Vrijdag 12/08/2022

'Men wou toen vooral choqueren'

Robert Darnton, specialist op het vlak van 'slechte' literatuur

> Studeerde geschiedenis aan de universiteiten van Harvard en Oxford.

> Begon in 1964 zijn carrière als journalist voor The New York Times, maar werd een jaar later assistent aan Harvard.

> Introduceerde tijdens de jaren 1960 de geschiedenis 'van onderop' in de Verenigde Staten.

> Pionier van de geschiedenis van het boek.

> Sinds 1985 Shelby Cullom Davis 'Professor of European History' aan Princeton University.

> Werd in 1999 door Jacques Chirac benoemd tot Chevalier du Légion d'Honneur voor zijn baanbrekende onderzoek over de Franse Revolutie.

Door Marnix Verplancke

U heeft het misschien ook gelezen: de voormalige huishoudster van de Nederlandse zakenvrouw Nina Brink heeft een boek geschreven over wat ze allemaal te zien en te horen kreeg in Brinks Brasschaatse villa. Vuige details en heel wat onrustwekkende anekdotes die de zakenvrouw natuurlijk liever bedekt zou houden, en dat kan, aldus de huishoudster. Als Brink haar zes miljoen euro betaalt, wordt er niet meer over gesproken. Stel je voor, denkt u nu misschien, hoe diep kun je vallen, maar in feite doet de huishoudster niet meer dan wat in het Frankrijk van de zeventiende en achttiende eeuw gangbare zaak was. Libelles werden zulke boeken toen genoemd, en de schrijvers ervan libellisten.

Een aantal jaren geleden kwam Robert Darnton zo'n boek op het spoor, De bohemiens, geschreven door de Marquis de Pelleport en gepubliceerd in 1790. Pelleport was in de jaren net voor de Franse Revolutie de bekendste libellist. Hij schreef boeken met titels als Les Passe-temps d'Antoinette, over het seksleven van de koningin, Les Amours du visir de Vergennes, al even seksueel expliciet, maar dan over de minister van Buitenlandse Zaken en Les Petits soupers et les nuits de l'Hôtel Bouillon, gewijd aan de orgieën die de princesse de Bouillon organiseerde. Doel van dat alles was geld afpersen van de mensen die hij viseerde, wat trouwens niet altijd lukte en hem uiteindelijk in de Bastille deed belanden. En daar schreef hij zijn grote roman, De bohemiens dus, een boek dat Robert Darnton per se opnieuw gepubliceerd wou zien en dat hij van een uitgebreid voorwoord voorzag.

"Het is de eerste keer sinds 1790 dat dit boek uitgegeven wordt", legt Darnton uit, "en wellicht is toen praktisch de hele oplage vernietigd. In totaal heb ik wereldwijd zes exemplaren van het boek kunnen lokaliseren, waarvan slechts eentje in Frankrijk. Het is dus een boek dat verdwenen is, geschreven door een auteur die verdwenen is. Niemand kent de Marquis de Pelleport, ook de specialisten in de achttiende-eeuwse literatuur niet. De man wordt zelfs maar één keer genoemd in de literatuur, en dat in een artikel uit 1851."

Hoofdfiguur in De bohemiens is wethouder Bissot, die het in Reims zo bont heeft gemaakt dat hij samen met zijn onnozele broer Tifarès schielijk op de vlucht moet voor zijn schuldeisers. Hij besluit filosoof te worden en trekt naar het platteland waar allerhande bendes het wijsgerige terrein onveilig maken. Het tweetal gaat de discussie niet uit de weg en dat leidt tot een reeks schitterende parodieën op de filosofische trends die toen in de mode waren. Pelleport lacht met de fysiocraten en de economisten en schrikt er niet voor terug Diderot, Rousseau en Voltaire over de kling te halen. Na dit 'zware' voorgerecht, dat in Pelleports visie de kenners van de amateurs moest onderscheiden, komt hij met zijn eigen filosofie, en die is heel wat lichamelijker en beeldender dan die van de klassieke 'philosophes', meer zelfs, het is regelrechte pornografie. Een stel geile kapucijner monniken wordt opgevoerd, wat leidt tot een enorme braspartij, waarna iedereen met iedereen aan het copuleren slaat en het geheel afgesloten kan worden met een volstrekt uit de hand lopende vechtpartij. "Een typisch libertijnse roman van het einde van de achttiende eeuw", noemt Darnton De bohemiens. "Men wou toen vooral provoceren en choqueren. Het is een sleutelroman, een bildungsroman, een picareske en een verborgen autobiografie. Er worden acroniemen gebruikt en de lezer - wat ook typisch achttiende-eeuws is - wordt verondersteld zelf zijn weg te zoeken door het boek heen en de spelletjes te spelen die hem geboden worden. Het is een soort lezen dat we verloren zijn. Hoewel, Primary Colors, over Bill Clintons eerste termijn als president, komt sterk in de buurt. Heel Amerika probeerde toen uit te vinden wie er verborgen zat achter de personages."

Het pornografische doet sterk denken aan die andere Marquis, namelijk de Sade.

"Pelleport en Sade zaten op hetzelfde moment in de Bastille, en allebei werkten ze aan een boek. Ik heb alle Bastilledocumenten erop nagelezen die ik kon vinden, maar bewijs dat ze elkaar ook kenden, heb ik niet aangetroffen, wat op zich ook weer niet hoeft te verbazen aangezien zowat alle documenten uit de jaren 1780 tot de revolutie verdwenen zijn. Wat ik uit de resterende teksten wel heb kunnen opmaken, is dat het leven in de Bastille helemaal anders was dan we het ons over het algemeen voorstellen. Zo werden er maar bitter weinig gevangenen opgesloten, en ze kregen vaak de kans om in de tuin rond te wandelen. Ook al zaten ze in aparte cellen, toch waren ze in staat elkaar briefjes door te geven. Dat gebeurde dan in de kapel of in de ontspanningsruimte. Op een bepaald moment hadden de gevangenen zelfs de beschikking over een biljarttafel. Je zult me nooit horen zeggen dat het een driesterrenhotel was, het bleef een afschuwelijke plek, maar het was ook geen martelplaats. Over het algemeen bleven de gevangenen er ook niet lang, een maand of drie, met een maximum van zes maanden. Pelleport zat er echter vier jaar en drie maanden, wat ongelooflijk lang was, Sade zat er zelfs nog een jaar langer, tot twee weken voor de revolutie uitbrak. Volgens mij is het dus hoogst aannemelijk dat Pelleport en Sade elkaar kenden."

Pelleport was een libellist en schreef schunnige portretten van beroemde figuren. Waarom deden die libellisten dat?

"Zij hadden slechts één doel: geld verdienen en liefst zoveel mogelijk. Je mag niet vergeten dat praktisch alle libellisten van arme afkomst waren. Er zaten allerlei figuren tussen: priesters die er met een weduwe uit hun parochie vandoor waren gegaan, gedeserteerde officieren, schatbewaarders die er met de kassa van hun werkgever op uittrokken, noem maar op. Zij reisden naar Londen en vormden daar een heuse kolonie die in feite nooit bestudeerd is. Londen was toen een anarchistische magneet die ook illustere bekenden als Casanova en Cagliostro aantrok. De libellisten behoorden er tot de klasse van de riooljournalisten die in de buurt van Grub Street woonden. Uit die poel kwamen trouwens ook grote literaire werken voort, zoals Alexander Popes Dunciads, Johnsons Life of Mr. Richard Savage, Jonathan Swifts A Tale of a Tub en de romans van Defoe. Daar en toen stak de professionele schrijver de kop op. Voor het eerst probeerden gewone mensen te leven van hun pen, en dat was een hard bestaan. De Franse gelukzoekers spoelden daar aan en wisten niet wat ze zagen. Hier kon waar zij altijd van gedroomd hadden. Dus begonnen ze 'slechte' boeken te schrijven en ze naar Frankrijk te smokkelen, waar ze gewoonweg verslonden werden. Ik heb me jarenlang beziggehouden met het opstellen van een bestsellerlijst van het Frankrijk van de tweede helft van de achttiende eeuw en merkte dat er geen literatuur geduld werd. De censuur was loodzwaar en zowat alle literaire werken werden in het buitenland gedrukt, in Gent, Luik, Amsterdam en vooral Zwitserland. In de bibliotheek van Neuchâtel vond ik 50.000 brieven uit die tijd, van boekhandelaars die boeken bestelden bij uitgevers. Ik heb die allemaal doorgenomen, wat me trouwens het grootste deel van mijn leven heeft gekost, en kwam zo tot een lijst van 720 illegale boeken. Tot de top vijftien behoorden maar liefst vijf boeken geschreven door libellisten van wie niemand ooit gehoord heeft. Rousseau en Voltaire stonden natuurlijk ook op die lijst, maar wat mij veel interessanter leek, was dat er toen een andere, door de geschiedenis onder de mat geveegde literatuur bestond."

Het gekke is dat de libellisten meer verdienden door hun werken niet uit te geven dan door ze naar Frankrijk te smokkelen.

"Inderdaad, met afpersing was er veel meer te verdienen. Charles Théveneau de Morande kreeg bijvoorbeeld 32.000 livres en een jaargeld van 4.800 livres uitgekeerd door de Franse staatsveiligheid om zijn Mémoires secrets d'une femme publique, waarin hij in het lang en het breed over Madame du Barry berichtte, niet te publiceren. Als je je werk goed deed, kon je fortuinen verzamelen. De reden daarvoor was dat de koning toen nog beschouwd werd als een soort onaantastbare heilige. Er zijn talloze getuigenissen te vinden van de manier waarop de koning door handoplegging zieken genas. Tijdens zijn kroning kreeg hij goddelijke machten en men nam dat toen nog heel serieus. De koning aanvallen was heiligschennis. De Franse geheime dienst wou zulke aanvallen per se verijdelen want ze wist maar al te goed dat die een ideologische impact hadden. Kijk hoe de libellisten Lodewijk XVI beschrijven: als een luie, impotente dronkaard, geen wonder dat Marie Antoinette met iedereen de koffer indook en zo Frankrijk verneukte. Er werd beweerd dat zij de ministers benoemde en het land regelrecht naar het bankroet voerde. Ze zou koffers vol geld naar haar broer in Wenen gestuurd hebben en een catastrofe zijn geweest voor la patrie. En op dat moment hadden de libellisten al met Lodewijk XV afgerekend, die met zijn maîtresses en liaisons nog een veel vettere kluif was geweest. De libellisten maakten en kraakten reputaties en daarom moesten ze de mond gesnoerd worden met massa's geld die de geheime dienst hen toestak."

Hoe ging dat concreet in zijn werk?

"Er werd één exemplaar van het boek gemaakt en dat werd dan verkocht aan een onderhandelaar van de geheime dienst, met de belofte dat er geen tweede zou komen. En de libellisten zwoegden op dat ene exemplaar. Het werd niet uit de duim gezogen. Pure fantasie zou immers niet overtuigen. Er moesten geheime details in staan en die verkregen de libellisten via informanten in Parijs en aan het hof. De politie zocht die informanten, maar kon ze vaak niet vinden omdat het nogal eens hooggeplaatste edelen waren. Ook voor de interne keuken van Versailles waren die libellisten immers van onschatbaar belang. Achttiende-eeuwse politiek was iets heel anders dan hedendaagse politiek. Alles speelde zich aan het hof af en ik ben ervan overtuigd dat er een soort renaissancetraditie bestond van hofpolitiek die gepaard ging met het vormen van facties en het uitdenken van smerige intriges. Men speelde het toen heel persoonlijk en was niet vies van het gebruik van een paar schandaaltjes. Een aanval op een hoogwaardigheidsbekleder kon rechtstreekse politieke invloed hebben omdat die man dan aan de kant gezet werd, waarna er iemand anders in het gat kon springen dat hij nagelaten had. Maar niet alle boeken werden aan de staatsveiligheid verkocht. Er kwamen er ook heel wat op de markt en je kunt ze met wat geluk zelfs nog steeds kopen in een Parijs boekenstalletje. Soms bestonden ze uit vier banden, zoals La Vie privée de Louis XV, en die staan vol exacte feiten over de periode tussen 1715 en zijn dood in 1774."

De libellisten waren dus geen revolutionairen die vanuit Londen de Franse koning ten val wilden brengen?

"Helemaal niet, hoewel je natuurlijk uit hun geschriften ook maatschappelijke frustratie kunt aflezen. De gewelddadigheid die uit hun taal blijkt, verraadt een diepe ontevredenheid over de wereld zoals die toen was. Pelleport was een markies, maar tezelfdertijd ook een overtuigde egalitarist, en seks was de drijvende kracht achter zijn egalitarisme. Tijdens het vrijen zijn we immers allemaal gelijk. In feite is het boek van Pelleport een radicaal politiek werk. Je merkt dat hij een groot aanhanger is van Rousseau, ook al was dat een puritein, en Pelleport een libertijn. De libellisten waren dus geen immorele varkens die overal om zich heen vuiligheid zaten te spuiten. Ze koesterden wel degelijk hoogstaande morele waarden."

Hadden de libellisten invloed op de revolutie?

"Ongetwijfeld. Ze ontheiligden de monarchie, verstoorden het hofleven en hadden ontegenzeglijk invloed op dat mysterieuze ding genaamd publieke opinie. In de tweede helft van de achttiende eeuw is die heel belangrijk geworden. Ik heb talloze politieverslagen doorgenomen waarin te lezen is hoe bezorgd men wel was om de publieke opinie en hoe men die trachtte te sturen. Zo kocht de Parijse politie massa's mensen om die Marie Antoinette moesten toejuichen toen ze de stad bezocht. De massa stond er, maar juichen deed ze niet. Dat op het conto van de libellisten schrijven, zou natuurlijk te ver gaan, maar zij waren wel in staat uitdrukking te geven aan opinies en gevoelens die springlevend waren bij de Franse bevolking. Natuurlijk zal de broodprijs heel belangrijk geweest zijn voor het ontstaan van de revolutie. Op 14 juli 1789 stond die namelijk op zijn hoogst sinds 1741. Men had honger en was bereid tot veel om die honger te stillen, maar volgens mij is geweld nooit zomaar chaotisch. Het wordt altijd door iets gedreven en gestructureerd. Mensen die in opstand komen, hebben ideeën en attitudes die ze volgen. Uit studies blijkt dat er tijdens rellen een soort scenario uitgevoerd wordt. De libellisten voorzagen de relschoppers van materiaal en ideeën, waarna die in actie kwamen. Met hun laster raakten zij een zenuw die voor het abstracte filosofische denken onbereikbaar bleef. En de libellisten wisten dat. Zij zeiden immers niet wat zij in feite hoorden te zeggen. Tijdens de jaren net voor de revolutie, vooral in 1787 en 1788, ontstond er een gematigde politieke strekking die zag dat de Franse staat met enorme tekorten te maken kreeg en die daarom voorstelde de adel en de clerus te belasten. Als historici kijken we daar met een welwillend oog naartoe: hoe verlicht! Maar zo zag het Franse gepeupel dat niet. Het vond zoiets ongehoord. De publieke opinie - en de libellisten met haar - noemden dat helemaal geen verlichte hervormingen, maar despotisme. De koning kreeg volgens hen een ongelimiteerde macht om heel het land leeg te zuigen. Hij kon naar eigen goeddunken hier en daar toegevingen doen en zo een nooit geziene macht verwerven. Volgens mij hadden zij gelijk en hebben de meeste historici het dus bij het verkeerde eind wanneer ze zeggen dat we hier te maken hebben met een kolossale zaak van vals bewustzijn. Het zijn juist die historici zelf die met een vals bewustzijn opgescheept zitten omdat zij de Fransen van 1787 en 1788 niet serieus nemen. Voor een historicus is het dus heel belangrijk om een onderscheid te maken tussen de historische feiten en de manier waarop die in hun tijd gepercipieerd werden. En precies daarom zijn de libellisten zo belangrijk. Zij verschaffen ons een overzicht van de heersende attitudes vanaf de zeventiende eeuw tot een stuk in de negentiende, want de libellisten stopten niet met schrijven na de revolutie, integendeel zelfs, er kwamen er nog bij. Ook Lafayette en Mirabeau hadden een privéleven waarin gedolven kon worden. Marat had er zelfs twee. De vorm bleef altijd dezelfde, maar de inhoud veranderde drastisch. Wat eens het ridiculiseren van een machtig persoon was veranderde na de revolutie in iets veel ernstigers. De revolutie had immers geen gevoel voor humor. La vie privée werd daardoor een regelrechte aanklacht: het masker van de misdadiger afrukken om zijn ware gelaat aan het publiek te tonen. Madame du Barry werd nooit voorgesteld als een hypocriet. Ze genoot ten volle van de orgieën die ze organiseerde, en werd daar door de libellisten ook om geprezen. Ze was alleen geïnteresseerd in mooie kleren en juwelen en ook daarvoor mocht ze op enige sympathie rekenen. Na de revolutie veranderde dat. Necker was geen sympathieke vrouwenloper in de ogen van de libellisten, nee, hij was een corrupte minister, een zakkenvuller, en daarom moest hij boeten."

'De libellisten waren geen immorele varkens die overal om zich heen vuiligheid zaten te spuiten. Ze koesterden wel degelijk hoogstaande morele waarden'

> www.historycooperative.org/ journals/ahr/105.1/ah000001.html: interactief essay van Darnton over de media in het achttiende-eeuwse Parijs, met liedjes, kaarten en originele politieverslagen.

> Robert Darnton, De grote kattenslachting en andere episodes uit de culturele geschiedenis van Frankrijk.

> Robert Darnton, The Forbidden Best-Sellers of Pre-Revolutionary France.

A.G.L. de Pelleport

De bohemiens

Oorspronkelijke titel: Les bohémiens

Vertaald door Patrick Castelijns & Mario Molegraaf, van een inleiding voorzien door Robert Darnton

Bert Bakker, Amsterdam, 300 p., 19,95 euro.

Deze ideologisch aan De Sade verwante markies schreef een filosofische schelmen- en bildungsroman waarin hij de draak steekt met zowat alle verlichte denkrich tingen. Wanneer hij zijn eigen alternatief presenteert, krijgen we een hilarisch verslag van een van de grootste orgieën uit de wereldgeschiedenis, waarbij seks, geweld en een vette hap in elkaar overvloeien.

'De libellisten maakten en kraakten reputaties en daarom moesten ze de mond gesnoerd worden met massa's geld die de geheime dienst hen toestak'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234