Dinsdag 27/09/2022

Oud maar onderschat gebergte

De kwestie ‘Pyreneeën of Alpen?’ is even heikel als: The Beatles of The Stones? Josh of Toby? Bordeaux of bourgogne? Gent of Antwerpen? Martens of Tindemans? Kim of Justine? Je raakt nooit uit die discussie, vooral omdat de bourgognedrinkers, de Kimfans, de Antwerpenaren of de Alpenfreaks niet kunnen toegeven dat ze het mis hebben.

Alpen zijn meer ‘getemd’

De Pyreneeën zijn anders dan de Alpen. In strekkende meters: gemiddeld een beetje lager. Er zijn maar een paar tweeduizendplussers in het Frans-Spaanse grensgebied, veel minder dan in de Alpen, die trouwens veel groter zijn. En toch vinden veel renners de Pyreneeën moeilijker. De Alpen zijn getemd, zeker sinds de wintersportoorden gemakkelijk bereikbaar moesten zijn. Daardoor worden veel Alpenwegen intensiever gebruikt dan vroeger, worden er nieuwe snelwegen aangelegd, en krijgen toegangswegen naar skioorden beter asfalt, een wat minder brokkelig verloop. In de Pyreneeën is dat soms zelfs omgekeerd. Zwaar verkeer is uit het gebergte weggeleid via nieuwe autosnelwegen die vooral parallel met het gebergte lopen, het dus niet doorkruisen. Oude cols blijven oud. Als het wegdek al onderhouden en verbeterd wordt, dan voor het wielertoerisme. Niet meer voor handels- of personenverkeer.Skioorden waren er ook al vroeg in de Pyreneeën - Superbagnères werd al in de vroege jaren 60 aangedaan, Plat d’Adet was al in de jaren 70 populair. Arcalis, waar het peloton gisteren aankwam, is de skipiste van Andorra, Hautacam die van Lourdes, Plateau de Beille ligt bij Foix, het Plateau de Bonascre bij Aix-les-Termes, en Guzet Neige hoort met veel goede wil bij Toulouse. En dan is er centraal Luz Ardiden. En daar blijft het min of meer bij. Er komen wel oorden bij, maar die zijn lager gelegen, minder toegankelijk en dus niet zo populair als in de Alpen. En dus zijn het er ook minder. In de Pyreneeën gaat het vooral om blote skipistes. In de zomer, als de Tour er arriveert, wil dat zeggen: hoge bergweiden met in een hoek een skilift en in het beste geval een chalet dat dienst doet als restaurant of café. Sanitair is daarom niet gegarandeerd. Vergeleken daarmee heeft de Tour de mondaine skioorden in de Alpen voor het uitkiezen. Nieuwer, luxueuzer zijn die resorts daar. Die in de Pyreneeën zijn oud. Maar dat is ook hun kracht. De klim naar Arcalis was natuurlijk zwaar, maar niet afschuwelijk moeilijk. Arcalis was dan ook een zogenaamde ‘boulevardcols’ - geasfalteerde wegen met twee baanvakken die tot hoog in de bergen reiken. Atypisch voor de Pyreneeën. Bij de échte Pyreneeëncols zijn de wegen ouder, krommer, met meer oneffenheden en bulten. Het is er minder rustig klimmen, en het verplicht tot veel attenter afdalen. De lucht, kloegen veel renners, is er zwoeler, en dat maakt het moeilijker om te ademen. Vandaar dat de klassieke hellingen als Tourmalet en Aubisque respect en ontzag inboezemen, Aspin en Peyresourde hun plaats hebben en af en toe een stekelige verrassing opduikt bij minder bekende cols als Marie Blanque of de Baskische Burdincuruncheta, Larrau en Soudet.

Eigenaardig ‘ingepakt’

De Pyreneeën liggen dit jaar bijzonder eigenaardig ‘ingepakt’ in het Tourparcours. Een Ronde van Frankrijk verloopt, doorgaans afwisselend, in wijzerzin of in tegenwijzerzin. In wijzerzin doet men na het vertrek eerst de Alpen aan en dan de Pyreneeën. Dan wordt in Pau en omstreken de finale van de Ronde verreden. Dat was zo in 2007 (het geaborteerde duel Rasmussen-Contador), 2005 (de laatste triomf van Armstrong), 2003 (de scherpe strijd Armstrong-Ullrich)... In tegenwijzerzin doet men eerst de Pyreneeën en pas dan de Alpen. In 2008 greep Carlos Sastre geel op de laatste klim van de laatste bergrit - L’Alpe d'Huez. In 2006 dacht de wielerwereld dat Floyd Landis in de bergrit naar Morzine de ‘ontsnapping van de eeuw’ opzette. In 2004 reed Lance Armstrong door een uitzinnige menigte van honderdduizenden koppen een fabuleuze tijdrit op L’Alpe d’Huez. Italianen hebben de naam liever en beter te koersen in de Alpen, Spanjaarden - en de onvermijdelijke Basken - doen altijd heel wild over de Pyreneeën. In die zin is de afwisseling ook eerlijk: de Tour bevoordeelt niet één soort klimmers.Dit jaar is het een mix van beide. De Tour verloopt zoals verwacht in wijzerzin, maar omdat de startplaats zeer ongewoon tussen Pyreneeën en Alpen in gewrongen zit, worden eerst de Pyreneeën aangedaan. En draait de Tour voor zijn finale ook voorbij de Alpen, tot aan de eenzame Mont Ventoux in de Provence. Dat betekent dus dat de Pyreneeën wéér de prelude krijgen. Maar meer dan eens werd de Tour al definitief beslecht in dat eerste klimhoofdstuk. Om het te hebben over de dramatische momenten: een paar van de belangrijkste Tourrenners, zoals Jacques Anquetil, Greg LeMond en eigenlijk ook Miguel Indurain, werden niet in de Alpen maar in de Pyreneeën definitief afgeserveerd.

Jacques Anquetil

Toen Jacques Anquetil in 1966 aan de Tourstart verscheen, was hij een levende legende. Vijf keer de Tour gewonnen, dat had voor hem nog niemand gedaan. In 1965 had hij één jaar gepast, maar nu stond hij er weer, op een parcours dat hem ‘op het lijf geschreven’ was. Dat betekent: weinig cols, en als er toch waren, redelijk ver van de aankomst. Anquetil was bepaald geen man van de Pyreneeën. In zijn gloriejaren had hij één fameuze inzinking, op de niet eens zo steile maar wel eindeloze klim van Envalira. Het was in de Tour van 1964 de eerste klim vlak na de start, en de beste renner van het peloton kon gewoon niet mee met een peloton in wandeltempo. Zijn Nederlandse helper Huib Zilverberg liet zich vlug uitzakken en sleurde zijn kopman bij een peloton, waar men aarzelde van die inzinking te profiteren. Maar de Pyreneeën bleven zijn zwarte beest. Bij zijn rentrée in 1966, werd de eerste bergrit verreden van Bayonne naar Pau, met onderweg één col, weliswaar de verraderlijke Aubisque. Tommaso de Pra won voor een paar verspreide groepjes, Anquetil eindigde in een peloton op 9.18. In Pau wist ineens iedereen dat de era-Anquetil voorgoed voorbij was. Na één Pyreneeëncol.In 1991 lijkt het alsof Greg LeMond zijn vierde Tourzege haalt, net zo zuinig als in 1990, toen hij zijn derde Tour won zonder in één rit de winnaar te zijn. In 1991 lijkt het wéér die saaie kant op te gaan. LeMond, een specialist van de chrono, wint zelfs de eerste grote tijdrit niet. De beloftevolle jonge Spanjaard genaamd Miguel Indurain is hem tussen en Argentan en Alençon acht seconden te snel af. Samen rijden ze de rest van het veld op redelijk grote achterstand. LeMond pakt wel het geel. Hij heeft zelfs een comfortabele voorsprong van 1.13 op de nummer twee in de stand, Erik Breukink.Met die leiderstrui om de schouders gaat hij de Pyreneeën niet, en eigenlijk gaan de meeste waarnemers er van uit ‘dat het hem wel weer zal lukken’. Het mislukt, en hoe. In de eerste Pyreneeënrit, Pau-Jaca, over niet eens zo bekende cols als de Soudet, de Ichère en Somport. Zeker de Soudet was zo’n smerige Pyreneeëncol. Jonge, enthousiaste aanvallers als Charly Mottet, Pascal Richard, Luc Leblanc, Maurizio Fondriest en Andy Hampsten verrasten LeMond en de andere grote namen compleet: zij verloren meer dan zes minuten. De almachige LeMond werd uit het geel gereden door een renner genaamd Luc Leblanc. Met die naam had hij een dakwerker kunnen zijn.De grote, rustige Spanjaard Indurain sloot een bondgenootschap met de kleine, felle Italiaan Claudio Chiapucci. Chiapucci won de rit en de bollentrui, Indurain greep het geel. De dag erna werd de vernedering van de Amerikaan compleet. De rit Jaca-Val Louron ging over de klassieke Pyreneeëncols, met onder meer Aubisque, Tourmalet en Aspin. LeMond eindigde die rit als negende, maar had wel... 7.18 achterstand. De wissel van de generatie was voltrokken, een machtsgreep ook in de hiërarchie van de Tour. Twee Pyreneeënritten maakten duidelijk dat de jaren tachtig ook in het peloton voorbij waren: een nieuw decennium was aangebroken.

Tranen om Indurain

De ironie van de geschiedenis wil dat Miguel Indurain in 1996 zelf zijn eigen einde meemaakte in dezelfde Pyreneeën. Hij had wel al in de Alpen pluimen gelaten, maar de hele wielerwereld wachtte vol spanning of hij in ‘zijn’ gebergte de zaken recht zou zetten. Het omgekeerde gebeurde. Bjarne Riis bevestigde zijn superstatus eerst in Hautacam, en de dag nadien, uitgerekend in de Pyreneeënrit met aankomst in Indurains thuisstad Pamplona, liep het helemaal fout. Indurain kwam de Col de Larrau amper over. Met een achterstand van 8.30 deed hij op zijn beurt troonsafstand aan Bjarne Riis. De afgang na twee Pyreneeënritten was zo totaal, zo vernederend verlopen, dat Bjarne Riis zich zichtbaar schaamde op het podium. Hij riep Indurain erbij, bewees hem eer en respect, en het Spaanse publiek kreeg tranen in de ogen.Riis zelf zou amper één jaar heersen. Dat werd al duidelijk in, jawel, de inleidende Pyreneeënritten. De eerste bergrit kon Riis nog de schijn ophouden dat hij meedeed voor de zege, naar Arcalis reed zijn ontketende jonge ploegmaat Jan Ullrich hem op 3.23. Zo kort had diens rijk geduurd, zo ongenadig hard ging het ook in de laatste editie voor de ‘epo-Tour’ van 1998.Het is helemaal niet zeker of dat lot ook Lance Armstrong beschoren is, of een andere Tourfavoriet. Maar de knoesten van de Pyreneeën onderschatten, ook al liggen ze al in de eerste week van de Tour de France, was nooit een goede optie. Als zondag op de Tourmalet met open vizier gevochten wordt, ook al ligt die zeventig kilometer van de streep, kan alles gebeuren. Als. Kan. Want de renners moeten willen, en kunnen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234