Dinsdag 09/08/2022

Johan de Boose Haha! Zo veel ellende en bloed

Bloedrood, zo kleurt Bloedgetuigen van romancier en slavist Johan de Boose, en zo is ook de balans van de vreselijke strijd tussen nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Die oorlog is bepalend in de drie afzonderlijke levens- en familieverhalen die de auteur al van decennia voor de oorlog uitzet en die hij nadien ook laat doorlopen. Een Vlaamse, een artistiek-Russische en een Joods-Russische familie hebben Sint-Petersburg als losse knoop: de Joodse familie zal een tijdlang verhuizen naar de stad, die dan Petrograd heet, om nadien te verkassen naar het platteland. De Vlaming Louis vecht met andere Oostfronters aan het beleg van de stad, die dan Leningrad heet. De Russische artieste Kamila werkt, woont en (over)leeft allen en alles in Sint-Petersburg, die dan Petrograd, Leningrad of weer Sint-Petersburg heet.

En tegen de achtergrond van die kleine familieverhalen is er de echo van de gepersonifieerde Twintigste Eeuw, een even wellustige als gewetenloze toeschouwer die zijn cynische commentaar geeft op de vreselijke honderd jaren die hem gegeven zijn.

Dat is het bijzonder ambitieuze kader van de auteur: niet één, maar drie keer een verhaal vertellen van de amplitude van Het verdriet van België, en die drie lijnen door elkaar weven tot één magistraal geheel, waarbij de Twintigste Eeuw nog eens als een Grieks koor opgevoerd wordt om zijn commentaar te geven op de gebeurtenissen in het ondermaanse.

Als plan voor een roman is dit ontzettend ambitieus. Het herinnert tegelijk aan Het verdriet van België van Hugo Claus, Les Bienveillantes van Jonathan Littell en hier en daar aan Ingenieurs van de ziel van Frank Westerman. Aan diens boek refereert De Boose ook rechtstreeks, als hij het heeft over de verstikkende sfeer na de machtsovername van de Sovjets: “Dichters werden ingenieurs van de ziel.” Een opzichtige knipoog? Een vriendschapsverzoek, niet op Facebook maar in druk? Een culturele referentie om de eigen belezenheid te tonen of de lezer te teasen? Hoe dan ook: een zin die eigenlijk niet nodig was en de lezer even uit het verhaal haalt. En dat gebeurt een keer of tien per pagina. Gemiddeld.

Johan de Boose wil namelijk een uitzonderlijk boek schrijven, uitzonderlijk complex van structuur ook, en gaat daartegenaan met uitzonderlijk taalgebruik.

De twintigste eeuw, en zeker de oorlog aan het Oostfront, was een tijd van uitersten. De Boose meent dat literair te moeten vertalen in extreme beelden en metaforen. Hoe walgelijk, hoe gruwelijk, hoe pakkend of hoe ernstig de feiten ook zijn, de Boose verwoordt die per definitie in een nog exuberanter beeld. Als Hitler de eerste concentratiekampen installeert, klinkt dat zo: “Oom Haakneusneuker besloot al vroeg, vanaf zijn aantreden, om werk te maken van het verrekken en hen nondeju onder te brengen op, haha, ideale plekken.”

‘Meer is minder’ is aan de auteur niet besteed. Hij gaat voluit voor de overdrijvende trap van barok, een hogere vorm van überkitsch. Dat begint al met zijn allereerste woorden van de proloog: “Proloog tot de essays van de slettenbak over het climaxorgasme.” Dat gaat zo door tot de allerlaatste zin van de laatste paragraaf: “Ik voeg me bij mijn vier miljard zusters die mij zijn voorgegaan, en laat mijn kleine opvolgster, slettenkut nummer XXI, zich nu maar bezighouden met de kiemkracht van de onbenulligheid, de marktwaarde van poep, het strakker trekken van de knoop, het geile geurtje van fijngehakte geslachtsdelen, Gänsehaut, het aambeien veroorzakende idealisme, de bezem van de tijd, haha, ik ga, haha, dada.”

Tussen die twee citaten liggen ruim zevenhonderd vergelijkbare pagina’s. De lezer die zich door deze turf van De Boose ploegt, is even uitgeput als een soldaat na de slag om Leningrad. Dat geldt in de eerste plaats voor die vreselijke hoofdstukken waarin de Eeuw aan het woord komt, als een cynische waarnemer die met alles lacht (en dus vindt de auteur er niets beters op dan hem zowat elke paragraaf(!) letterlijk te laten lachen: “Haha!” En dat is maar één voorbeeld van een stijlkeuze waarbij men liefst expliciet maakt wat ook impliciet had kunnen blijven).

Gelukkig kan De Boose zijn uitputtende stijl niet consequent volhouden, zodat er hier of daar toch een mooie en zelfs pakkende passage overblijft. Dat zijn dan gelukkige trouvailles in eindeloze overwegingen en vergelijkingen, een enkele keer zinvol, grappig en mooi, meestal artistiekerig, gezocht, gekunsteld, een boek als een lange aanslag op het concentratievermogen van de lezer.

Wie na tien pagina’s nog niet bewusteloos is, heeft misschien nog even tijd om zich te ergeren aan de vele slordigheden. Want wie echt ettelijke duizenden keren wil verwijzen en refereren, maakt natuurlijk fouten. Zo laat De Boose de ‘patriarch van Antiochië’ vanuit Griekenland naar Odessa komen. Dat moet dan per tussenstop geweest zijn, want in 1913 lag Antiochië niet in Griekenland, maar in het Ottomaanse Rijk, dichtbij de Turks-Syrische-Libanese grens. Hij poneert bijvoorbeeld ook dat alle Belgische prinsen, op koning Albert na, Leopold genoemd werden. Dat is niet zo: de oudere maar jonggestorven broer van Albert, de kroonprins die voorbereid werd op de troon, heette Boudewijn. Wie te erudiet wil doen, wordt snel te pedant.

‘Te’ is trouwens het sleutelwoord. Bloedgetuigen flirt niet met de overtreffende, maar met de overdrijvende trap. Er zijn te veel verhaallijnen, te veel verwarde inzichten, er is te veel gekunstelde taal, te veel menselijk leed, wat leidt tot te gruwelijke passages (een vrouw die zelfmoord overweegt met een pistool in haar vagina, een SS-kampbewaker die masturbeert als hij door het raampje kijkt naar Joodse vrouwen die creperen in de gaskamers), waarmee vervolgens te weinig gebeurt. En dat komt, ultiem, omdat de auteur voor dit te ontzaglijke project gewoon wat te weinig literair talent bezit. Het is niet omdat men als auteur een epos wil schrijven of als uitgever een klassieker vorm wil geven, dat men ook een epos of een klassieker aflevert. Het is niet omdat men de Sovjet-Unie wil veroveren, dat men het communisme klein of de Joden uitgeroeid krijgt. Zelfs die ene les uit de twintigste eeuw is blijkbaar niet begrepen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234