Woensdag 10/08/2022

Naar de hel

Betty Mellaerts in gesprek met judokampioen Robert Van de Walle

en terug

Op een avond delen hij en ik dezelfde receptie. Onvrijwillig trekt hij me aan. Een onmetelijke rust hangt over hem en zijn uitstraling overheerst de zaal. De breedgeschouderde, grote, blonde man is Robert Van de Walle. Judokampioen voor het leven en gelouterd door de strijd, ook filosoof.

'Judo was een vlucht, een uitkomst voor mij. Mijn vader had een elektriciteitswinkel en hij had het zo gepland dat ik die zou overnemen. Werken met je vader is altijd moeilijk, ik deed het nooit goed, kreeg verwijten: 'Je kunt het niet en je zult het nooit kunnen'. Ik was een solitair. De school interesseerde me niet, ik zat constant te dromen. Dat doe ik nog altijd heel graag: je kunt je een ongelooflijk leven dromen. Ik kan iedere dag opstaan met nieuwe gedachten. Ik droom hoe het zou zijn als die uitkomen en ik droom het altijd mooi. De anderen komen met een hele waslijst van argumenten waarom het niet zo mooi is en dan ben ik ambetant.

"Ik heb altijd iets anders willen doen dan wat iedereen deed. Gaan werken zoals mijn vader, belastingen betalen, een stamcafé hebben, sigaretje roken, pinten drinken, het was mijn stijl niet. Ik keek ongelooflijk op naar Anton Geesink, die in Tokio voor het eerst van de Japanners won. Het was Eurojudo in Oostende. Ik werkte in de winkel en zag al die grote Russen, blokken van mensen, - ik was nog een kind -, eens komen kijken. Eén van hen kocht bij een buurman een horloge met een elastische band. Ik zal het nooit vergeten, de verkoper moest twee banden aan elkaar vastmaken om hem rond de pols van de atleet te krijgen! Ik was gepassioneerd door het judo en droomde dat ik daarin iets uitzonderlijks zou doen.

"Eerst had ik het in de voetbalclub geprobeerd, maar ik was nogal een bruut, ik schopte tegen iedereen zijn schenen. Dat vonden ze niet plezant. Bovendien was ik van anderen afhankelijk om te winnen of te verliezen. Daarna was ik van plan om te gaan boksen, ik was zestien, de tijd van Cassius Clay. Ik vond zijn stijl en charisma ongelooflijk. Ik ging naar het sportcentrum in Oostende en daar waren twee clubs: het boksen, waar ze me alleen maar een beetje uitleg gaven, en een deur ernaast het judo. Daar mocht ik het al direct proberen. Ik had een heel intuïtieve beweging die niemand me geleerd had en die ik na twee dagen judo al kon. Ik was sterk gebouwd en de mentaliteit van mijn vader, nooit opgeven, kwam mij van pas. Ik was hard opgevoed. 'Het gaat niet' stond niet in het woordenboek. Kou en honger bestonden niet. We hadden nooit geld. Mijn trui ging naar mijn zus en van haar naar mijn andere zus. Sokken werden gestopt. Mijn grootmoeder gaf een paar schoenen dat je niet graag zag, maar als je daar iets over zei, kreeg je een draai om je oren. Zo ging dat toen.

"Na acht maanden was ik bruine gordel. Ik was trots, mocht mee naar de kampioenschappen in West-Vlaanderen, aan een tornooi meedoen. Dat is geen referentie, want er was geen tegenstand, judo was niet bekend zoals nu. Wij trainden twee of drie keer in de week, topsporters na de uren, want iedereen had een gewone stiel. Het niveau stelde ook niet veel voor: hard, ruw, stampen, geen stijl. Het was ook een mannenwereld, want het vrouwenjudo bestond nog niet. Het belangrijkste was de ander tegen de grond krijgen, hoe je dat deed, had niet zoveel belang. De allure die je je aanmat buiten de competitie was al even belangrijk als tijdens de wedstrijden. In het judo is het man tegen man, psychologie speelt een grote rol. Wie er moe uitziet, maakt de ander zelfverzekerd. Dus zorg je voor je uiterlijk, showt een beetje, het T-shirt met de korte mouwen en de grote spierballen om de andere te imponeren. Ik was zeventien, achttien, later heb ik dat allemaal wat bijgestuurd.

"Boten, natuur, weg, vluchten, dat wilde ik, dingen doen waarvan anderen zeiden: je bent gek. Toen stierf mijn moeder. Ze had borstkanker, maar mijn zussen en ik wisten daar niets van. Een borst was seks, ik heb mijn moeder nooit naakt gezien, daar werd niet over gepraat. Vijf jaar lang zagen we haar iedere dag een klein beetje slechter worden, we werden het gewoon dat ma ziek was. Op haar manier heeft ze afscheid genomen: blijven lachen tot het laatste moment. Om haar kinderen geen pijn te doen toonde ze niet wat ze meemaakte. Een sterke vrouw. Ze lag in de kliniek en ik moest op judostage, ik wist niet dat ze ging sterven. Mijn vader wilde niet dat ik vertrok. Mijn moeder heeft aangedrongen en toen ik terugkwam, was het gebeurd."

"Mijn vader had me in het judo altijd tegengewerkt: je kunt daar je brood niet mee verdienen, zei hij. Altijd een snauw en een beet voor ik naar mijn sport mocht gaan, want ik moest hem helpen. Ik vluchtte naar het judo, kon er niet van genieten. Op mijn zeventiende ben ik thuis vertrokken. In de club had ik een vriendin die in Wallonië woonde, ik ben met haar meegegaan. Twintig jaar heeft het geduurd voordat ik mijn vader weer ging opzoeken. Een breuk blijft toch in je hoofd zitten, je hebt wat schuldgevoelens. Ik wist ook wel dat hij mij met de beste bedoelingen de winkel wilde overlaten, maar ik kan mijn leven toch niet aanpassen omdat zijn bedoelingen goed zijn. Hij is vijfenzeventig nu, drinkt pinten, rookt, hij is geen toonbeeld van energie, maar het is zijn leven. Tegen mij heeft hij nooit iets gezegd over het feit dat ik olympisch kampioen was, maar op café ging hij er wel over opscheppen.

"Zonder job of een frank op zak ben ik vertrokken, ik sprak geen woord Frans. Ik had maar één idee: ik wil naar Japan. Daar werd er zes uur per dag getraind en niet drie uur per week, alleen daar zou ik vooruitgang maken. Judo is een heel complexe en technische sport. Je tegenstrever is altijd anders: dik, groot, mager, klein. Dat vraagt veel feeling en ervaring, en die kun je maar opdoen door te vechten. De techniek van judo zoals ze in de boekjes staat, kun je eigenlijk in één jaar tijd leren. Maar die moet een reflex worden, zodat je ze in een duizendste fractie van een seconde kunt toepassen. Om dat onder de knie te krijgen moet je per beweging toch een jaar gedurende zes à zeven uur oefenen. Dat vraagt een constante kwaliteit, want als je het verkeerd inoefent, krijg je een verkeerde reactie. Je moet conditioneel heel sterk staan, er moet explosieve kracht zijn, uithouding, weerstand, je moet tegen de psychologische druk kunnen. Aan de top staan twintig atleten, de eventuele kandidaten om je medaille af te snoepen. Je weet alles van hen: hoe ze bewegen, hun techniek, hun strategie, dat bestudeer je. Je moet een counter oefenen en iets verzinnen dat hij niet van je kent. Het is als een schaakspel. Voor een wedstrijd komt de loting, die wordt besproken. Je krijgt al wat schrik, het is tenslotte je job. Je moet winnen tegen de vijf, zes besten van de wereld, in vijf minuten tijd. Je weet dat het hard zal zijn. Dat kampioenschap doe je vijf keer in een nacht. Het gevaar bestaat dat je er niet van slaapt en moe opstaat. Dus moet je jezelf zien winnen in je dromen, dat geeft zelfvertrouwen. De stress, dat door een stommiteit of een fout in één seconde maanden, jaren voorbereiding konden verdwijnen, dat vond ik het moeilijkste.

"Als ik er nu naar kijk, is judo veel meer dan sport, het is een levenswijsheid, een manier van zijn. Ik heb heel veel spijt dat ik dat niet eerder heb ontdekt. Ze noemen het ook martiale kunst, die luistert naar tien geboden. Echt zijn, eerlijk zijn, respect hebben, vertrouwen, nederig zijn, het wederkerig welzijn... De bedoeling van het judo is niet om te winnen. Dat klinkt eigenaardig, maar - en dat zou voor alle sporten zo moeten zijn - het gaat om je persoonlijke evolutie. De tegenstrever als stimulans om je in te spannen en te groeien. Het spel spelen volgens de vier gedragspatronen in de natuur: aanvallen, vluchten, onderwerpen en het exclusief menselijke: onderhandelen. Dat wil zeggen dat je je ego aan de kant moet schuiven, dat je moet aanvaarden dat de andere ook vooruitgaat. Dus als ik win, betekent dat niets. Het is belangrijk dat we samen groeien. Vroeger, als iemand won in het judo, stak hij nooit zijn armen in de lucht. Hij groette, ging van de mat, kreeg een handdruk van de meester, die al meteen bijstuurde, want zo geweldig was het nu ook niet geweest. Nederigheid. Je kunt judo doen tot je honderd bent en nog altijd bijleren. Van een heel klein topje hebben ze sport gemaakt met regels en afspraken. Dat zijn voor mij intussen twee verschillende dingen."

"Om geld te verdienen voor Japan ben ik in de hoogovens gaan werken. Het was heel zwaar en vernederend werk, maar ik had geen keuze. Ik wist maar één ding: dit zal ik niet lang doen. Met 100.000 frank en een adres dat ik had gekregen van Willem Roeska, de opvolger van Geesink, vertrok ik. Ukano was in die periode een van de grootste kampioenen. Hij kon drie bewegingen maken in één seconde, ongelooflijk snel, een perfectionist. Hij woog tachtig kilo en won van mannen die dertig, veertig kilo zwaarder waren. Hij was getrouwd met een Amerikaanse en had een school Seiki Jouku, 'Rijzende Zon', waarmee hij het judo wilde promoten. Ik dacht: dat zal allemaal mooi zijn, een school, ik zal onthaald worden, maar ik kwam aan in de luchthaven waar alle opschriften alleen maar in het Japans stonden en was alleen. Nergens heb ik me overigens zo alleen gevoeld als in Japan, tussen de miljoenen mensen. Met de monorail geraakte ik in het centrum van Tokio. Na wat vragen kwam ik aan in een appartementje waar vier westerlingen in zaten, bedden boven elkaar. 'Nu gaan we naar de training', zeiden ze. Ik mee, een jetlag, niet geslapen. Met een goedkoop ticket was ik via een tussenstop in Moskou met Aeroflot gevlogen. Airhostesses als travestieten en één kop thee op zestien uur vliegen. Maar ik dacht: het zal wel gaan, ik ben tweede geweest in de wereldkampioenschappen.

"Ik heb daar afgezien, onvoorstelbaar. Ze hebben met mij de vloer aangeveegd. Ik was nieuw, een grote blonde man op wie driehonderd Japanners stonden te kijken. Het was één uur non-stop tegen de grond gesmeten worden. En werpen kun je op vele manieren doen. Mijn longen hingen tegen mijn rug, ik piste bloed, mijn vingers waren kapot. Na een paar maanden is het beenhard, maar van het trekken aan de kimono was mijn nekvel geïrriteerd, mijn rug deed zeer. Enkele uren later was de volgende training, toevallig met de nationale ploeg van Japan, die een week naar Tokio was gekomen. Ik moest mijn techniek tonen aan meester Ukano. Ik had mijn partner nog niet vast of hij riep al dat ik 'stupid' was en alles moest veranderen. Hij was vreselijk streng, heeft weinig atleten gehad omdat hij niet diplomatisch was. Hij haalde iedereen neer. Ik kreeg een klop van de hamer, moest alles vergeten wat ik tot dan toe geleerd had en herbeginnen, bij de witte gordel.

"Ik ben blijven trainen. In een maand tijd was ik acht kilo vermagerd, mijn tanden vielen uit door de ondervoeding, we hadden alleen maar geld voor rijst. Ik leefde in dat kleine appartementje. Je slaapt niet, er snurkt altijd wel iemand. Je komt aan na de training met kletsnatte kimono's. Die hang je te drogen en de stank is niet te harden. Maar ik moest erdoor of ik moest terug naar de hoogovens, ik had niets anders, begrijp je? Dat stimuleerde mij constant. Na een maand heb ik een menselijker trainer gevonden, Sato. Hij liet me naar Tokai University komen en daar heb ik geleerd wat judo is, al begrijp ik het nu pas, dertig jaar later.

"Judo wil eigenlijk zeggen: 'de weg van de soepelheid', met een minimum aan inspanning van lichaam en geest een maximale efficiëntie bereiken. Ik was zo opgeslorpt door het nastreven van het succes van Geesink en Roeska dat ik niet stilstond bij wat ik aan het doen was. Niemand vertelt je dat ook. Ze zeggen wat er verkeerd is, maar niemand toont hoe het wel moet, dat moet je stelen met je ogen. Japanners kregen dat natuurlijk wel mee. Zij kiezen op high school een sport en worden daar grondig in opgeleid. Judo vooral voor wie moeilijk op te voeden was, in de spirit van de samoerai. Zeer trots, afstandelijk, nooit met je praten, op je neerkijken. Een vreemdeling moest kapot. Op een training ben ik eens negen keer gewurgd. Ik klopte af, maar ze gingen door tot ik bewusteloos was. En dan maar lachen. Dat is zo vernederend. Maar als ik nu naar Japan ga, ben ik een meester en word ik gerespecteerd omdat ze weten waar ik vandaan kom.

"Na een tijdje kon ik ertegen als er geen eten of drinken was of als ik het koud had. Een stamp tegen mijn schenen, ik bleef rechtstaan. Een worp, ik klopte niet af. Ik had het gevoel: er kan mij niets overkomen. Na vijf maanden heb ik mijn knieschijf ontwricht, door de vermoeidheid. Ik ben naar België gekomen om mij te laten opereren en was zes maanden kwijt. Iedereen zei: je had veel eerder moeten terugkomen, maar het heeft de basis gelegd waarop ik nu kan voortgaan. En ik kon mezelf heel goed sussen en troosten.

"Ik kwam terug, mijn knie was kapot en ik had geen resultaten. Ik heb het geluk gehad dat de voorzitter van de Belgische judofederatie in mij geloofde en dat ze weinig atleten hadden. Mijn trainer Leo Tenaaf, zelf heel extreem, was er verantwoordelijk sportdirecteur. Mijn collega's en ik vroegen om ons een trainingsprogramma te maken. Leo zei: 'Wat wil je worden?' 'Wereldkampioen.' Dan begon het. 'Moet ik naar Japan? En mijn vrouw? En hoe moet dat met mijn werk?' Leo antwoordde: 'Dan moet je met minder tevreden zijn. Hier is een programma voor de Belgisch kampioenschappen.' Voor alles is er een prijs te betalen. Dat kwam heel hard over, want ik was de enige die zei: ik ga door. Ik kreeg er de middelen voor: 20.000 frank per maand gedurende tien maanden, in een statuut als zelfstandige. Het was bijna 80 procent van het budget van de federatie voor mij alleen. Dat maakt dat er veel jaloezie was, kritiek op mijn trainer, een enorme druk op mijn schouders om het goed te doen. Maar ik had resultaat, ze konden niet klagen, mijn contract was volbracht. Op regelmatige basis ging ik nu, beter voorbereid door krachttraining, gedurende drie maanden naar Japan, en dat wisselde ik af met drie weken hoogtestage in de Pyreneeën. Dan een tornooi, een week vakantie. Het werd een ritueel. Topsport is vierentwintig uur op vierentwintig werken. Continu, obsessioneel bezig zijn.

"Vijf keer heb ik meegedaan aan de Olympische Spelen. In Moskou won ik goud, dat geeft een enorme kick. In Los Angeles ging het verkeerd, de druk op mij was erg groot. Voor je op de mat verschijnt, zegt men al: dat wordt de olympische kampioen, en wat je hebt, wil je niet verliezen. Je zou nog liever niet meedoen, zeggen dat je gekwetst bent, zoals wel meer sporters doen, vluchten.

"Mijn tegenstrever was een Amerikaan. Als ik hem vandaag tegenkom, win ik er nog tegen. Het was geen niveau, maar hij was heel gemotiveerd en won met een klein voordeel. Mensen zeiden: het was de scheidsrechter. Het had er niets mee te maken. Ik stond daar. Uit angst om te ontgoochelen heb ik niets gedaan. Ik kon mezelf niet zijn. Plots lag ik op mijn rug, ik was een half punt kwijt en ik ben er blijven achterlopen. Toen was het afgelopen. Ik stond aan de kant, klaar om duizend kampen te doen, de krop in de keel.

"De zaal was leeg. Alle ministers en de anderen die waren komen kijken naar Van de Walle die het ging doen - want dat stond zo in de pers - waren vertrokken. Ik ging in de hoek zitten. Dan komen de tranen, hé. Ik heb toen een zware krak gekregen. Heel weinig mensen begrijpen dat. Ze zeggen: drink een pint en 't is gedaan, het is toch het einde van de wereld niet, maar het was een totaal falen in mijn opzet. Het is alsof je vier jaar zou gaan werken, al je centen sparen en het in één spel in het casino verliezen. Ik was mentaal onvoorbereid om zoiets mee te maken.

"Ik heb een auto gehuurd en ben gaan rijden. Alleen. Niemand moest iets tegen mij zeggen. Op dat moment was er in de sport wel veel steun om je te pushen, maar weinig ruimte voor het mislukken. Dat kun je niemand verwijten, want hoe moet je dat aanpakken?"

"Sport heeft altijd mijn prioriteit gehad. Ik wilde geen beperkingen, gaf geen ruimte aan een gezin, terwijl je emotionele welzijn eigenlijk een noodzaak is. Liefde, genegenheid, geborgenheid, het was moeilijk met het reizen, ik was weinig thuis. Losbandig. Je zit ergens voor twee maanden in een sportcentrum. Jonge zwemstertjes. Wat doe je? Niets stabiels, maar het houdt je recht. Je kon niets opbouwen, want dat betekende verantwoordelijkheid, engagement, keuzes maken. Ik ben nu pas getrouwd. Mijn vrouw werkt met mij in de zaak en dat gaat heel goed omdat we complementair zijn. Zij is meer manager dan ik. Ik droom de projecten en zij maakt ze haalbaar.

"Na mijn gouden medaille had iedereen gezegd: 'We gaan een fitnesscentrum voor je openen, samen met Ingrid Berghmans, hier moet je geld uit slaan', want dat had ik nog altijd niet. Maar fitness was mijn ding niet, ik was niet goed als manager. Toen ik terugkwam uit LA zat ik daar, geen medaille, geen werk, mijn keel dichtgesnoerd, en dat is natuurlijk ook het moment dat je lief zegt dat ze iemand anders liever ziet. Wat doe je dan? Depressief zijn? Ga je aan de drank? Geraak je verbitterd? Wil je nooit meer iets met sport te maken hebben? Ik ben door alles heen gegaan, het was ongelooflijk interessant. Je kunt niet winnen als je niet kunt verliezen en dat leer je door te analyseren waarom het gebeurt.

lees verder op pagina 4

"Joseph Lacrosse gaf in het fitnesscentrum lessen aerobic, met hem kon ik goed praten. Uren en uren hebben we samen gezeten. Laat ons eens kijken wat judo is, zei Joe. Na twaalf jaar afzien was mijn lichaam geweldig vermoeid. Geen geld hebben, gefrustreerd zijn, alles was afzien geweest. Ik had het niet zo beleefd, maar van buitenaf bekeken was dat allemaal onmenselijk. 'Heb je je armen al eens bekeken?', vroeg hij. 'Is dat het minimum aan inspanning voor het maximum aan efficiëntie?' Mijn opvoeding was ook slordig geweest. Ik had geen orde, geen agenda, kwam overal te laat, ik had geen inzicht, geen visie. Ik was losgelaten als een wilde hond. Joseph en ik hebben alles op papier gezet waaraan we zouden moeten werken. Als voorbereiding op Seoel hebben we een heel nieuw plan uitgezet en alles bekeken volgens de weg van de soepelheid. Ik leerde stretchen, iets wat ik nog nooit gedaan had. Stijf en verkrampt begon ik aan een gevecht. In plaats van in een kelder met verroeste gewichten gingen we in de natuur trainen met stenen en groen. Tachtig procent van onze voorbereiding was mentaal. Praten over eerlijk zijn, op tijd komen, orde aanbrengen in mijn hoofd, in mijn leven, in mijn emoties. Heel hard gewerkt. Zo ben ik gegroeid, zoekend naar nieuwe technieken, daar kreeg ik weer ruimte voor. Ik leerde aanvaarden dat ik op een training neerging, want na de medaille wilde iedereen tonen dat ze me konden krijgen, dus durfde ik zelfs op training niet meer het risico nemen om iets uit te proberen. "We zouden proberen binnen vier jaar de beste van de wereld te zijn, wetende dat het niet altijd de beste is die wint. In plaats van alles werd judo een stukje van mijn leven. Ik was niet alles kwijt, zoals ik dacht. Olympisch kampioen blijf ik, dat kunnen ze me niet afpakken, en de jaren ervaring ook niet."

"Intussen werd ik alsmaar ouder en rijk ben ik van het judo niet geworden. Met Joseph sprak ik dikwijls over de fantastische boodschap die we hadden door wat er met mij gebeurd was. Een bedrijfsleider die ontslagen wordt, maakt eigenlijk hetzelfde mee, andere topsporters ook. Ik heb een huis gekocht in Hastière om een centrum te bouwen waar ik die boodschap kon doorgeven. Ik had niets te verliezen, was niet bang voor de risico's. Joe heeft daarom wel afgehaakt. Terwijl ik me voorbereidde op mijn laatste Olympiade in Barcelona organiseerde ik outdoormanifestaties omdat ik de mensen opnieuw wilde confronteren met hun lichaam, het zijn brains op pootjes geworden. Terug de natuur in, hun grenzen verleggen. We gingen twintig kilometer lopen. Voor mij is dat om te lachen en ik begreep niet dat iemand uit de bedrijfswereld na vijfhonderd meter niet meer verder kon, ik keek er een beetje op neer. Maar ik besefte dat ik het recht niet had om zo te reageren, dat ik in hun bedrijf waarschijnlijk niet eens een uur achter het computerscherm zou kunnen zitten. Ik ben gaan zoeken hoe ik hen op een efficiënte manier iets kon laten beleven zonder dat ze gefrustreerd naar huis zouden moeten gaan met het idee: dit doe ik nooit meer. Iedere week zie ik nu zestien mensen die op hun manier aan de top staan. Hen bekijken, zien hoe ze daarmee omgaan, ook met hun verlies, is ongelooflijk interessant, daar krijg ik heel veel van terug. Vroeger was ik bang voor mannen met een pak en een das, dan wist ik niet hoe ik hen moest aanspreken. Nu steek ik mijn bedrijfsleiders in een kimono, zet hen op de mat en zeg: kijk nu eens hoe je daar staat. Zo moeten ze de ander aanvaarden zoals hij is, leren dat er meer bestaat dan hun vak alleen.

"Een van mijn projecten doet me nog twijfelen of ik het wel zou doen. Voor het eerst ben ik dit jaar niet mee kunnen gaan naar de Olympische Spelen. Ik heb het moeten volgen op de televisie en mijn hart bloedde. Het kan niet dat je met professionele middelen zo amateuristisch bezig bent. Het gaat niet alleen om de resultaten, maar ook over hoe de atleten het hebben aangepakt. Ik heb veel fouten gezien, uitspraken gehoord die ik verkeerd vond. Ik denk dat er werk is aan de uitstraling die ze geven aan de sport en aan België. Mij is gevraagd om de topsporters wat te coachen. Dat is niet zo gemakkelijk, want daarvoor zijn er al verschillende structuren. Die willen het allemaal goed doen, maar iedereen pakt het anders aan. Sport als ontspanning en sport als inspanning zijn twee heel verschillende dingen. De functie van de federaties is om sport te promoten. Een topatleet steekt daarboven uit en moet een stimulans zijn voor de jongeren die die sport als recreatie zien maar waarschijnlijk nooit de top zullen bereiken. Het beleid moet begrijpen dat topsport iets anders is. Er is maar een twintigtal Belgische topsporters. Ik wil hen samenbrengen in een overkoepelende, kleine structuur, want wie begrijpt een topsporter beter dan een andere? Vier jaar lang eis je hun volledige inzet, maar geef je ze ook de mogelijkheid om, omringd door heel competente en extreme mensen, obsessioneel bezig te zijn met één bepaald doel: de Olympische Spelen. Met naast individuele trainingen in hun specialiteit aandacht voor stijl, communicatie, opvoeding, al is dat een groot woord.

"Aan topsport hangt tegenwoordig bijna altijd een reukje. Epo, andere middelen. Het kan niet de bedoeling zijn dat je van topsporters machines maakt die prestaties neerzetten waar ze in de toekomst niet meer achter kunnen staan omdat ze voor de rest van hun leven ziek zijn. Ik wil dat het spel eerlijk gespeeld wordt. Dat loont vroeg of laat. Wilskracht, doorzettingsvermogen, kwaliteit, niet tevreden zijn met middelmaat, geen compromissen sluiten, echt zijn, geen show geven. Die waarden heeft de topsport te bieden aan de jeugd, aan de zieken, aan de mensen die gedemotiveerd zijn. Het zal een totaal andere boodschap zijn die zelden naar voren komt omdat de media een topsporter vaak misbruiken voor snel succes maar zelden zoeken naar wie hij werkelijk is. En het zal een enorme mentaliteitsverandering vragen. Velen zijn best tevreden met de huidige resultaten, maar ik geloof niet in het antwoord: we zijn maar een klein landje. We moeten meer geloven in onszelf. Belgen hebben in de bedrijfswereld de reputatie harde werkers te zijn. Het wordt tijd dat we wat chauvinistischer worden.

"Ik zoek nu middelen en de bereidheid om topsporters los te laten. Dat zal het moeilijkste zijn. Maar misschien zeggen ze ook: oef, ik ben ervan af, want een topsporter is een moeilijk geval."

'Judo is veel meer dan sport, het is een levenswijsheid. De bedoeling is niet te winnen, het gaat om je persoonlijke evolutie''Vroeger was ik bang voor mannen met een pak en een das. Nu steek ik bedrijfsleiders in een kimono, zet hen op de mat en zeg: kijk nu eens hoe je daar staat. Zo moeten ze de ander aanvaarden zoals hij is, leren dat er meer bestaat dan hun vak alleen'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234