Donderdag 29/09/2022

'In dit land is de pers de echokamer van de machthebbers'

'Waarom hadden de Verenigde Staten, als enige van de ontwikkelde landen, geen kritische berichtgeving over de oorlog in Irak?' Amerikaanse journalisten en onderzoekers noemen nu zelf hun berichtgeving 'een probleem'. 'We zijn als de dronkaard die zich wekenlang volgiet met wat hem wordt aangeboden en die dan wakker wordt met de vraag: wat heb ik in 's hemelsnaam aangericht? Alvorens opnieuw te beginnen drinken.'

Achter het standbeeld van Joseph Pulitzer, de kranteneigenaar naar wie de meest prestigieuze persprijzen van dit land zijn genoemd, huist de afdeling journalistiek, opgericht met geld van Pulitzer en bedoeld als een instituut om het niveau van reporters en hun media op te krikken. Michael Hoyt doceert er en is er hoofdredacteur van de Columbia Journalism Review, een tweemaandelijks blad dat de Amerikaanse pers van dichtbij in de gaten houdt. Hoyt wikt meestal zijn woorden, maar op één punt doet hij dat niet: "De pers heeft gefaald. Zonder meer, ja".

Hij contrasteert die teleurstellende vaststelling met de hoge verwachtingen die na 11 september 2001 waren gewekt. Zijn blad publiceerde naderhand een hoofdartikel waarin het Katie Couric citeerde, de ster van de ochtendnieuwsshow op NBC, die zich een week na 11 september 'verlegen' voelde over de trivia die voordien haar aandacht hadden gekregen. Couric interviewt op een gemiddelde dag eerst een president of een eerste minister, en vervolgens een vierderangs soapster, de uitvinder van een nieuw dieet of de schrijver van een nieuw kookboek. Die combinatie van belangwekkend en onbenullig in haar show vond ze na 11 september onhoudbaar. Voor anderen bleek 11 september een tijdelijk einde te maken aan de ironie en het cynisme van de reporters, aan hun afstandelijkheid. Op een moment als 11 september leek afstandelijkheid onhoudbaar geworden.

"We moesten belangrijk werk gaan doen, dat was het gevoel", zegt Hoyt. "Teleurstellend hoe snel die gevoelens verdwijnen." Niet helemaal, wat hemzelf betreft: "Ik voel nog altijd die nieuwe motivatie. Het belang van nieuws is me duidelijker dan ooit." Maar Couric wisselt opnieuw zonder zichtbare tegenzin af tussen interviews met toonaangevende politici en berichten over de nieuwe zondagsmode. Het triviale is alweer helemaal acceptabel geworden.

Hoyts wrevel heeft niet zozeer met dat triviale te maken, maar eerder met het gebrek aan afstandelijkheid.

"De berichtgeving in de aanloop naar de oorlog in Irak was over het algemeen een mislukking. We hebben de bal laten vallen. We liepen mee in de cirkel die moedwillig was gecreëerd: Iraakse overlopers voedden de regering en voedden tegelijk de pers. Mensen rondom Chalabi (de toenmalige Iraakse oppositiefiguur, RR) hadden circuits opgezet met dubieuze informatie en er was duidelijk onvoldoende kritische zin in de pers."

Goed een maand geleden heeft The New York Times toegegeven dat ze zich in deze ernstig vergaloppeerd heeft, dat de krant alarmerende getuigenissen van overlopers over massavernietigingswapens op de voorpagina had gebracht en latere rechtzettingen of twijfels in veel kleinere stukken en zonder titels op pagina 13 of 14. Journaliste Judith Miller, die een aantal van de dissidenten met dubieuze informatie had opgevoerd, verklaarde eerder dat het niet haar taak was onafhankelijke informatie te brengen, maar wel de informatie te tonen waarop de regering haar argumentatie voor oorlog had gebaseerd.

Waarom was de kritische zin afwezig?

Hoyt: "Een deel van de uitleg is: na zo'n aanval als die van 11 september voel je een grote woede. Die woede en dat gevoel van onrecht waren met de oorlog in Afghanistan niet helemaal gestild, de wraakneming was nog niet groot genoeg geweest. Er heerste tevens een gevoel dat je je leiders onder de speciale omstandigheden maar moest vertrouwen. De mobilisatie voor een oorlog is een sterk gegeven, mensen uit jouw omgeving maken zich klaar om hun leven te riskeren. Een echt vaderlandslievende journalist levert op zo'n moment, wat mij betreft, deugdelijk, kritisch werk. Maar velen dachten dat ze het programma van het land vooruit moesten helpen, solidariteit moesten tonen met die soldaten. We werden meegesleept, want we waren menselijk.

"De drang om de vervlechting van persoonlijke emotie en journalistiek werk aan te vechten is verminderd, ik weet zelf niet waarom. Het betreft niet alleen de oorlog, de pers was evengoed kritiekloos tot dwepend met Enron alvorens dat bedrijf op zijn buik ging, we waren kritiekloos tot dwepend met de beursstijgingen tot die uitbubbelden. De journalist is in toenemende mate een groepsdier. Als je met iedereen dezelfde strekking verkondigt, krijgt later niemand de schuld. Het is hetzelfde groepsdenken dat de inlichtingendienst heeft gefnuikt.

"Ik denk dat de grootste blaam de journalisten in Washington treft. Daar heerste echt het gevoel dat je een zwakkeling was als je de lijn inzake de oorlog in twijfel trok. Journalisten in Washington zijn zo al bang om buitengesloten te worden, om niet langer deel uit te maken van het theater, om de informatiebronnen te zien opdrogen. In het parlement speelde hetzelfde fenomeen. Wie tegen de oorlog was, was dubieus. Alle tegenspraak was weg. Wapeninspecteurs zoals Hans Blix werden tot op zekere hoogte weggehoond. Veel burgers en journalisten maakten geen onderscheid tussen de oorlog in Afghanistan en de oorlog in Irak, het ene leek een logisch vervolg op het andere."

De wel kritische bronnen buiten en in Washington, de vredesbetogers, haalden het nieuws nauwelijks. Niemand legt een rechtstreeks verband, maar uit marketingonderzoek was gebleken dat een meerderheid van lezers en kijkers niet geïnteresseerd was in de protesten tegen de oorlog.

De eenzijdigheid in de berichtgeving is niet afgelopen met de aanloop naar de oorlog. Sinds de oorlog is begonnen, kun je op Amerikaanse zenders en in Amerikaanse kranten lang zoeken naar berichten over brutaliteiten van het leger, naar beelden van soldaten die met schoenen door moskeeën lopen, die in het holst van de nacht deuren intrappen en vrouwen uit hun bed trommelen. Europese en Arabische nieuwsmedia bieden dergelijke beelden bijna op dagelijkse basis.

Hoyt: "Om te beginnen weet ik niet of je het woord 'brutaliteit' hier met recht gebruikt. Als die soldaten op basis van goede informatie naar terroristen of naar wapens zoeken, begaan ze misschien geen brutaliteit. Maar het klopt dat er allicht een onevenwicht is. Dergelijke beelden zouden zeker iets hebben toegevoegd, ze zouden duidelijk hebben gemaakt waarom de Amerikanen niet heel populair werden tijdens de bezetting. We hadden embedded journalists, journalisten die meereisden met het leger, wat soms een soort solidariteit met het leger impliceerde. De nadruk lag op liveberichtgeving: de journalist stond om de tien minuten voor de camera om zijn of haar commentaar te geven, wat hem of haar geen tijd liet om echt reportages te maken. Ook hier speelde weer een valse vaderlandslievendheid, een vals gevoel voor evenwicht. Je kon geen half negatief woord over het leger kwijt zonder tegelijk de wandaden van Saddam in de verf te zetten. Hoe gek dat ook moge lijken: we hebben in dit land de neiging om geen geweld in het nieuws te tonen, geen doden. Dat is wat mij betreft verkeerd, we moeten tonen dat een oorlog gruwelijk is."

Get Fox News Channel, de rechtse nieuwszender van mediamagnaat Rupert Murdoch, "zette de toon door openlijk vaderlandsliefde te laten primeren op journalistiek. In het licht van die concurrentie vonden anderen het moeilijk om af te wijken". Christiane Amanpour, sterjournaliste van CNN, wees tijdens een tv-discussie op de druk "van de regering en haar hulpjes bij Fox", die leidde tot zelfcensuur. Reactie van Fox: "Je kunt beter beschouwd worden als het hulpje van Bush dan als de woordvoerster van Al-Qaeda."

Steve Rendall is de senior analyst van FAIR, een linkse groep die de media bestudeert. Terwijl hij praat, draait achter hem in stilte het Fox News. De nieuwsuitzendingen, ook van andere zenders, worden in de bescheiden kantoren in New York opgenomen en geanalyseerd. Rendall heeft voor en tijdens de oorlog twee studies gemaakt die wat hem betreft de vooringenomenheid van de media tonen.

"Tijdens een debat over de media vragen we ons af: hoe hadden de media idealiter moeten omgaan met de oorlog? Met Pearl Harbor hadden journalisten geen tijd om na te denken over oorlog, toen werden we min of meer voor voldongen feiten geplaatst. Met deze oorlog daarentegen hadden we alle tijd om ons voor te bereiden. De pers is volgens ons op minstens vier terreinen tekortgeschoten: ze voerde geen groot en grondig debat, tenzij over de vraag wanneer de invasie het beste kon gebeuren: 'Kunnen we wel wachten tot maart?'. Ze had geen eigen, onafhankelijke, betrouwbare informatie over de oorlog. Ze stelde geen kritische vragen bij de uitlatingen van machthebbers. En ze bood geen of weinig context aan het publiek. De historische geschiedenis van onze interventies in het Midden-Oosten werd bijna niet behandeld. Mijn idee is dat de media de machthebbers het vuur aan de schenen moeten leggen. Dat hebben ze keer op keer nagelaten. In dit land is de pers de echokamer van de machthebbers.

"Gedurende de maand voor en na de verklaring van minister van Buitenlandse Zaken Powell voor de VN - in volle voorbereiding op de oorlog, op het hoogtepunt van de antioorlogsmanifestaties - hebben we systematisch de vier grote nieuwsuitzendingen op tv bekeken: die van de grote netten ABC, NBC en CBS, en daarnaast The Newshour van de publieke omroep PBS. Een meerderheid van Amerikanen wou volgens peilingen uit die periode de onderhandelingen en inspecties meer tijd bieden. Tijdens de nieuwsuitzendingen in die maanden was 1 procent van de geïnterviewden tegen de oorlog, tegenover 25 procent van de bevolking; 6 procent van de geïnterviewden vertegenwoordigde de strekking dat er meer tijd nodig was, wat het standpunt was van 60 procent van de bevolking. Het nieuws bracht een versie die niet strookte met de standpunten van de bevolking.

"We hebben dan opnieuw die nieuwsuitzendingen, plus CNN en Fox, bestudeerd tijdens de eerste drie weken van de oorlog. Drie procent van de geïnterviewden was tegen de oorlog, 71 procent was voor. In die periode was volgens peilingen 27 procent van de bevolking tegen de oorlog. Het allerslechtst scoorde CBS, dat in die drie weken welgeteld één stem tegen de oorlog liet horen: Michael Moore, die tijdens de uitreiking van de Oscars de oorlog fictief noemde. CBS bracht niet eens een eigen interview, gewoon een fragment uit de speech van Moore. Geen enkele van de zes zenders had ooit een antioorlogsstem in de studio, terwijl de analisten, ex-generaals, doorgaans voor oorlog waren. Om een bekend citaat te parafraseren: oorlogsberichtgeving is te belangrijk om aan ex-generaals over te laten. "Driekwart van alle stemmen waren voormalige of huidige regeringslieden, of militairen. Men berichtte over de oorlog vanuit het standpunt van het leger, terwijl mensenrechten of burgerslachtoffers veel minder aandacht kregen. "De geschreven pers was niet veel beter. Geen enkele grote krant was in haar hoofdartikels resoluut tegen de oorlog. The New York Times toonde in de opiniestukken voorbehoud, vragen. Maar de berichtgeving van die krant werd verzorgd door cheerleaders van de oorlog. De Washington Post was in zijn hoofdartikels voor de oorlog, maar daar was de berichtgeving soms wat kritischer.

"Al heel snel begonnen rechtse commentatoren te klagen over het gebrek aan positieve berichten uit Irak. Terwijl de burgerslachtoffers nog nauwelijks in beeld gekomen waren, begonnen verschillende zenders en kranten met een speciale rubriek over wat goed ging in Irak. We kregen eindeloos berichten over scholen die gebouwd werden.

"De toon van de berichtgeving begon pas te veranderen nadat president Bush van op het vliegdekschip Lincoln het einde van de vijandelijkheden had aangekondigd. Toen dat manifest niet zo bleek te zijn én toen wel meer aspecten van de officiële versie niet bleken te kloppen, onder andere inzake massavernietigingswapens, voelden de journalisten zich gekwetst en bedrogen. Dat er nu meer kritisch wordt bericht heeft in mijn visie evenwel minder te maken met een hervonden kritische zin en meer met een veranderende houding van een groot deel van het establishment, dat nu ook Bush en diens ploeg als gevaarlijke onruststokers begint te beschouwen, en dat zich grote zorgen maakt over de teloorgang van zestig jaar diplomatiek werk."

De documentaire Outfoxed wordt aan de pers gepresenteerd. Outfoxed is een wat makke doordruk van een Michael Moore-film. De makers tonen hoe het Fox News Network bijna zonder uitzondering de lijn van de regering-Bush volgt, de oorlog aanpraat aan zijn kijkers en niet al te zeer ingaat op het grote begrotingstekort, dat ook de rechterzijde onrustig maakt. De film toont opnames van de chef politiek van Fox, die er met toenmalig presidentskandidaat Bush in 2000 over smoest hoe zijn echtgenote en een zus van Bush samen campagne voeren voor Republikeinse kandidaten, en met name voor Bush. Men toont hoe ster Bill O'Reilly, anchorman van 's lands meest bekeken kabelnieuwsshow, de ene gast na de andere de mond snoert en zijn show gebruikt om zijn opinies wereldkundig te maken, veeleer dan die van zijn gasten (soms praat O'Reilly zelf tijdens interviews meer dan zijn geïnterviewde, die schaapachtig mag bevestigen wat de ankerman verkondigt).

Een Fox-journalist reageert al tijdens de persconferentie: hij wrijft de documentairemakers kwalijke informatietechnieken aan. Later laat de chef politiek weten dat de beelden uit hun context zijn gehaald en dat zijn echtgenote nooit campagne heeft gevoerd voor Bush.

De zender verwijst naar de kijkcijfers, die hoger zijn dan die van CNN (alsof meer kijkers een bewijs vormen van hogere journalistieke kwaliteit). Fox verwijt bovendien aan de filmmakers, en aan The New York Times die over de documentaire heeft bericht, dat de zender geen kans heeft gekregen op een wederwoord. De Los Angeles Times, die ook over de film bericht, heeft vergeefs een week gewacht op een repliek van Fox. Dat is ook mijn ervaring. Ik bel de Fox-persdienst blauw, en ik word één keer teruggebeld met de mededeling dat er niemand beschikbaar is om op vragen te antwoorden.

Bij de rechtse onderzoeksinstituten inzake media vind ik evenmin veel respons op het onderwerp. Ik slaag er nooit in om langer dan enkele minuten vragen te stellen. Bijvoorbeeld aan Tim Graham, hoofd media-analyse van het Media Research Center, een groep die in tegenstelling tot FAIR over een miljoenenbudget beschikt.

"Het is uitzinnig", zegt hij, "te beweren dat de pers in de aanloop naar de oorlog niet kritisch is geweest."

En wat dan met de cijfers van FAIR?

Hij verwijst naar een nieuwsuitzending van ABC waarin herhaaldelijk werd gewezen op de band tussen Saddam en de regering-Reagan. "Als je met kritisch bedoelt dat de pers de oorlog had moeten verhinderen, dan is ze niet kritisch geweest, maar we hebben tal van voorbeelden waarbij de pers kritisch was over het leger. Citeer maar uit onze website."

Zijn stem is gaandeweg luider geworden. Hij gooit de hoorn uiteindelijk neer met de vaststelling dat hij geen tijd heeft voor dit soort vragen en dat andere dingen hem meer interesseren, met name de "linkse vooringenomenheid van de pers".

Over de vraag waarom de pers zo fout zat inzake massavernietigingswapens vind je niets op de website van het Media Research Center. Over de 'linkse vooringenomenheid' daarentegen vind je hele hoofdstukken. Journalisten stemmen in hoofdzaak op Democraten, ze zijn geneigd in sociale vraagstukken de kant van de progressieven te kiezen, vóór keuze inzake abortus, pro homohuwelijk et cetera. Dat soort vaststellingen wordt in de details soms betwist maar valt in het algemeen niet te weerleggen. Slechts weinig journalisten hebben voeling met christelijke fundamentalisten, terwijl een aanzienlijk deel van de bevolking bij die groep aansluit.

Bij FAIR stelt men daar tegenover dat slechts weinig journalisten voeling hebben met vakbonden of sociale actiegroepen, terwijl die evengoed een aanzienlijk deel van de bevolking vertegenwoordigen. Journalisten zijn veel vaker universitair geschoold dan de gemiddelde bevolking. Journalisten zijn economisch vaker rechts. In het algemeen zijn journalisten de afgelopen vijfentwintig jaar veel beter betaald geworden. Ze sluiten economisch aan bij de machthebbers, aldus Steve Rendall van FAIR. "Ze delen hun belangen."

Aan de universiteit van Urbana, Illinois, ver weg van de grote media die doorgaans in New York of Washington gevestigd zijn, doceert Robert McChesney media-analyse. Hij publiceert onvermoeibaar boeken, zijn recentste is The Problem of the Media (2004, Monthly Review Press, 366 p., 16,95 dollar). Hij wordt door collega's beschouwd als dé autoriteit in deze. Ik haal hem telefonisch bij zijn kinderen en uit zijn vakantie weg, maar dat lijkt hem slechts matig te storen.

Hij is niet verwonderd over het gebrek aan respons bij rechtse onderzoeksinstituten.

"De redenering bij hen schijnt te zijn: de linkse vooringenomenheid bij de pers is zo schrijnend dat een rechtse pers volop ongerijmdheden mag verkondigen zonder dat het evenwicht ook maar enigszins wordt hersteld. Volgens mij is de premisse van linkse vooringenomenheid een fabeltje en zijn de rechtse ongerijmdheden precies dat: ongerijmd. Hun redenering werkt echter in die zin dat de centrummedia als de dood zijn om voor progressief door te gaan. Neem het gevangenisschandaal in Abu Ghraib. De rechtse media fulmineren ertegen dat de pers te veel over dat schandaal bericht. Maar denk je even in dat het andersom zou zijn gegaan: dat Iraakse bewakers Amerikanen seksueel hadden vernederd. Dan zou er niet genoeg papier zijn gevonden om over het schandaal te schrijven, dan hadden we wellicht Irak met kernbommen platgelegd.

"Er is", zegt hij, "in de loop van de geschiedenis vaak gepalaverd over de rol van de media. Ooit was er de strekking dat de pers een instelling hoorde te zijn die de bevolking verdedigde tegen de machthebbers, die de machthebbers bekritiseerde in het belang van de bevolking. Die strekking heeft het pleit verloren ten voordele van een strekking die nieuwsgaring ziet als iets wat vooral met officiële bronnen te maken heeft. Tenzij iemand met een officieel karakter de officiële versie aanvecht, staat de journalist dan machteloos. Zo dekken journalisten zichzelf in, het is veilige journalistiek, want ze brengen de eigenaars van het medium niet in verlegenheid.

"Een bijkomende factor is dat de rechtse media een soort angst hebben gezaaid en dat de centrummedia al bij voorbaat de kritiek voor willen zijn dat ze onbetamelijk links zijn. Zo bestond de pers het om onaflatend Clintons seksleven te ontleden, terwijl elementaire dingen in de strijd tegen het terrorisme bijna onbeschreven blijven. Probeer je even voor te stellen dat 11 september onder Clintons voogdij was gebeurd en dat hij drie jaar later nog altijd Osama bin Laden niet zou hebben gevangen. Ik ben er zeker van dat de rechtse pers dagelijks zou melden hoeveel dagen na 11 september Osama nog altijd op vrije voeten was, ik ben er zeker van dat Clinton met een afzettingsprocedure (impeachment) bedreigd zou zijn geweest wegens het uitblijven van Osama en, stel dat de VS onder zijn bestuur Irak zouden zijn binnengevallen, vanwege de verkeerde informatie inzake massavernietigingswapens of het geheul met Chalabi. Nu heerst er politieke windstilte over zowel Osama als de massavernietigingswapens. We hebben een dubbele standaard geïntroduceerd en geaccepteerd.

"Nog belangrijk. In 2002, in de aanloop naar de oorlog, voerden de grote mediagroepen onderhandelingen met de regering over deregulering, wat betekent: over hun vrijheid om een groter deel van de mediakoek op te slokken. Tijdens dergelijke onderhandelingen willen de media hun onderhandelingspartner niet voor het hoofd stoten." Dat is een kwestie van management. Ik kan me niet voorstellen dat individuele journalisten niet bereid zijn te bijten in de hand die hen voedt. "Heb je er gevonden? Ik heb uitvoerig gezocht en bij de grote nieuws-tv-zenders heb ik niemand gevonden die in die hand heeft gebeten. Heb je trouwens al een journalist van de NBC-ochtendshow horen klagen over het feit dat hij of zij buiten proportie entertainmentprogramma's van de eigen mediagroep in de aandacht moet brengen? Ik niet.

"Ik denk dat er ook een belangrijke economische verklaring is voor het gebrek aan deugdelijke informatie. Veel media hebben hun buitenlandse correspondenten teruggeschroefd of afgeschaft ten voordele van de anchorman, de vedettejournalist, die in tijden van crisis wordt uitgestuurd. Dat is goedkoper, maar die omvorming van iemand met lokale kennis naar de vedette, die geen deugdelijke voorkennis heeft, maakt dat de officiële versie veel minder aangevochten wordt. Iemand in de regering zegt: we zullen in Irak met open armen worden ontvangen, en er is niemand om tegen te sputteren: 'Houd nu toch op met dergelijke onzin'."

Wat ook vreemd is: op bijvoorbeeld Fox News is het commentaar dominant, en in dat commentaar doet men met de feiten min of meer wat men wil. Men argumenteert er zonder verpinken dat er wel degelijk massavernietigingswapens zijn, ook al is daar geen spoor van gevonden. "We krijgen zo langzamerhand een punditocracy, een eindeloze productie van blaaskakerij. Fox News is daarmee begonnen omdat opinie goedkoper was dan nieuws (het budget van Fox bedraagt ongeveer de helft van concurrent CNN, RR). En als je voor opinie kiest, kun je maar beter voor extravagante opinie kiezen. Wie kijkt naar grijze muizen die over details redetwisten? We worden in toenemende mate gevoed door min of meer uitzinnige opinies in plaats van door feiten, en dat is een heel negatieve evolutie. Je hebt allicht de studie gelezen dat Amerikanen buiten proportie geloven dat Saddam betrokken was bij 11 september. Dat is daarvan een gevolg."

Zien de gesprekspartners reden tot optimisme? Is de pers na de berichtgeving inzake Irak tot inkeer gekomen?

Hoyt: "Ik ben van nature een optimist. Los van alles is er veel journalistiek talent."

Rendall: "Volgens mij was de Irak-berichtgeving geen uitzondering. In tijden van nationale crisis wordt de pers nationalistisch. Dat was zo ten tijde van de invasie van Grenada, ten tijde van de crisis in Panama, ten tijde van de eerste Golfoorlog, in het begin van de Vietnamoorlog. We zijn als de dronkaard die zich wekenlang volgiet met wat hem wordt aangeboden en die dan wakker wordt met de vraag: wat heb ik in 's hemelsnaam aangericht? Alvorens opnieuw te beginnen drinken.

"Voor een stuk ligt het probleem bij de journalisten aan de top. Zij geraken zover omdat ze niet al te ver van hun broodheren redeneren. Ze maken zelf deel uit van het establishment. Ik sprak onlangs met een journalist van tv-zender ABC en die zei dat er op hem nooit druk is uitgeoefend. Ik geloof hem. Als ze eenmaal zover geraken moet je hen niet langer omkopen, dan hebben ze de meningen van de machthebbers tot de hunne gemaakt."

McChesney: "Zolang het systeem van mediaconcentratie door enkele grote groepen niet verandert, zullen de media niet grondig veranderen. Wat me enigszins hoopvol stemt, is dat steeds meer mensen, zowel rechts als links, inzien dat de concentratie van kranten en tv-zenders in de handen van enkele groepen geen goede zaak is."

Die dag bericht sterjournaliste Katie Couric van op de Democratie Conventie in Boston. Vandaag voor haar geen interview met een buikspreker.

Deze reportage kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek. Info: www.fondspascaldecroos.com.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234