Vrijdag 30/09/2022

Nationalisme troef in het Rijksmuseum

Over exact een week opent het Rijksmuseum in Amsterdam na tien jaar eindelijk weer de deuren. Directeur Collecties Taco Dibbits schuwt de ambities niet. 'Wat wij willen, is dat ieder voorwerp je verleidt.'

"Waar krijg je die kans? Dat je vanaf nul kunt beginnen? De meeste musea richten een vleugel opnieuw in. En na twintig jaar nog een. Wij konden alles opnieuw doen. Ik ben juist in het Rijksmuseum gaan werken omdat het dicht zou gaan. Om één keer in mijn leven mee te maken een heel nationaal museum opnieuw in te richten. Dat het tien jaar zou duren was natuurlijk een tegenvaller. Maar het heeft uiteindelijk tot veel goeds geleid."

Taco Dibbits is directeur Collecties van het Rijksmuseum, na de algemeen directeur de nummer twee in de museale hiërarchie. Loop met hem door de zalen van het vernieuwde Rijks en zijn geestdrift grijpt je bij de kraag. Wijs een voorwerp aan, hoe minuscuul ook en hij kent er de geschiedenis van, wie het heeft gemaakt, waar het vandaan komt, hoeveel het heeft gekost en waarom het er überhaupt staat, zonder het overzicht uit het oog te verliezen. Dibbits praat even makkelijk over een geretoucheerde craquelé in een schilderij van Hercules Seghers als over het gewenste imago van het Rijksmuseum binnen de Europese eenwording.

Stoffige bonbondoos

Tien jaar is het Rijksmuseum dicht geweest, op de Philipsvleugel na. Daar waren tot drie weken geleden nog de hoogtepunten uit de 17de eeuw te zien. Nu is bijna alles verhuisd en opgesteld. Het vreemde is: het ziet er niet alleen verbluffend uit, maar ook vanzelfsprekend. Je kunt je gewoon niet voorstellen dat al die zalen er jarenlang kaal en ongestoffeerd uitzagen. En dat alles inderdaad vanaf nul is bedacht.

Lange tijd gold het Rijksmuseum als een stoffige bonbondoos voor wat het aan oude kunst in huis had. Met een doolhof van zalen en zaaltjes die aan de Cuypers-architectuur waren toegevoegd en gaandeweg het gebouw hadden verstikt. Met twee veel te krappe entrees, een onvindbaar restaurant en een vaste opstelling waarvan sommige collecties (geschiedenis, toegepaste kunst) stiefmoederlijk waren weggemoffeld. Bovendien wist het museum de urgentie van een bezoek niet aan een breder en jonger& publiek over te brengen. Waarom zou je nog naar het Rijksmuseum gaan, als je eenmaal De nachtwacht had gezien?

Oud-directeur Ronald de Leeuw is volgens Dibbits de grondlegger van de nieuwe plannen geweest. Vooral door het idee dat kunst en geschiedenis evenredig in het museum vertegenwoordigd moesten worden in 'ensemble-opstellingen'. De Leeuw experimenteerde er al mee in de Philipsvleugel. Door schilderijen te laten zien naast het 'stokske' van Oldenbarnevelt, de kist van Hugo de Groot en artefacten uit het roemruchte, maar gewelddadige verleden van de Verenigde Oost-Indische Compagnie.

Dibbits: "Ronald lanceerde de slogan dat het museum een 'gevoel van schoonheid' en 'besef van tijd' moest uitstralen. 'Schoonheid' door de allermooiste en beste kunst te laten zien. 'Tijd' door de chronologie als leidraad van de inrichting te maken. Dat uitgangspunt is sindsdien niet meer veranderd. Nu loop je van het begin naar het einde van de 17de eeuw, of van de 18de naar de 19de eeuw. We merkten dat het publiek niet goed wist of iets uit de Gouden Eeuw komt of uit de middeleeuwen. Nu zie en voel je dat de middeleeuwen grotendeels uit kerkelijke kunst bestaat en dat vanaf het begin van de 17de eeuw die kerkelijke kunst afwezig is. Daardoor ontstaat tijdsbesef."

Slaande deuren

De verandering die Dibbits schetst is ingrijpender dan je zou vermoeden. Het Rijksmuseum was lange tijd een bolwerk van hermetisch gescheiden afdelingen: geschiedenis, toegepaste kunst en echte kunst. En elke afdeling toonde de ontwikkeling van 1500 tot 1900. Wat leidde tot een onoverzichtelijke opstelling. Nu zijn de krachten gebundeld.

Vanzelf ging die bundeling van afdelingen niet, geeft Dibbits toe. "We hadden een 'vlekkenplan' opgesteld: een plattegrond waarop de belangrijkste objecten en perioden waren getekend. Daarna gingen werkgroepen aan de slag. Vier, vijf conservatoren van verschillende afdelingen die gezamenlijk een tijdvak deden. Het leidde al snel tot eindeloze discussies. Historici wilden een verhaal vertellen; conservatoren van de kunstafdelingen wilden hun lievelingsobjecten in de zaal. Het was een stroperig proces met enorme discussies en soms zelfs ruzies. Slaande deuren."

"Zeker, we hebben ook onze verzameling op thema's onderzocht. Of we iets konden laten zien over het belang van religie in de Gouden Eeuw, de bloeiende joodse gemeenschap in Amsterdam, over denkers als Erasmus. Maar daar hadden we niets of te weinig van. Je kunt allerlei concepten bedenken, maar het museum is geen boek waar je plaatjes bij zoekt. Uitgangspunt is toch de collectie zelf. De verzameling dicteert. Hebben we iets niet in huis, dan kunnen we het niet tonen. Maar wat blijkt: als je die objecten uit de verzameling langs een tijdlijn plaatst, dan vertellen ze hun eigen verhaal."

Uiteindelijk komt het op gevoel aan, legt Dibbits uit. "Het belang van emotie is te veel naar de achtergrond verdwenen. Elke aankoop moet tegenwoordig kunsthistorisch verantwoord worden, terwijl je gewoon het mooiste werk wilt hebben. Iets dat je raakt. En dat kan zelfs heel lelijk zijn. Wie straks het Rijksmuseum binnenloopt, kan kiezen uit 8.000 objecten. Wat wij willen, is dat ieder voorwerp je verleidt. Dat je je hoofd omdraait en afvraagt waarom het er staat. Het gaat om zeggingskracht."

Dibbits noemt als voorbeeld een kampjas uit de Tweede Wereldoorlog die op de afdeling 20ste eeuw is te zien. "Gruwelijk natuurlijk, maar het zet je wel aan het denken hoe een mens tot nummer wordt en wat de gevolgen daarvan zijn." Vlak daarbij hangt een zelfportret van Pyke Koch, die in de jaren dertig uitgesproken fascistische sympathieën had. "Dat is ongelooflijk mooi geschilderd. Maar door de scherpe, gekrulde ijzeren lijst eromheen straalt het de agressiviteit uit die past bij die periode."

Less is more

Wat Dibbits maar duidelijk wil maken: het gaat niet alleen om de werken zelf, ook om hoe alles wordt gepresenteerd. Volgens Dibbits heeft de Franse interieurarchitect Jean-Michel Wilmotte daarin een beslissende stem gehad. "Hij kwam met het idee dat je niet alles moet tonen. Hoe je voorwerpen verbijzondert door ze te isoleren. Liever een enkel glas dan de hele glascollectie."

De keuze voor less is more was ook het argument om niet voor zogenaamde stijlkamers te kiezen, hoezeer je dat bij een gemengde opstelling van historische voorwerpen, toegepaste kunst, beelden en schilderijen ook zou verwachten. Dus: geen tafel met stoelen eromheen en een schilderij erboven. En zeker geen experience-achtige opstelling zoals je dat tegenwoordig in de museumwereld veelvuldig aantreft. Met filmprojecties in donkere zalen, sprekende poppen en een batterij aan touchscreens. Dibbits: "We kiezen voor een andere weg. Geloven in het belang van het voorwerp op zich. Wat we laten zien moet authentiek en uniek zijn. Je wilt toch oog in oog staan met een handschoen uit de 17de eeuw. Met die wollen mutsjes en lullige schoentjes die eeuwenlang onder het ijs van Spitsbergen en Nova Zembla hebben gelegen. Dan realiseer je welke ontberingen Willem Barentsz daar heeft gekend. Sommigen zullen zo'n opstelling ouderwets vinden, maar volgens ons is het juist heel nieuw."

Opvallend is ook de keuze van de kleur op de muren: vier tinten grijs. Dibbits herinnert zich hoe De Leeuw aanvankelijk voorstander was van rode en blauwe wanden. "Maar dat is snel van tafel verdwenen. Daarna zijn we ook nog een tijdje bezig geweest met de kleuren van het gebouw, zoals het rood dat architect Pierre Cuypers gebruikte. Dat werkte ook niet. Achter Het Joodse bruidje van Rembrandt vloekte het gewoon. Toen kwam Wilmotte met grijs. En het was meteen duidelijk: doen! Een heel neutrale kleur die op het restauratieatelier al werd gebruikt, omdat de schilderijen er goed op uitkomen. Op een donkergrijze achterwand worden 17de-eeuwse schilderijen als vensters waar je doorheen kijkt; tegen een witte muur veranderen ze in zwarte gaten."

De sobere, neutrale inrichting sluit volgens Dibbits goed aan op de manier waarop de Spaanse architecten Cruz en Ortiz het gebouw van Cuypers hebben 'gerehabiliteerd'. Dibbits: "Ook zij gingen uit van less is more. Met minder zalen, maar meer ruimte voor het publiek. Door de binnenhoven weer open te maken heeft het gebouw zijn longen teruggekregen. Het gebouw is voor 20.000 bezoekers ontworpen. Nu kunnen er 2 miljoen doorheen. En dat zonder de architectuur van Cuypers onzichtbaar te maken, zoals in de jaren vijftig is gebeurd. Nu kun je weer goed zien wat hem voor ogen stond."

Dibbits doelt op het typisch 19de-eeuwse doel van Cuypers om de 'mensch' door kunst te verheffen. In andere landen werd daarvoor een tempel neergezet, legt hij uit, terwijl de katholieke Cuypers een kathedraal bedacht. "Toch is zijn bouwstijl heel nationalistisch, ook in de gebruikte Nederlandse materialen. Dat past bij de collectie, omdat het overgrote deel van wat je hier ziet ook hier is gemaakt. In het Louvre hebben ze kunst uit zowat de hele wereld. De National Gallery geeft een overzicht van de westerse schilderkunst. In het Rijksmuseum gaat het over de schatten die wij zelf hebben voortgebracht. En die tijdenlang in huizen aan de grachten hebben gehangen, hier om de hoek."

Zara en Chanel

Maar waar houdt het Rijksmuseum als Nationale Schatkamer op en begint het nationalisme à la 'Trots op Nederland' (Nederlandse politieke partij, in 2007 door Rita Verdonk opgericht, red.)? Dibbits:"'Na de Tweede Wereldoorlog hingen de buitenlandse schilderijen in de eregalerij. Niet de meesterwerken uit de Gouden Eeuw. Dat kon toen niet. Vaderlandse trots werd ontkend. Nu is het nationale karakter terug in het Rijksmuseum. In de eregalerij hangen de Vermeers, Frans Halsen en Ruysdaels. Dat het nu weer kan, heeft met de eenwording van Europa te maken."

Door die eenwording heeft het nationalisme een andere inhoud gekregen, meent Dibbits. Geen reactionaire, bekrompen houding, maar een handelsmerk waarmee een museum zich kan onderscheiden. "Het Rijks is geen museum dat je overal tegenkomt, als Zara of een winkel van Chanel. Bezoekers, vooral toeristen, willen iets authentieks voelen. Ze willen iets weten van het land waar ze naar toe gaan. Zoeken in Marseille naar een restaurant met echt Marseillaanse bouillabaisse."

Om die reden bezoeken toeristen tegenwoordig ook een museum, volgens Dibbits. "Zoals ze in het Louvre de echte Mona Lisa willen zien, hoewel die niet eens Frans is. Bij het Rijksmuseum is dat nog sterker, omdat De nachtwacht er hangt, een Nederlands schilderij. Niet alleen gigantisch groot, maar ook nog eens uit de bloeiperiode van Nederland. Bedenk wel, dat het hele Rijks voor dat schilderij is neergezet. Als een groot, 19de-eeuws marketingapparaat voor De nachtwacht. Reden waarom het op het hoogaltaar is geplaatst. En wat staat er op? Geen koningen of een gekruisigde Christus, maar levensechte burgers. Mensen met wie je je kunt identificeren. Wijzelf."

Wie is Taco Dibbits?

Taco Dibbits (44, geboren in Amsterdam) hoort als directeur Collecties tot het directieteam van het Rijksmuseum, naast algemeen directeur Wim Pijbes en zakelijk directeur Erik van Ginkel.

Dibbits werkte na zijn middelbare school als vrijwilliger bij het Teylers Museum in Haarlem en studeerde daarna kunstgeschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en de University of Cambridge.

In 1995 werkzaam bij het Getty Museum in Los Angeles. En vanaf 1998 voor vier jaar directeur van de schilderijenafdeling Oude Meesters bij veilinghuis Christie's, Londen.

Werd in 2002 in het Rijksmuseum aangenomen als conservator 17de-eeuwse schilderkunst en is daar de afgelopen vijf jaar directeur Collecties.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234