Dinsdag 16/08/2022

Jongenswat een troep

Na drie bejubelde dichtbundels levert de Antwerpse troubadour Peter Holvoet-Hanssen voor het eerst een roman af. Ook in zijn proza is er van alles ontploft, maar de brokstukken werden achteraf te willekeurig bijeengevaagd.

Peter Holvoet-Hanssen

De vliegende monnik

Prometheus, Amsterdam, 208 p., 15 euro.

Het viel niet tegen te houden. Hamlets uitentreuren herhaalde dictum "the time is out of joint" heeft het tot westers wereldbeeld geschopt. Dat gebeurt niet voor het eerst. Tijden van morele, politieke of metafysische ontreddering duiken wel vaker op in de geschiedenis. Maar de huidige uitzonderingstoestand lijkt meer op een geschiedenisloze noodtoestand, eentje zonder staat van beleg en zonder oorlog (behalve op de tv). De zoveelste 'lost generation' zal desgevraagd aangeven dat er iets niet in de haak is, maar wat precies, en in welke haak - God mag het weten. Voor de meer filosofisch aangelegde medemens vormt het zogenaamde posthumanisme een hippe, maar vooral theoretische uitweg. Ook de mens wordt daarbij dood verklaard, in een goeddeels vaag spektakel van voornamelijk ronkende intentieverklaringen van toch nog altijd zeer menselijke wezens die hun naïeve soortgenoten al zien wegspoelen als een zandfiguur bij vloed. Naar een andere weg leidt de lokroep van de regressie: tussen new age (Castaneda) en neoconservatisme (Edmund Burke Stichting, Roger Scruton) misleidt men de oren met behulp van dolfijngeluidjes en reactionaire praat. In de praktijk werken de meeste mensen gewoon voort. Het zwakke messianisme van gezin, genot of kunst biedt hen doorgaans voldoende soelaas. Ondertussen kampen duizenden met depressies, psychosen, schizofrenie. De straffe kost van het leven - niets van wat ik proefde is verteerd. Jongens wat een troep. Meeuwen wat een kots.

De laatste drie zinnen komen uit De vliegende monnik, het prozadebuut van Peter Holvoet-Hanssen. Ze getuigen van Holvoet-Hanssens onbetwistbare talent om de voormelde malaise in een paar schetsen neer te zetten en daarbij zo eigenzinnig te werk te gaan dat ze herkenbaar des dichters zijn. "Zwarte gaten rukken verder op", heet het ergens. En verder: "Dit is geen afgewerkt verhaal. Zo gaat het in het leven niet." Maar De vliegende monnik is in die mate onafgewerkt dat het boek niet veel verder komt dan een reeks valse starts - mooie, soms grappige, vaak treffend geformuleerde beginnetjes, maar uiteindelijk toch te veel een samenraapsel van wat niet zo lang geleden uit elkaar is geknald. De auteur die in zijn boek geregeld de initialen H.H. gebruikt - hij laat geen haha liggen - is bovendien vooral een gevierd dichter die zich slechts aarzelend in de dwangbuis van een roman laat passen. Op de eerste pagina schrijft hij over zijn alter ego, de kermisexploitant J. Enterhaeck: "soms schoot als bij een dolfijn zijn machtige fluit te voor..." Maar hij tikt zichzelf meteen op de vingers. "Schakel de dichter uit, laat hem even het dichten laten. Hier komt proza, al is het niet altijd volgens de geijkte weg."

Nochtans kan een van de kunstgrepen van De vliegende monnik, die van het "gevonden manuscript", bezwaarlijk nieuw worden genoemd. H.H. stelt zijn "hersenspinsel" voor als een collage van eigen notities en beschouwingen die voor, tussen en achter langere teksten van kapitein J. Enterhaeck van Het Gezonken Schip zijn ingelast. De zeerover schreef een eigen versie van het heiligenleven van Jozef van Copertino (de vliegende monnik uit de titel) en het "fragmentatiebommetje" genaamd "De jeugd van A.". Bovendien bewerkte H.H. naar eigen zeggen de woordenstroom van een floppydisk en drie geluidscassettes van Enterhaeck tot de collage 'De minstreel en de muze'. Het valt niet helemaal uit te sluiten dat de auteur ook zichzelf heeft verloren in de denkspelonken van Enterhaecks Gezonken Schip aan de "Boulevard, Antwerpen-Zuid, België, Europa, Moeder Aarde, Dit Zonnestelsel / This Galaxy".

Minder herkenbaar is in alle geval het resultaat van deze mengelmoes, die zich inderdaad slechts zelden volgens de geijkte weg laat lezen. Zoals dat ook in H.H.'s poëzie gebeurt, passeert de lezer in dit boek langs de meest verscheidene gebeurtenissen, landschappen en figuren. Het is veeleer 'passeren langs' dan 'meegesleept worden door': het door een teveel aan tegenpolen geneutraliseerde boek laat weinig identificatie toe, maar openbaart zich als een geïmplodeerde bontenavond, als een diergaarde van lijden en geluk, maar dan achter glas. Het boek ís als een ezel staat er op het einde te lezen. Soms scabreus à la Rabelais ("Mond-o-pen, Mond- o-pen/ uw verstand is uit uw hol/ ge-kro-pen, ge-kro-pen"), vaak even onwelvoeglijk flauw ("Een bergeend landt in het slik. Amai mijn kluten") en dus ook af en toe al te zelfbewust krankzinnig. "Voor wie treurt en toch het feestgelach hoort". De Sinksenfoor, een bocht in de Schelde, de Marianentrog, de brand van de Reichstag, Bagdad en Vuurland zijn slechts een paar decorstukken. Muziek is er van The Velvet Underground, Charley Boets, en Django Reinhardt, maar vooral van de troubadour zelve. Jezus Christus, Baäl-Zebub, al diavolo, ja zelfs Krishna zorgen voor de kosmische noot. En Amina Lawal, Rwanda, Chemical Ali en de Mother of All Bombs dateren de tekst. In De vliegende monnik regent het citaten en allusies, maar echt nat word je er niet van.

"Tweede postmoderne generatie zegt men", zo staat het in zijn boek. Elders plaats H.H. de beschrijving "eigenzinnig universum" tussen aanhalingstekens. Beide frasen zijn karakteriseringen van zijn poëzie die in de kritiek steeds weer opduiken. Deze "wie niet zoekt, die vindt"-schrijver reflecteert hier op (de ontvangst van) zijn eigen dichtwerk en lijkt af en toe te beseffen dat hij zich te weinig beperkingen oplegt om nog tot een verhaal te komen, voor- of nadat het uiteen is gespat. Om in een roman tot de beklemmende ervaring te komen dat "het leven de contrasten omhelst", volstaat het niet om "kwalitatief hoogstaande 'nu-momenten'" kriskras door elkaar te laten gonzen. Zijn eerste prozaproeve is jammer genoeg onnavolgbaar: niet voor een zelfs maar middelmatig romancier, wel voor de lezer.

Holvoet-Hanssen breekt al af voordat er iets is opgebouwd. Hij vermeldt in zijn aantekeningen dat De vliegende monnik echo's van zijn poëziedrieluik bevat, maar ook los ervan gelezen kan worden. Maar waar het als naspel in zijn poëtische speeltuin nog functioneert, zal de oningewijde zich tevreden moeten stellen met een paar pareltjes tussen veel te veel grijze bladzijden. "Mijn hart is bij de Heer" wordt gevolgd door "De Heer wil dat ik je recycleer", en dat ontlokt een glimlach. Elders staat er te lezen: "In mijn hoofd wordt er gelachen om mijn tranen", en dat wil je best geloven. Maar De vliegende monnik ware beter iets meer aan het lijntje gehouden, dan was dat bij de lezer misschien ook gelukt.

Bert Bultinck

In 'De vliegende monnik' regent het citaten en allusies, maar echt nat word je er niet van

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234