Dinsdag 18/01/2022

VerslagReis van mijn leven

Julie Cafmeyer over haar reis naar Myanmar: ‘Op deze plek was ik bereid te sterven’

null Beeld Julie Cafmeyer
Beeld Julie Cafmeyer

Om heldere antwoorden te vinden op onduidelijke vragen trok theatermaakster en columniste Julie Cafmeyer in 2018 naar Myanmar. ‘Verboden of niet, ik trok mijn rok op en kroop achterop de brommer van de monnik’, staat er in haar dagboek.

Julie Cafmeyer

Hier keer ik terug als ik moet sterven, dacht ik toen ik in het dorpje Hsipaw was, omringd door monniken in rode gewaden. Samen zouden we als laatste avondmaal gefrituurde lotusbloemen en buffelsoep eten. Ik zou hen zeggen dat ik bang was voor dat oneindige zwarte gat, dat eeuwige niets, en zij zouden me verzekeren dat ik zou reïncarneren als een hindoegodin, een engel of een vlinder. Daarna zouden ze me op een brancard repatriëren naar het kerkhof. Een dodenstad vol stenen tempels die uitkijkt op een vallei. Vanuit mijn graf zou ik in meditatiepose opstijgen naar het hiernamaals. In mijn sterrenhemel, een neoninstallatie met in groene letters de boeddhistische leuze: ‘Try to control your mind’.

Toegegeven, mijn toekomstige begrafenis is wat dramatisch uitgewerkt. Daarnaast ben ik me er ook van bewust dat de meeste mensen op vakantie vertrekken om hun levenslust aan te wakkeren in plaats van hun doodsdrift. En toch heeft het iets geruststellends dat ik op een plek ben geweest waar ik bereid was te sterven. Niet dat ik mezelf de air wil aanmeten dat ik verlicht ben. Verre van zelfs.

En toch bracht de verbeelding van mijn sterfscène een explosie van nieuw leven teweeg.

05/1/2018 Mijn reis in Myanmar begon in Mandalay. Toen ik aankwam in mijn hotel, stelde de uitbater voor om iets te drinken. Zijn paarse wallen verraadden dat hij de dertig voorbij was. In een luxueuze jeep met lederen zetels nam hij me mee naar een café.

“Wil je koffie of thee?”, vroeg hij me.

“Wat is hier het lekkerst, de koffie of de thee?”

“Koffie.”

“Oké. Geef me dan maar koffie. Of nee, thee.”

“Koffie of thee?”

“Thee. Nee, doe toch maar koffie.”

Ik bekende dat ik voor de eerste keer alleen een reis maakte en op was van de zenuwen. “Thuis heb ik me enkele dagen lang dwangmatig beziggehouden met het uitstippelen van een tiental mogelijke reisroutes, logeerplekken en bezienswaardigheden. Ik ben bang dat ik permanent de verkeerde beslissingen zal nemen, dat ik niet in staat ben om een mooie reis te maken. Ik ben bang dat ik me eenzaam zal voelen.”

Hij begon heel hard te lachen, er ontsnapte melk uit zijn mond, een drupje plakte op zijn kin. Hij zei: “Mensen proberen zoveel te controleren. Het punt is, we hebben zo weinig in de hand. Kijk nu naar jou. De ene keer wil je koffie, de andere keer thee. Het verandert constant, en het zit allemaal in jou. Hoe kan je iets controleren, als het bij jezelf niet eens lukt? Try to control your mind. Dat is de essentie van boeddhisme. Luister. En kijk rond.”

Juist op het moment dat de hoteluitbater een meditatiedemonstratie wilde geven, en zijn ogen sloot, sprong er een straatkat op zijn schoot. Hij duwde de kat hardhandig weg en zei: “I don’t like cats. They’re selfish.” Hij stond op en zette me af aan een tempel. Ik deed mijn schoenen uit, wandelde naar binnen. Vrouwen goten met koperen bekers water over boeddhabeelden. In een diepe concentratie, elke keer opnieuw. Ik probeerde me op het geluid van het water te concentreren.

Daarna wandelde ik naar een nachtmarkt. Dampen van ananas op de barbecue. Iemand draaide roze wolken uit een suikerspinmachine. Terwijl ik een pannenkoek at met geraspte kokos keek ik rond. Een oude vrouw streelde over een watermeloen. De Nieuwe Maan. Een jongetje speelde met een tuinslang, hij schaterlachte.

08/1 Ondanks de schoonheid van het land word ik al enkele nachten overvallen door een aaneenschakeling van zenuwinzinkingen. Voorlopig kan ik alleen maar vaststellen dat ik de boeddhistische essentie nog niet in de praktijk heb weten te brengen. Ik sloeg in paniek omdat ik twijfels had over mijn reisroute. Uiteindelijk heb ik ervoor gekozen om naar Pyin Oo Lwin te trekken. Aangekomen in Pyin Oo Lwin vroeg ik me af of ik wel de juiste keuze had gemaakt, of ik niet beter voor een andere stad had gekozen. Tot vier uur ’s ochtends heb ik me beziggehouden met alternatieve plannen en het grillig openen van verschillende tabbladen op booking.com. Mijn reisgids staat ondertussen vol ezels­oren en hysterische markeringen in vloekende fluokleuren.

Ik besloot om er het beste van te maken, en ging op zoek naar de plaatselijke botanische tuin. De tuin vond ik niet, ik liep verloren. De stad leek op een verlaten gehucht en ik vroeg me af wat ik hier in godsnaam deed. Of ik niet te veel geld uitgaf. Of ik niet te veel met mijn smartphone bezig was. Of ik niet te veel at. Of ik niet te asociaal was. Of ik niet zielig overkwam omdat ik hier alleen was. Of ik me thuis niet met belangrijkere zaken moest bezighouden.

Bloots­voets voor de beroemde gouden tempel in Yangon. Beeld Julie Cafmeyer
Bloots­voets voor de beroemde gouden tempel in Yangon.Beeld Julie Cafmeyer

Ik wandelde door, kwam dan toch terecht in de botanische tuin. Aan een struikje bloemen werd ik overvallen door de finale, en tevens meest intense instorting van de dag. Een diepe ontroering door de eenvoudige schoonheid van de bloemen. Het paars, het oranje, het geel. Dat al die schoonheid er zomaar was, zomaar voor iedereen, voor het grijpen lag. En dat ik het zo vaak niet zag.

Bij de uitgang zag ik een boom, met opschrift: ‘Chayar tree, which blooms all the year round. That is one of the wonders of the Shwezigon Pagoda’.

10/1 Naar aanleiding van mijn instorting dacht ik aan een quote uit de film La Grande Bellezza van Paolo Sorrentino. Op het einde van de film zegt het personage Jep Gambardella: “This is how it always ends. With death. But first there was life. Hidden beneath the blah, blah, blah. It’s all settled beneath the chitter chatter and the noise. Silence and sentiment. Emotion and fear. The haggard, inconstant flashes of beauty. And then the wretched squalor and miserable humanity. All buried under the cover of the embarrassment of being in the world, blah, blah, blah...”

De woorden blijven doorwerken in mijn brein. Ik zou er een banner van willen maken. Een banner die op batterijen werkt, die ik dan naast een gouden tempel zet. Een gif flikkert. Inconstant flashes of beauty. Al de rest is blah, blah, blah.

11/1 Tussentijds inzicht: blijf tijdens een reis zoveel mogelijk uit de hotelkamer. De kunst van reizen bestaat erin om de hotelkamer steeds opnieuw te verlaten. In de hotelkamer gebeurt er niets. Een hotelkamer is er alleen om te lezen en te slapen. Verhoud jezelf tot de buitenwereld. Zoek het avontuur op. Blijf tegen jezelf zeggen, desnoods luidop, met gebalde vuist: het is oké. Het is oké. Het is oké.

14/1 Vandaag nam ik de trein naar Hsipaw en boekte een trekking door de bergen. Mijn gids Ton Ton had een guitig gezicht. Ik zei hem dat zijn glimlach aanstekelijk werkt. Hij zei: “Weet je dat ik tot mijn twintigste niet heb kunnen lachen?” Toen hij geboren werd, hing er een masker van dik slijm op zijn gezicht. Iedereen dacht dat hij een doodgeboren baby was, dus werd hij in een hoekje van de kamer gelegd. Het was pas na enkele uren dat zijn vader op het idee kwam om het slijm met een naaldje kapot te prikken. De baby begon luid te krijsen. Dit kind leefde.

Toch waren zijn ouders er niet gerust in. Hij was geboren tijdens de volle maan op 1 januari, en dan ook nog dat slijm. Een astrologe stelde vast dat Ton Ton bezeten was door de duivel en raadde zijn vader aan om hem tot zijn eenentwintigste verjaardag elke dag te slaan. Hij zei: “Mijn vader dacht dat hij de duivel eruit moest bonken.” Hij glimlachte nog eens en wees naar een kies die zijn vader eruit had geklopt.

Op zijn eenentwintigste verjaardag werd Ton Ton wakker in het ziekenhuis. Het bloed droop uit zijn mond en zijn oren. Toen zijn vader aan het ziekenhuisbed stond, vroeg Ton Ton: “Waarom sla je me al mijn hele leven?” Zijn vader begon te huilen en vertelde over de astrologe. Ton Ton was opgelucht dat hij vanaf nu geen slaag meer moest incasseren, maar besefte ook dat hij in geen eenentwintig jaar nog maar één keer had gelachen. Hij zei: “Vanaf de dag dat ik het ziekenhuis verliet, wist ik dat ik mezelf moest leren lachen. Ik keek comedy op YouTube. Dag en nacht. En ik mediteerde. Comedy en meditatie dus. Op een dag dronk ik na mijn meditatie groene thee op een terras. Ineens schoot er een gedachte binnen. Een of andere grap van een comedian. Ik weet niet meer precies dewelke. Maar het was grappig. Ik begon te lachen en kon niet meer stoppen. Iedereen keek naar me alsof ik gek was, maar dat kon me niet schelen. Ik kon lachen.”

15/1 Nog een quote uit de film La Grande Bellezza: “We’re all on the brink of despair, all we can do is look each other in the face, keep each other company, joke a little... Don’t you agree?”

17/1 Ton Ton stuurde me de volgende ochtend een sms of ik zin had om met hem te ontbijten. Bij een groene thee zei hij dat hij in een klooster woonde, en of ik zin had om mee te komen. We wandelden door een gouden poort. Op de koer stonden zes boeddha’s en het beeld van een wilde tijger die zijn tong uitstak. Ton Ton vertrok naar zijn werk, en de monnik, die maar enkele woorden Engels sprak, zei: “I’ll show you.” Hij legde zijn twee handen op zijn hart, en zei: “Wait here.”

Hij kwam terug met een lange doek die ik om mijn heupen moest binden, als een lange rok. Daarna kwam er een ander man met een brommer die me meenam. Achteraf kwam ik te weten dat het verboden is voor monniken om vrouwen achterop hun brommer te nemen. Het is ook verboden voor monniken om met vrouwen op te trekken die een rok boven de knie dragen. Vanaf het moment dat we buiten de stad waren, en niemand ons kon zien, trok ik mijn rok op en kroop ik achterop de brommer van de monnik, mijn handen rondom zijn heupen.

22/1 Sinds vijf dagen ben ik op stap met de monnik. Ik volg hem door de landschappen, meestal is het stil. Af en toe zegt hij: “Happy?” en dan zeg ik “Yes.” Hij neemt foto’s met zijn selfiestick. Aan het einde van elke wandeling zegt hij: “See you tomorrow.”

‘In Mawla­myine voelde ik me aange­trokken tot de levendige kleuren van de hindoe­tempels.’ Beeld Julie Cafmeyer
‘In Mawla­myine voelde ik me aange­trokken tot de levendige kleuren van de hindoe­tempels.’Beeld Julie Cafmeyer

23/1 Vannacht sprak ik met de uitbater van het hotel, een Fransman. Hij zei me dat het hotel behekst is. “Geloof jij in geesten?”, vroeg hij me. Hij wees naar een takje dat wild op en neer wapperde, en zei: “Dat takje beweegt altijd, ook al is er geen wind. Ik weet zeker dat het een geest is.”

Die nacht droom ik dat er een oude vrouw op de rand van mijn bed zit. Ze wiegt over en weer, ziet er bezeten uit. Met een ijle blik zegt ze: beauty, beauty, beauty. En dan blah, blah, blah. Ze blijft de woorden herhalen tot ik er gek van word. Er komen takken tevoorschijn uit het plafond, ze wapperen. Ik grijp een tak vast. De tak verandert in een zwart-witte vlinder, alles wordt weer stil.

24/1 Vandaag keek ik minutenlang naar een vrouw die op haar knieën zat te bidden voor een gouden tempel. Ze hield een ketting vast, telde de kralen, fluisterde iets dat ik niet begreep. Ik bleef naar haar kijken, droomde weg. Ik zag het takje, de boom, de bloesems. Dat is de truc. Concentreer je op iets anders, zoek manieren om het stil te laten worden.

Op het einde van de dag nam ik afscheid van de monnik. Hij nam me mee naar zijn gebedskamer, bad voor mij. Zangerige mantra’s. Hij zei: “I feel your heart.” Ton Ton glimlachte nog eens, en ik omarmde hem.

27/1 Onderweg in de bus naar Mawlamyine, amper een oog dicht gedaan. Op een klein tv-schermpje werd een Birmese variant van Mooi en meedogenloos afgespeeld. De soap ging over vrouwen met liefdesverdriet die de hele tijd wanhopig tegen hun Samsung-smartphone schreeuwden. Ik wilde weer bij de monnik zijn, bij Ton Ton, bij de geestesverschijning van de oude vrouw. Het meisje dat naast me zat, zag een traan van mijn wang rollen.

Ik viel dan toch in slaap, en toen we ’s ochtends aankwamen gaf het meisje me een stukje mango. Ze legde de mango in mijn hand en kapte er chilipeper op, tot de mango helemaal rood zag. Op het tv-schermpje waren er ondertussen zingende, biddende monniken verschenen.

Tijdens mijn wandeling in Mawlamyine voelde ik me aangetrokken tot de levendige kleuren van de hindoetempels. In gedachten transformeerden mijn hysterische fluoaantekeningen in mijn reisgids tot vrolijke mediterende godinnen. Ik begon te lachen en ik kon niet meer stoppen.

Ik wandelde een moskee binnen. Een man zei me dat vrouwen hier niet toegelaten waren. Hij zei: “Vrouwen moeten thuis bidden.” Hij zei het alsof het hem speet. We stonden nog even aan een mozaïeken bad waarin dikke goudvissen zwommen. Ik zei hem dat het hier goed rook. Hij zei: “I think you smell my perfume. It’s a sample. There’s jasmine in it.” Ik boog me naar voren om hem te ruiken, en hij vroeg me: “Do you believe?” Ik zei: “Yes, I believe.”

De botanische tuin in Pyin Oo Lwin. Beeld Julie Cafmeyer
De botanische tuin in Pyin Oo Lwin.Beeld Julie Cafmeyer

31/1 Op mijn laatste dag in Yangon nam ik een jacuzzi op het dakterras van mijn hotel. De barjongen vroeg wat ik wilde drinken, en ik bestelde een daiquiri. Hij zei: “I am now going to make the first daiquiri of my life. I am a new waiter.” Ik stak een sigaret op, en keek naar beneden. Ik zag een stokoude vrouw op een plastieken stoel in hetzelfde ritme een sigaret roken.

Toen de barjongen terugkwam, vroeg ik hem of hij me wilde leren te mediteren. Hij zei: “Meditatie is een mind-wash. Je verfrist je lichaam, je geest.” Op een briefje tekende hij een mediterend mannetje en noteerde enkele aanwijzingen om mijn gedachten te controleren. Ik kon het niet zo goed lezen, maar er stond iets als: inside, to outside. Ik keek nog eens naar beneden. De oude, rokende vrouw wuifde naar mij.

Die nacht droomde ik dat ik weer in het klooster was, bij de monnik. Ik lig op mijn sterfbed, ik lig klaar op mijn brancard om te worden afgevoerd naar het kerkhof. Op het moment dat de monnik begint te bidden, herrijs ik. In een zwart badpak zweef ik over de zee. Ik kom neer op het strand, de geest van de vrouw kapt water op mijn hoofd. Repetitief, elke keer opnieuw. Ik voel een sensatie in mij, een levenslust. Ze buigt zich naar me toe, steekt een sigaret op. Terwijl ze rook in mijn gezicht blaast, fluistert ze.

Beauty, beauty, beauty.

Blah, blah, blah.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234