Donderdag 06/10/2022

Jonge geest donkere ziel

Ze lijken de vrolijkste van de bende, maar in hun jonge hoofden tollen de donkerste gedachten. Waarom kiest een schijnbaar gelukkige tiener voor zelfdoding? En waarom zag niemand dat aankomen? Een overlever en een nabestaande getuigen. 'Op de avond dat mijn moeder naar dat feestje moest, zou het gebeuren.'

Zij toch niet. Die gedachte komt meteen in me op als ik Rani ontmoet. Frisse meid van zeventien, open gezicht, hippe frou, aanstekelijke lach. Een tiener op de drempel van het Grote Leven. Met op het oog alles om er een spannend feestje van te maken. Toch raakte Rani Buyssens vorig jaar zo diep verstrikt in zichzelf dat ze er ei zo na een eind aan maakte.

Tot in de puntjes had ze het gepland. Ze wist hoe ze het zou doen: onder een trein springen. De plek had ze uitgezocht - "niet ver vanwaar ik woon". En de datum stond geprikt - "op een avond dat mijn moeder naar een feestje moest en ik dus alleen thuis was". Op het nippertje kwam er een helpende hand. En dus is Rani er nog. Maar van de pijn van het zijn die zich sinds haar vroege kindertijd in haar ophoopt, herstelt ze nog altijd.

Rani vertelt. "Ik was veertien toen ik mijn vader verloor. Kanker. Hij is snel gestorven. Tijd om iets goed te maken was er niet. En dat wilde ik wel. Mijn ouders zijn gescheiden toen ik in de derde kleuterklas zat. Daar heb ik erg onder geleden. Het klikte niet zo met mijn papa. Ik kan goed leren, maar handig ben ik niet. Mijn zus en mijn broer wel. Zij kan uitstekend koken, hij is een prima voetballer. Papa gaf me vaak het gevoel dat ik te min was. Ik had niets van 'doe-talenten' en dat leek het enige wat telde. Ik ging niet graag bij hem. Ik was liever bij mijn mama en deed onvriendelijk tegen hem. Toen mijn papa al erg ziek was, zag ik aan hem dat dat hem veel verdriet had gedaan. Ik heb het nog een beetje proberen goed te maken, maar dat is niet makkelijk op het laatste moment. Ik heb er nu veel spijt van hoe het is gelopen.

"Datzelfde jaar is mijn oma gestorven. Dat was opnieuw heel moeilijk, want met haar kon ik babbelen. Mijn pépé, de vader van mijn vader, was dement. Als we hem bezochten, deed hij alsof mijn papa nog leefde. Dan zei hij: 'Je papa moet langskomen. Waar zit hij toch de hele tijd?' Dat was zo confronterend dat we niet meer bij hem op bezoek gingen. Niet veel later is hij overleden. Een paar jaar later is ook de papa van mijn mama gestorven. Toen waren al mijn grootouders en mijn vader weg. Ik heb het er heel moeilijk mee om mensen los te laten. Ik kan dat echt niet, want ik heb altijd een sterke band met anderen. Ik had al vriendinnen verloren. Niet dat zij dood zijn gegaan, maar je hebt er dan iets moois mee opgebouwd en dan gaan ze naar een andere school en laten ze je vallen. Nu laat ik heel moeilijk nieuwe mensen toe. Als ik ergens nieuw kom, zegt een stemmetje in mezelf: 'Rani, je bent liever alleen dan dat je gekwetst wordt.'

"In het vijfde middelbaar moest ik overschakelen naar het college, omdat mijn school maar tot het vierde ging. Het niveauverschil was groot. Ik moest hard werken voor mijn punten. Ik zit in de wiskunde-wetenschappen, een moeilijke richting maar ik hou op zich wel van leren. De leerkrachten op het college behandelden me als een nummer. Zij zagen me als een speelvogel. Ik geef toe dat ik al eens graag babbel in de klas en soms een beetje een prutser ben, maar het voelde opnieuw alsof ik niet goed genoeg was. Ik vond dat ze me kleineerden, zelfs voor de hele klas. Mijn klastitularis lachte met mijn punten waar iedereen bij was. Ik vind het belangrijk wat mensen van mij denken. Ik heb het er echt moeilijk mee als mensen kritiek op me geven op een onvriendelijke manier. Dat komt zo hard aan.

"Ik ging me steeds slechter voelen. Ik dacht steeds meer na over zelfdoding. Ik wou liever bij papa zijn. Ik vroeg me af wat hij van me zou denken als hij me nu bezig zag. Zou hij me net als alle anderen te min vinden? Gewoon nog één gesprek wilde ik met hem. Dat zou zo veel voor me betekend hebben. Op school en bij vriendinnen zette ik een masker op. Twee jaar heb ik dat gedaan. Ik deed alsof het me allemaal niet raakte. Alsof de pesterijen van de jongens in mijn klas en de kritiek van de leerkrachten me niets deden. Vanbinnen was het helemaal anders. Overdag lachte ik, maar 's avonds in bed lag ik te wenen. Ik kwam thuis, at, leerde en verdween naar mijn kamer. Ik kon er met niemand over praten. Ik had wel vriendinnen, maar er was niemand die me echt begreep. Het voelde alsof ik helemaal alleen stond."

Op de ochtend dat de zelfdoding gepland stond, brak Rani. "Vanbinnen was ik zo boos. Ik kon niet meer. Toen mijn mama een opmerking maakte bij het ontbijt ging ik door het lint. Ik begon te roepen en te wenen. 'Ik wil hier gewoon niet meer zijn. Snap je dat dan niet? Laat me allemaal met rust!' Mijn mama schrok natuurlijk. Ik heb altijd een goeie band met haar gehad, heb altijd wel met haar kunnen praten. Tot dan had ze mijn zwarte gedachten een beetje weggewimpeld.

"Die dag zag ze dat het menens was. Ze zei: 'Rani, we moeten je laten opnemen in het ziekenhuis.' Dat was heel moeilijk, maar ik besefte zelf ook wel dat het beter voor me was. Ik heb er de hele tijd zitten wenen en zo hard beseft dat ik echt depressief was en met mezelf geen blijf meer wist.

"Daarna ben ik nog lang thuisgebleven van school. Ik wou het wel meteen weer proberen, maar het ging echt niet. In die periode wilde ik niemand zien. Ik zette mijn gsm af, ging niet meer op Facebook. Ik moest tijd nemen voor mezelf. En nadenken: wilde ik er echt niet meer zijn?"

Rani ging in therapie bij De Bleekweide, een vzw die gespecialiseerd is in rouwverwerking bij jongeren en steeds meer kinderen begeleidt met zelfdodingsgedachten.

"In mijn eigen tempo kon ik daar beetje bij beetje weer normaal worden. Nu ga ik nog altijd om de twee weken langs bij Julie, mijn therapeute. Zij heeft me laten zien dat het leven wel mooi kan zijn en dat ik de moeite waard ben. Dat ik al zo veel bereikt heb en dat ik trots moet zijn op mezelf.

"De maatschappij vraagt zo veel van jongeren. Al in de kleuterklas kreeg ik te horen dat ik egoïstisch was en meer voor anderen moest doen. Als reactie daarop kwam ik te weinig op voor mezelf. Ik deed altijd goed voor anderen, nooit voor mezelf. Op school was het niet anders. Daar zeggen ze altijd: leren gaat voor. Ze geven maar taken en toetsen en dan denken ze nog dat je 's avonds tijd zat hebt. Jongeren hebben ook tijd nodig voor zichzelf. Gewoon wat rust. Julie heeft me geleerd dat ik mezelf op de eerste plaats moet zetten. School is niet het belangrijkste. Persoonlijkheid gaat voor."

Rani klautert nu weer rechtop. "Ik heb bijna een vriendje, maar ik kan hem nog niet toelaten. Hij heeft er wel begrip voor en daar ben ik blij om, maar het is natuurlijk niet makkelijk voor hem. Na de humaniora wil ik osteopathie studeren in Gent. Mijn leerkrachten zeggen nu al dat ik die richting niet aan zal kunnen, maar ik heb een droom. Ik denk niet dat ik nog eens zo diep zal zitten dat ik mezelf weer zal willen doden, maar ik ben er soms wel bang voor. Er zullen nog momenten komen dat ik het echt beu ben. Rond de sterfdag van papa heb ik het altijd heel moeilijk. Maar nu voel ik me blij, ik heb mensen om me heen die om me geven. Ik volleybal ook heel graag en daar kan ik me in uitleven. Ik denk dat ik nu wel altijd de mooie kanten zal kunnen zien."

Lut Celie is de bezielende kracht achter vzw De Bleekweide. In haar psychotherapeutisch centrum, dat prachtig gehuisvest is in het Oud-Begijnhof in Sint-Amandsberg, begeleidt ze met haar collega's jaarlijks honderden jongeren. Celie zag de vragen rond zelfdoding de laatste tijd explosief toenemen. "En dat hoor ik overal. Ik werk niet alleen hier in De Bleekweide, maar ga ook naar scholen en jeugdinstellingen. De tendens is duidelijk: meer en meer jongeren dragen zelfdodingsgedachten. Hoe dat komt? Onze prestatiesamenleving leert jongeren dat je voor je problemen snelle oplossingen moet vinden. We moeten allemaal aan torenhoge verwachtingen voldoen. Tijd om te communiceren is er niet en dus kiezen jongeren almaar meer voor een radicale oplossing, voor een cru stoppen.

"Onlangs zei een jongen me hier letterlijk: 'Wie mag ik zijn in deze wereld? Kan ik hier nog wel overleven?' Dat gevoel herken ik bij veel opkomende pubers. Ze krijgen kloppen op alle mogelijke manieren en moeten voortdurend horen dat ze niet presteren, dat ze niet voldoen. Als een jongere zijn zelfdodingsgedachten kenbaar maakt, is dat voor mij geen aanstellerige schreeuw om aandacht. Hij schreeuwt het uit dat het hem niet lukt in deze maatschappij. In wezen is dat een gezonde reactie van een gezonde jongere, maar wat zeggen wij? 'Wat meer poer hé, manneke. Een ander kan dat wel. Waarom jij niet?' We smoren altijd maar die gevoelens. We nemen hun verdriet van ze af, in plaats van ze te leren hoe ze ermee om moeten gaan. Als zo'n jongere keer op keer niet beluisterd wordt, drijft dat hem of haar naar de ultieme drastische keuze."

Volgens Celie raken we de verbinding met onze kinderen kwijt. "We leven in een almaar complexere maatschappij met complexere nesten. Een op de drie gezinnen valt uit elkaar. Dat betekent dat heel veel kinderen te maken krijgen met een ingrijpend verlies. Ik zeg niet dat mensen niet moeten scheiden, maar het heeft allemaal wel zorg nodig. Als partners groeien we uit elkaar, maar laat ons alstublieft niet weggroeien van onze jongeren. Het is zo belangrijk dat we hen blijven voelen. We zouden rustiger met onze kinderen moeten omgaan, echt de tijd nemen om te luisteren. Dat gebeurt nu te weinig. Ook op school wordt de nadruk gelegd op de kennis en niet op het hart."

Het is heel belangrijk om uit te zoeken welk verdriet achter die zelfdodingsgedachten zit, zegt Celie, en om daarmee aan de slag te gaan. "Er loopt hier nu een gast rond die de vechtscheiding van zijn ouders niet aankan. Hij stapt er nog liever uit dan dat hij in dat gevecht moet meegaan en dat er steeds aan zijn loyauteit wordt getrokken. Hij heeft heel resoluut een datum vastgesteld. Hij is vastbesloten om er een einde aan te maken. Ander voorbeeld: een meisje hoort al sinds de lagere school dat ze meer zelfvertrouwen moet hebben. In de pubertijd kreeg ze steeds maar dat etiket: faalangst. Nu is ze 22 en wil ze er niet meer zijn omdat ze gewoon niet meer weet wat ze kan en wie ze is. 'Ben ik psychiatrisch', vraagt ze me. Natuurlijk niet, maar niemand heeft haar ooit geleerd om met haar grenzen om te gaan, om zichzelf te worden. Voor jongeren die zo veel vragen hebben over hun identiteit, voor wie zo veel vastgelegd wordt in deze wereld, is zelfdoding soms het enige waar ze nog een vrije wil in hebben. 'Dat is het enige wat ik zelf nog kan beslissen', hoor ik ze zeggen, 'dat het hier morgen gedaan is.'

"Jongeren met zelfdodingsgedachten zijn erg gevoelig en tegelijk heel temperamentvol. Vaak hebben ze jarenlang een leven geleid dat niet van hen was. Kinderen kunnen heel erg in spaargedrag gaan. Ze willen hun ouders geen verdriet aandoen en ze trekken een muurtje rond zich op. Hoeveel jongeren wij hier niet spreken die jarenlang een afkooksel van zichzelf zijn geweest, die op de tippen van hun tenen hebben geleefd om zich volgens de verwachtingen van de maatschappij te ontwikkelen. Een meisje had haar zus verloren toen ze zes was. Meteen, op dat moment, besloot ze dat ze haar ouders nooit meer verdriet wou aandoen. Van haar zesde tot haar zeventiende heeft ze de perfecte dochter gespeeld. Tot ze uiteindelijk besefte dat ze nooit zichzelf is geweest."

Het kan dus heel goed dat ouders en broers of zussen niets gemerkt hebben van het wezenloze verdriet dat tieners uiteindelijk de ultieme stap doet zetten? "Ja, en daarom zeg ik overal waar ik kom tegen jongeren: geef alsjeblieft signalen! Er staan hulpverleners voor jullie klaar - als jullie willen. De hulp is ook in jullie directe omgeving te vinden. Praat met vrienden, met leerkrachten die je vertrouwt. Ook zij kunnen je helpen om te herstellen."

Wat moet je doen als je kind of vriend verkondigt dat hij eruit wil stappen? Die confrontatie maakt angstig. "Klopt. Ik zie vaak dat mensen afstand nemen als een jongere naar hen toe komt met zelfdodingsgedachten. Terwijl je op zo'n moment net dieper moet durven te gaan. We mogen niet bang zijn voor pijn en verdriet, want dan verglijden we in afstand. In de eerste plaats moet je het gevoel van die jongere erkennen. 'Amai man, dat is wel ferm wat jij hier nu tegen me zegt. Jij kunt niet meer. Wat maakt dat je dat zegt?' Dat is een goeie reactie."

Wanneer moet er professionele hulp gezocht worden? "Als je voelt dat ze dieper zitten. Als je geen contact meer met ze krijgt en ze totaal afgesloten zijn. Die gasten moeten op een plek komen waar er naar binnenwerelden gekeken kan worden door professionelen. Als dat op tijd gebeurt, is de kans heel groot dat we ze erdoor halen. Ik ben ervan overtuigd dat kinderen maakbaar zijn, dat ze van alles kunnen leren om met zichzelf en de wereld om te gaan. Wij kunnen hen een taal leren om hun binnenwereld te beschrijven. Alleen, dat gaat niet in twee maanden tijd. Er is geen snelle oplossing. Stap voor stap gaan we met ze op weg."

Anderzijds moeten we ook respect hebben voor hun beslissing, zegt Celie.

"Zo'n jongen die resoluut zijn datum heeft vastgelegd, kan ik alleen vragen om me wat meer tijd te geven. Ik laat hem niet los, maar als hij zeker is dat hij in deze wereld niet wil overleven, dan moet ik het hem misschien gunnen om die laatste veertien dagen op zijn manier te leven en de dingen te doen die hij graag doet. Misschien op reis vertrekken en genieten van zijn vrijheid, waarin niets nog moet. Ik kan hem niet tegenhouden. Ik kan hem alleen meegeven wat een jongen me hier onlangs zo mooi zei. Een gast van zeventien was het, die van een brug wou springen en er op het nippertje was afgehaald door een automobilist. Hij zei: 'Nu weet ik dat je pas op het einde van het leven kunt zeggen of jouw leven al dan niet de moeite waard was en dat er tussen dieptes in ook mooie momenten liggen."

Cathérine (16) maakte het van de andere kant mee. Vorig jaar verloor ze haar vijf jaar oudere broer Alexander door zelfdoding. "Ik heb drie broers en twee zussen, en Alexander was de broer met wie ik het beste overeenkwam. We hadden veel contact. Toch heb ik zijn dood totaal niet zien aankomen. Dat vind ik het moeilijkste. Ik zag hem altijd als een superblije persoon die voortdurend grapjes maakte en altijd glimlachte. Hij had ook hopen vrienden. Dat snap ik niet: dat je toch nog slechte gedachten hebt over het leven als je zo veel kameraden hebt. Alexander leek de gelukkigste mens. Blijkbaar niet. Achteraf is gebleken dat hij voortdurend een masker op had. Hoe mensen zich diep vanbinnen voelen, kun je blijkbaar niet weten. Zelfs niet van je broer.

"We hebben er met de familie al veel over zitten praten waarom hij het gedaan zou hebben. Hij heeft een brief nagelaten, maar daar kun je zo veel en zo weinig uit afleiden als je wilt. Het zijn heel algemene zinnen. Alexander schreef dat het misschien wel beter zou gaan als hij wegging. Dat hij ons graag zag en dat hij enkel voor het gezin hier had willen blijven. We praten nog veel over hem, maar we hebben het niet zo vaak over de slechte dingen die gebeurd zijn. We proberen om hem te lachen. Zo van: 'Weet je nog die keer dat hij dit of dat deed?'"

Wat Cathérine het meeste verdriet doet na de dood van haar broer, is dat haar ouders nog altijd niet met elkaar praten. "Zes jaar geleden zijn ze gescheiden. Ik was zelf pas negen en ik was er wel verdrietig om, maar ik besefte niet goed wat voor lelijks er allemaal is gebeurd. Mijn broers en mijn zussen wisten dat wel. Mijn twee oudste broers en mijn oudste zus waren toen al het huis uit en konden wat afstand nemen. Mijn andere zus heeft het heel moeilijk gehad en is in therapie geweest. Alexander was veertien toen mijn ouders scheidden en hij heeft er hard van afgezien. Hij heeft er nooit over kunnen praten. Hij kon zijn gevoelens niet uiten, dat lukte hem gewoon niet. Hij kropte alles op. Ik geloof dat hij met zijn dood een soort offer heeft willen brengen om ons gezin te redden. Hij heeft aan mama en papa een teken willen geven dat ze opnieuw contact moesten zoeken in plaats van ruzie te maken over van alles en nog wat. Dat heeft dus niet geholpen. Ik vind het erg dat hij zo ver is moeten gaan om aan te tonen dat het niet meer ging in ons gezin en dat mijn ouders dat nog altijd niet hebben verstaan."

Achterom kijkend beseft Cathérine dat Alexander in de maanden voor zijn dood wel signalen heeft uitgestuurd. "Zijn studies vlotten niet. Hij had het al een jaar geprobeerd aan de universiteit en dat was niet gelukt. Nu zat hij in het eerste jaar aan de hogeschool en ook daar kon hij zich niet goed concentreren. In de laatste maand van zijn leven heeft hij daar veel ruzie over gehad met mijn vader. Die wilde hem helpen, hij wou dat zijn zoon verder zou studeren, dat is logisch toch? Misschien heeft Alexander dat verkeerd opgevat? Alexander was met mijn oudste zus gaan praten. 'Het gaat niet goed met mij', heeft hij gezegd. Mijn zus heeft niet begrepen hoe diep hij zat. Ze zei dat ze geen psychologe was en dat ze niet goed wist wat hij voelde. 'Je moet blijven doordoen, Alexander', heeft ze gezegd. Ik had ook wel gemerkt dat hij de laatste tijd wat boos rondliep. Drie maanden voor zijn dood heeft hij me ook eens gezegd dat hij het moeilijk had. Meer niet. Net als mijn zus heb ik nooit gedacht dat hij zo ver zou gaan."

Op de avond dat Alexander uit het leven stapte, was hij bij zijn vader om te studeren voor zijn herexamens. "Hij was alleen thuis. Mijn vader was naar een diner. Ik was toen op talenkamp. Mijn vader heeft hem gevonden toen hij thuiskwam. De volgende dag werd ik opgebeld op kamp. Mijn vader huilde aan de telefoon. Ik kon het eerst niet geloven dat mijn broer er niet meer was. Het was zo'n schok. Het moment daarvoor had ik nog zitten lachen met de nieuwe vrienden die ik op kamp had gemaakt. Ik wou het liefste daar blijven en weer gelukkig zijn. Ik heb Alexander nog twee keer gezien in het funerarium. Dat is het laatste beeld dat ik van hem heb. Dat was zo moeilijk. Ik wilde op hem springen en zeggen dat hij wakker moest worden. Maar hij bleef zo stil en kalm. Zo was hij nooit geweest.

"De eerste maanden na zijn dood lag ik elke nacht te wenen. Ik kon niet slapen, dacht de hele tijd aan hem. Nu gaat het al beter, dankzij de therapie in de Bleekweide, maar ik zal me nooit nog supergoed voelen en ik zal hem nooit vergeten. Ik heb er spijt van dat ik Alexander voor ik vertrok op kamp niet nog een keer heb vastgepakt, dat ik geen afscheid heb genomen. Er ligt een foto van hem onder mijn hoofdkussen. Daar slaap ik op. Zo heb ik hem altijd dicht bij mij. Ik zou hem zo graag nog eens terugzien. Ik heb nog zo veel vragen. Waarom hij het precies heeft gedaan? Of hij mij dingen kwalijk nam? Ik kan mijn ouders niet de schuld geven voor zijn dood, maar ik weet wel wat hij heeft gevoeld want ik heb het ook gevoeld. Alleen, die scheiding was maar een bijzaak in zijn verdriet. Er was zo veel meer waarom hij zich slecht voelde in zijn vel. En daar heb ik alleen het raden naar." Ook op Alexander is Cathérine niet kwaad. "Ik denk dat je veel moed moet hebben om die laatste stap te zetten. Ik zou het zelf niet kunnen omdat ik weet hoe pijnlijk het is voor je familie en je vrienden. Dat zou me tegenhouden."

Cathérine en Alexander zijn fictieve namen.

Wie met vragen zit over zelfdoding kan terecht bij de zelfmoordlijn op het nummer 02 649 95 55 en TeleOnthaal op het nummer 106.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234