Woensdag 05/10/2022

Na de Expo, het plastic

De golden sixties: de minirok, Soeur Sourire, de vleeskleurige gaasbeha en de Beatles. Plastic was het toverwoord. In de huiskamers verschenen formica tafelbladen, het eerste vernuftige kastenbouwpakket en fauteuils van echt zwart imitatieleer. Honderdduizenden Belgische huisgezinnen ruzieden over de vraag: kopen we eerst een auto of een televisietoestel? Over de tijd van mini en maxi, Tupperware, Leuven Vlaams, Vietnam, softenon, Bonanza en Eddy Merckx loopt in de ASLK-galerie in Brussel een levendige tentoonstelling.

Annemie bulte

Iedereen wilde een auto. De buurman die als eerste de Vespa ruilde voor een Daf of een Kever steeg meteen in de hele straat in aanzien. Het aantal auto's in België klom van 753.000 in 1960 tot 2.060.000 in 1970 - Koning Auto, heette het nog. Toen in Brussel de kastanjebomen langs de boulevards plaats moesten maken voor een extra rijbaan viel er nauwelijks protest te horen. Op de wegen eiste het motto 'mijn auto, mijn vrijheid' een zwaardere tol: het jaarlijkse aantal verkeersdoden nam toe van ongeveer duizend tot meer dan zestienhonderd.

"Het eigenaardige is dat iedereen dat best leek te vinden", zegt socioloog Marc Hooghe, coauteur van de catalogus Golden Sixties, België in de jaren zestig. "Blijkbaar werd de slachting op de Belgische wegen beschouwd als een aanvaardbaar offer voor de toegenomen verplaatsingsmogelijkheden. Ik heb alle krantenarchieven, bibliotheken, alles wat er te vinden was, doorzocht om te zien of er enig verzet rees tegen die onveiligheid: niets." Het was de tijd dat eenarmige Jos of halfblinde Marie-José zonder probleem een rijbewijs konden afhalen op het gemeentehuis. "Ook toen waren de autosnelwegen al het voorwerp van betogingen", zegt Hooghe. "Maar het waren dan wel betogingen vóór de aanleg van een autosnelweg." Kampioen in lintjes knippen van grote wegen is minister van Openbare Werken (1965-1972) Jos de Saegher (CVP). Hij hertekent mee het landschap van België. Terwijl ons land in 1958 nog maar 141 kilometer autosnelweg telt, wordt dat aantal in één decennium verzesvoudigd. In 1961 doet de voorrang-van-rechtsregel zijn intrede, maar voor een doorgedreven veiligheidsbeleid met snelheidsbeperkingen en de invoering van de autogordel is het wachten tot in de jaren zeventig. "Toen begon men zich af te vragen of het eigenlijk wel normaal was dat er zoveel doden vielen."

De toegenomen mobiliteit heeft België fundamenteel veranderd, meer dan de pil, de opkomst van plastic of het studentenprotest, stelt Hooghe. "Men heeft het altijd over de seksuele revolutie en de heldhaftige periode van de tegencultuur, de studenten op de barricades en de hippies in hun bloemetjeshemden. In elk boek dat tegenwoordig over de jaren zestig verschijnt, wordt die mythe nog wat aangedikt. Dat is het probleem: al die boeken zijn geschreven door mensen die in die periode zelf hun gloriejaren beleefden en baden in een soort jeugdsentiment. Neem nu de seksuele revolutie, nog zo'n verhaal dat zichzelf in stand houdt. Er werd wel geëxperimenteerd in bepaalde jongerenmilieus, maar in ons land bleef het allemaal tamelijk braaf, en de uitvinding van de pil heeft het seksuele gedragspatroon van de modale Belg niet echt veranderd. Wat er gebeurt, is dat jongeren dankzij hun bromfietsen en auto's niet langer gekluisterd zitten aan die ene herberg in hun dorp. Ze kunnen hun eigen cultuur uitbouwen, steeds meer mensen gaan studeren en ontrukken zich aan het ouderlijke gezag. Het platteland bestaat niet meer en de grote trek naar de voorsteden begint: Wilrijk en Vilvoorde worden volgebouwd. Het uitzicht van Brussel verandert helemaal. Dat de jaren zestig geïdealiseerd worden, is ergens wel normaal, omdat het contrast met de naoorlogse periode van de jaren vijftig zo groot is. Maar dat had meer te maken met de plotse economische groei dan met de zogenaamde tegencultuur."

Marc Hooghe, geboren in 1964, heeft de jaren zestig niet echt bewust beleefd, maar schetste samen met Ann Jooris een portret van die periode dat naadloos aansluit bij het dagelijkse leven dat in de kijker wordt gezet in de ASLK-tentoonstelling van Ronny Gobyn en Lieve Compernolle. Een wirwar van spiegels, ouwig roze revolutionaire affiches en psychedelisch groen, paars en oranje. Uit de jukebox rollen nostalgische deuntjes van Adamo, The Rolling Stones en Soeur Sourire, de zingende non die met 'Dominique' de eerste Belgische hitsingle scoort die week na week op nummer één van de Amerikaanse hitparade staat. Zwart-witvideobeelden roepen de toenmalige actualiteit op: de brand in de Brusselse Innovation, betogende studenten in Leuven en Parijs, de moord op John F. Kennedy. De bezoeker leeft mee met de dagelijkse beslommeringen van de huisvrouw tussen uitgestalde Tupperware-potjes, stofzuigers, stoompotten - 'Een maaltijd klaar in vijftien minuten' - en wastrommels. Huiskamers zijn nagebouwd met kamerbreed tapijt, aluminium schuiframen, lage zolderingen en reliëfglas in de voordeur. Er zijn zitzakken, papieren bollampen en aanbouwkasten met een draaiend platform voor de televisie.

'Alles moest van plastic zijn, al mocht nylon of dacron of vinyl of dacryl ook: zolang het maar op -on of -yl eindigde was het goed', schrijft Eric De Kuyper in Grand Hotel Solitude. 'Dit geloof breidde zich ook uit tot andere gebieden. Zo had ma van haar moeder geleerd nooit andere zeep dan de befaamde Sunlight-zeep te gebruiken: de onhandige, hoekige klomp werd meteen na het uitpakken doormidden gesneden. Ma ging in deze jaren over op Lyril-zeep, die alleen maar beter kon zijn, want op -il eindigend.' Reclame kreeg een nieuwe invulling. Hooghe: "In de jaren vijftig klonk het vaak als een bevel. 'Drinkt Oxo!' En de mensen gehoorzaamden, met de barre oorlogstijden nog vers in het geheugen, want Oxo was voedzaam en niet duur. In de jaren zestig komt het genieten op de voorgrond. Er is meer vrije keuze, en reclamejongens worden verleiders. Ze prikkelen met associaties en symbolen."

De sen-sa-tionele Lyril-zeep werd op televisie bezongen door kirrende huisvrouwtjes in kanten ondergoed, maar de grootmoeder van Eric De Kuyper zou waarschijnlijk nog meer steigeren bij de aanblik van de modeafdeling. Vanaf 1965 komen de eerste gaasbeha's in vleeskleur op de markt en wordt de bikini populair (eerst met een broekje tot aan de navel, later nog slechts met een symbolisch streepje stof). Hoewel de minirok haast uitgroeide tot een symbool van die frivole tijd, komt de rage pas in de tweede helft van de jaren zestig goed op gang. De jarretelles met nylonkousen verdwijnen en worden vervangen door felgekleurde en bedrukte panty's. Enigszins in contrast daarmee raakt ook de broekrok in trek. Meisjes beginnen jeans te dragen, de vrouwenemancipatie doet het verschil tussen mannen- en vrouwenkleding vervagen en unisekskledij wordt je van het. Door de hippiecultuur dringen oosterse stoffen, krulmotieven en goedkope zilveren juwelen het modebeeld binnen. Naaldhakken wijken voor blokhakken. Het graatmagere model Twiggy, met haar lange benen, sluik haar en zwaar opgemaakte ogen, wordt ook bij ons het schoonheidsideaal.

Vanwaar komt de blijvende fascinatie voor een periode die al dertig jaar achter de rug ligt? Wellicht omdat er zoveel gebeurd is, meent Marc Hooghe. "Er heerste een euforie van: 'We zijn bijna zoals de Amerikanen! Eindelijk een modern land!' Al dat uiterlijke vertoon, de revolutionaire nieuwigheden in de techniek, de mode, de architectuur en het design, dat kon alleen omdat de economie het plots zo goed deed. Het feit dat de helft van de Belgische huisgezinnen zich aan het einde van de jaren zestig een televisietoestel kon veroorloven, veranderde ons wereldbeeld. De modale Belg kreeg Amerikaanse tv-series te zien en hoorde omroepsters plots 'beschaafd' Nederlands praten. Nieuwe ideeën drongen de huiskamers binnen zonder dat de traditionele zuilen er controle over hadden. De manier van oorlogvoeren veranderde. Kijk naar het enorme protest dat Vietnam uitlokte, terwijl het over de oorlog in Korea, niet zo lang daarvoor, gewoon stil bleef. De mentaliteit paste zich snel aan: het was niet langer alleen een kwestie van: wat gaan we doen?, maar ook van: hoe verkopen we het?"

En zo gaat het met alles: in de jaren zestig ontstaat een nieuw economisch systeem waarin consumptie en uiterlijk belangrijker worden dan de spaarzaamheid en de arbeidsethos van weleer. "De protestcultuur heeft die ontwikkeling niet tegengehouden, integendeel", meent Marc Hooghe. "Het sleutelwoord van de hippiebeweging was 'bevrijding', en dat betekende dat er ook een enorme markt ontstond voor popmuziek, dat de televisie kon worden gebruikt om zowat alle waren te slijten en dat vrouwen een interessante consumentencategorie werden. De tegencultuur verzette zich dan wel tegen het kapitalisme, maar legde ook de nadruk op de zin voor initiatief en het ondernemerschap. Ze gaf ontstaan aan een nieuwe klasse van entrepreneurs die geld verdienden met onder meer kunstgaleries, bioscopen, tijdschriften, discotheken en platenlabels. Eigenlijk is Bill Gates een erfgenaam van de hippies. Was hij een kind van de jaren vijftig geweest, dan was hij wellicht bij IBM gaan werken in plaats van zijn eigen Microsoft op te richten."

1973 is het einde van de lange droom van de Golden Sixties. De oliecrisis maakt een einde aan het kritiekloos omhelzen van de vooruitgang. Niet toevallig luidt de auto ook hier weer het scharnierpunt in. De benzineprijs schiet de hoogte in en in een dramatische televisietoespraak roept minister van Economische Zaken Willy Claes (BSP) op om niet te hamsteren.

Op 18 november 1973 zorgt de eerste autoloze zondag voor lege autosnelwegen. Politie en rijkswacht tellen die dag niet meer dan 107 inbreuken. Invloed op het energiegebruik hebben de symbolische zondagen nauwelijks. Ondanks Willy Claes' beroep op de burgerzin worden de autoloze zondagen op twee weken tijd even omstreden als de nudistenstranden. Op 2 december '73 al wordt het regime versoepeld onder druk van de horeca aan de kust. Die klaagde dat de vakantiegangers niet meer terugkonden naar het binnenland en daarom wegbleven. Voor één keer kreeg Armand Pien niet de schuld.

De Golden Sixties in België, tot 30 januari, ASLK-Galerij, Kreupelenstraat 12, 1000 Brussel. Dinsdag tot zondag van 9.30 tot 18 u. Vrije toegang.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234