demna Gvasalia van Vêtements

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234