Donderdag 30/06/2022

‘Salafisten zijn een sekte: jongeren raken er bijna niet meer uit’

Even was ook voor hem de verleiding groot. Bidden in plaats van drugs dealen op straat; de geborgenheid van een eigen groep in plaats van de kilte en de discriminatie in Parijs; misschien zelfs ooit naar het Midden-Oosten om daar helemaal op te gaan in de islam. Voor een negentienjarige jongen van Algerijnse afkomst, zonder opleiding, zonder job, zonder toekomstperspectieven was de keuze snel gemaakt. Zijn ouders hadden het te druk met de kleintjes in de familie om zich ook nog eens om hun oudste zoon te bekommeren. Zes jaar geleden hing Hamza, toen achttien jaar, vaak rond het groepje van Farid Benyettou. Deze zelfuitgeroepen imam probeerde hen te overtuigen zich te bekeren tot een radicale versie van de islam. Urenlang bidden, geen jeans en T-shirt maar ruime broeken en hemden, geen contact meer met ongelovigen. Hamza, die niet met zijn echte naam in de krant wil omdat hij voorgoed heeft gebroken met dat verleden, liet zelfs zijn baard groeien. “Mijn moeder lachte mij vierkant uit”, vertelt de jongen. We staan buiten aan een snackbar in de wijk Riquet, in het 19de arrondissement, in het noordwesten van Parijs. Hamza steekt zijn derde sigaret op in een uur tijd. “Maar ik wilde er doodgraag bijhoren.”Maar er echt bijhoren deed Hamza nooit. Hij bleef een wannabe. Zijn vriend Peter behoorde tot de intiemste kringen rond Benyettou, hijzelf cirkelde er wat rond. “Ik vond het allemaal erg boeiend, tot de dag dat hij over jihad en de strijd in Irak begon te spreken. Farid vertelde vaak over Abu Ghraib en het mishandelen van moslims. Volgens hem droeg de Koran ons op om in Irak te gaan vechten, om de moslims daar te steunen. Toen heb ik afgehaakt. Het voelde gewoon niet goed aan. Van thuis uit heb ik geleerd dat de islam een vreedzame godsdienst is. Goed doen voor de mensen, de armen en zwakken in de maatschappij helpen, die dingen. Bidden en overtuigen pasten daarbij, geweld niet.” Hamza haalt diep adem. “Een geluk”, zegt hij. “Anders zat ik nu misschien ook in de cel. Of was ik doodgeschoten in Irak.” Het nieuws sloeg in 2005 als een bom in bij de inwoners van het 19de arrondissement van de Franse hoofdstad: een groep jongeren, die deel uitmaakte van een netwerk om strijders naar Irak te sturen, was opgepakt. Spilfiguur van de bende was de tot dan onbekende Farid Benyettou, een jongeman van amper 22 jaar. Twee leden van de groep werden gearresteerd toen ze op het punt stonden naar Syrië te vliegen en van daaruit naar Irak te vertrekken. Een ander lid was gewond geraakt tijdens de slag om Falluja, in 2004, en zopas uitgeleverd aan Frankrijk. Nog twee anderen waren gevangen genomen in Irak. Benyettou zou in totaal een vijftigtal jongeren hebben geïndoctrineerd. Alle jongens waren afkomstig uit het 19de arrondissement. Christophe Adji-Ahoudian verslikte zich in zijn koffie toen hij de ochtendkranten voor zich kreeg. Als schepen voor Jeugd kende hij de jongeren van zijn streek. “Tenminste, dat dacht ik”, zegt de man op zijn kantoor in het gemeentehuis. “Maar blijkbaar hadden we geen zicht op alles. Ik was verbijsterd dat het net hier, in dit arrondissement gebeurde. Als je de kranten las, leek het alsof we hier in een banlieue woonden; een buurt met vervallen flatgebouwen, hangjongeren, baardmannen en gesluierde vrouwen op straat.”Dat is nu net wat het 19de arrondissement niet is. Zelden zie je hier vrouwen volledig gesluierd rondlopen; zelfs meisjes met hoofddoeken zijn een zeldzaamheid op straat. De buurt is net erg kosmopoliet, met hier een Marokkaanse bakker, wat verder een Chinees restaurant en nog verder een Turkse pitazaak en een Afrikaanse kapper. Libanezen en Grieken, Joden en moslims, ze leven hier allemaal door elkaar. “Natuurlijk zijn er problemen”, zegt Ahoudian. “Zoals overal. Maar een extremistische moslimgemeenschap? Neen, die hebben we niet. Er is in het hele arrondissement zelfs maar één moskee, en die wordt op dit moment gerenoveerd.”Maar het was niet in die moskee, de Ad Dawa in de Rue Tanger, dat Farid Benyettou zijn volgelingen toesprak. De imam daar, die bekendstaat om zijn ijver om het begrip tussen godsdiensten te verbeteren, had hem zelfs verbannen uit zijn gebedshuis. Neen, de jonge geestelijke leider hield ontmoetingen in zijn eigen flatje of een achterafzaaltje in de wijk Riquet. Tijdens huiszoekingen zou de politie er later meer dan duizend boeken en dossiers vinden en bijna evenveel cassettes met religieuze boodschappen. Benyettou bleek veel te lezen rond jihad, het martelaarschap en zelfmoordaanslagen. Hij was dan wel jong, maar hij had familieleden die ‘in het milieu’ zaten. Met name zijn schoonbroer, Yousef Zemmouri, die een leider was van de Algerijnse Groupe Salafiste pour la Prédication et le Combat (GSPC) en in 1998 werd gedeporteerd uit Frankrijk voor zijn betrokkenheid bij een mislukte aanslag tijdens de Wereldbeker in het land. Farid Benyettou was gewiekst: hij verklaarde later zelf nooit een jihad te hebben overwogen. Hij probeerde zich eruit te praten door te zeggen dat de jongeren net naar hèm kwamen met hun radicaal discours. Maar de groepsleden getuigden dat ze zich voor hun vertrek naar Irak afzonderden bij Benyettou. Hij praatte hun laatste angsten weg en bad samen met hen de laatste gebeden.

‘Verlichte moslima’

Voor antropologe Dounia Bouzar was het plaatje al van meet af aan duidelijk. “Het patroon van Benyettou is door en door typisch voor een salafistenleider: de afscheiding van de rest van de gemeenschap, de pogingen om zijn volgelingen te overtuigen dat hij de enige juiste visie heeft, de manipulatie”, somt de antropologe van Frans-Algerijnse origine op. “Het is eigenlijk net zoals in een sekte. De jongeren komen zodanig in de ban van een leider dat ze de rest van de wereld niet meer zien en overtuigd zijn van hun eigen gelijk. Ze zijn zo gehersenspoeld dat ze enkel nog functioneren in die groep.” Dounia Bouzar is een bekende experte op het gebied van radicalisering en moslims in Frankrijk. In de boeken die ze over het onderwerp schreef, waarschuwt ze al jaren voor de groei van een groep uiterst radicale moslims. Een zeer kleine minderheid daarvan was bereid geweld te gebruiken, maar nog meer zorgen maakte ze zich over de anderen: die waren zo geradicaliseerd dat ze niets meer te maken wilden hebben met de Franse maatschappij. Met haar discours schopte ze vaak tegen de schenen van de Franse regering én van de moslimgemeenschap. In 2003 werd ze een van de twee enige vrouwen in de raad van de Conseil Français du Culte Musulman (CFCM), een staatsorgaan dat de islam vertegenwoordigt in Frankrijk. Ze kwam echter in botsing met de instelling omdat zij wilde afwijken van wat zij de “verheven theologische debatten” noemde en meer aandacht wilde voor de dagelijkse besognes van Frankrijks 5 miljoen moslims. Racisme en gettovorming, bijvoorbeeld. Of: halal eten in refters. En ook: de onderdrukking van moslimvrouwen. Bouzar nam ontslag uit de CFCM en werd onmiddellijk omarmd door de niet-religieuze Franse gemeenschap die in haar een vertegenwoordigster zag van de ‘verlichte moslima’s’ die zich in 2004 schaarden achter een hoofddoekenverbod op scholen en in openbare functies. Maar de antropologe veroordeelde die wet scherp, net zoals ze moslimleiders had beschimpt die vrouwen probeerden wijs te maken dat de Koran een sluier verplicht maakte. Een moslim kan perfect een goede gelovige zijn en een Franse burger, zolang de godsdienst in de privésfeer blijft, is de stelling van Bouzar. Het tijdschrift Time riep haar voor die standpunten uit tot een van de Europese helden van 2005, mensen die dat jaar het verschil maakten in Europa. Bouzar ziet al jaren bezorgd toe hoe het salafisme zijn tentakels spreidt over Frankrijk. “Vroeger luisterden jongeren niet naar die mannen met baarden die hen de hemel beloofden als ze ieder contact met ongelovigen afzwoeren. Dat is veranderd.”Hoeveel van de vijf miljoen moslims in Frankrijk tot de uiterst radicale salafistische beweging horen, is moeilijk te zeggen. De vage schattingen van de inlichtingendienst Direction Centrale des Renseignements Généraux (DCRG) houden het op een 5 à 6.000, alleen al in Ile-de-France, de regio waarin Parijs ligt. In totaal zou de beweging 15 van de 150 moskeeën, die al als radicaal worden omschreven, controleren. Het is niet enkel in de moskeeën dat de kiem wordt gelegd, beklemtoont Bouzar. “Het internet speelt uiteraard een erg belangrijke rol, maar evengoed gebeurt de radicalisering thuis bij geestelijken. Het individu wordt onttrokken aan alles wat doorgaans de socialisatie verzekert: de school, de ouders, het werk, de vriendenkring. Wat overblijft is een jongere die murw is geïndoctrineerd en volledig kan worden gemanipuleerd in kleine groepjes waar ze de ‘echte’ islam beleven. Daar wordt het individu ondergeschikt gemaakt aan de groep, wordt een wij-tegen-de-wereld-gevoel gecreëerd.”Het was inderdaad wij tegen de wereld, vertelt Hamza, de jongeman die even rondhing met Farid Benyettou. “Benyettou zag er potsierlijk uit: een tulband over zijn lange haar, een enorme bril en een lange mantel. Maar het werkte. Er daagden steeds meer jongeren op om hem te horen spreken. Toen ik het groepje verliet, waren er altijd een dertigtal aanwezig.”Een van hen was een vriend van Hamza, Peter Cherif. Zoon van een Afrikaans-Caribische vader en een Tunesische moeder. Hield van McDonald’s en rapmuziek. Nooit erg godsdienstig geweest en zelfs al jaren een relatie met een halfjoods meisje. Maar die relatie duurde niet lang. Cherif moest seksueel contact met zijn vriendin afzweren van Benyettou. Hij moest urenlang bidden, ook ’s nachts, en begon zich net als de andere jongens uit de groep te kleden in lange hemden en te korte broeken, het kenmerk van de ultraorthodoxe salafisten. De ouders zagen hun zoons veranderen: de jongens werden kalmer, hingen nog zelden rond op straat, stopten met roken. Wat de families niet wisten, was dat ze ’s avonds op extremistische sites surften waarop de taliban werden verheerlijkt en werd gezworen de inval in Irak te wreken. In radicaal-islamitische kringen werd de groep echter al snel bekend. Ze waren aanwezig op iedere anti-Irakbetoging in Frankrijk. En ook lieten ze zich elke keer zien tijdens de protesten tegen het verbod op hoofddoeken in Franse scholen, dat in 2004 van kracht werd. Daar verbijsterden ze anderen toen op het einde van de betoging Benyettou plots zijn groepje achter zich schaarde en opriep tot het gebed. Achter hem knielden zijn ‘volgelingen’ neer.

Oorlogstraining in het park

In tegenstelling tot Hamza vond de jihadistische boodschap van Benyettou om te gaan strijden in Irak, wel gehoor bij Peter Cherif en anderen in de groep. Ergens begin 2004 werd beslist de reis niet al te lang meer uit te stellen. Maar jongens uit de Parijse binnenstad kennen vaak niets van oorlogssituaties. Cherif, die ooit in het Franse leger had gezeten, was de enige die militaire training had genoten in de groep en stelde voor om iedereen voor te bereiden. Hij downloadde handleidingen voor kalasjnikovs van het internet, gaf informatie over raketlanceerders en legde uit hoe een bloedende wonde het best kon worden gestelpt. Hamza, half glimlachend: “Op een dag zag ik hen intensief joggen in het park van Buttes Chaumont. Ze deden van die oefeningen die je ook ziet in militaire trainingskampen. Over de grond onder een draad kruipen, in bomen klimmen, over hindernissen springen. Ik vond het aandoenlijk, maar heb er niets van gezegd. Ik had hen verlaten, niemand zou naar mij geluisterd hebben.”Tegen die tijd, in het voorjaar van 2004, had Hamza al bijna geen contact meer met Peter Cherif. Uit artikels in de Franse pers blijkt dat Cherif in mei 2004 tegen zijn moeder zei dat hij naar Syrië ging om zich daar te verdiepen in de Koran. Daarna was het maandenlang stil. In december volgt nog een telefoontje: hij zat in Irak, in Falluja meer bepaald, verwikkeld in een intense strijd tegen de Amerikaanse troepen. Niet veel later kwam het nieuws dat hij er gearresteerd was. De missie van Farid Benyettou, de jonge goeroe, mislukte jammerlijk. In het voorjaar van 2008 werd hij veroordeeld tot zes jaar cel. Andere bendeleden kregen tussen de 18 maanden en zeven jaar. Drie jongens stierven in Irak, in volle strijd tegen de Amerikanen. Peter Cherif, die in Falluja gevangen werd genomen, werd aanvankelijk opgesloten in de beruchte gevangenis van Abu Ghraib. Later werd hij tot vijftien jaar cel veroordeeld. Het laatste wat Hamza over hem hoorde, was dat hij vorig jaar kon ontsnappen en Inmiddels terug in Frankrijk is en zijn proces afwacht. “Ik hoop dat hij intussen wat verstand heeft bijgekregen”, zegt Hamza.Lang niet alle geradicaliseerde jongeren volgen het parcours van Peter Cherif. Dounia Bouzar: “Gelukkig zijn gewelddadige of jihadistische salafisten een heel erg kleine minderheid. Het overgrote deel van extreem geradicaliseerde jongeren trekt zich gewoon terug uit de maatschappij.” (windt zich op) “Maar dat is daarom niet minder erg. Deze jongeren missen kansen, zullen zich nooit integreren in de Franse gemeenschap én ze beïnvloeden andere moslimjongeren.” Eens in het milieu is het erg moeilijk de jongeren eruit te halen. Alleen al in contact treden met hen is onbegonnen werk. Dounia Bouzar: “Ik heb niet zo lang geleden meegewerkt aan een onderzoek samen met leerkrachten, psychologen en imams. Drie jaar lang hebben we die jongeren, die langzaam in de ban geraakten van een of andere goeroe, gevolgd. Maar al snel beseften we dat het vergeefse moeite was om die jongeren uit dat milieu te proberen te halen. Zelfs imams hadden geen invloed meer op hen, omdat deze jongeren niet op zoek waren naar een verdieping van hun geloof, maar naar almacht. De enige manier om het misschien terug in de werkelijkheid te halen, was opnieuw herinneringen aan hun kindertijd opwekken en hen opnieuw zelf te doen nadenken. Net zoals dat gebeurt bij slachtoffers van sekten. Maar vaak toont de realiteit dat een jongere pas met een schok terugkeert naar de echte wereld als de goeroe een fout heeft gemaakt.” Dounia Bouzar is even stil. Dan, zachtjes: “In die drie jaar is het niet gelukt om ook maar een jongere uit dat milieu te halen. Het experiment werd een grote mislukking.”

Bidden op straat

Zijn er in het 19de arrondissement van Parijs, waar Farid Benyettou opereerde, geen duidelijke tekenen van een diepgelovige moslimgemeenschap te bespeuren, dan is dat in het naburige 18de net het tegendeel. Stap uit aan metrostation Barbès en het verschil wordt onmiddellijk duidelijk. Gesluierde vrouwen graaien in de rekken van warenhuis Tati, mannen met baarden slenteren rond in de straten. Het is vrijdagmiddag en in de moskeeën van de Rue Polonceau en de Rue Myrha, twee straten die vlak naast elkaar liggen, worden de voorbereidingen gelegd voor het vrijdaggebed. De straten zijn afgesloten voor het autoverkeer, maar na een kwartier is het ook voor voetgangers moeilijk doorlopen. Er worden tapijten gelegd op de grond en groepjes mannen dagen op. Het matje dat ze onder de arm geklemd hielden, wordt neergelegd. Al snel liggen er rijen en rijen kussens, matjes en dikke tapijtjes buiten op de straat en het trottoir. Met honderden zijn ze nu, de schoenen uit en netjes aan de kant. Afrikanen, Maghrebijnen, Turken, Pakistanen. Velen in traditionele kledij en enkel mannen. Wanneer de imam aan het gebed begint, knielen ze neer. “De moskeeën zijn niet groot genoeg”, zegt Majid later. De jongeman heeft zijn gebed achter de rug en probeert de vreemde situatie te verklaren: honderden mannen die midden op straat bidden in een land dat geen moslimland is. “We hebben de gemeente herhaaldelijk gevraagd om een grotere gebedsruimte, maar daar is voorlopig niets van in huis gekomen. Wat moeten we anders doen?” Thuis bidden misschien, opperen we voorzichtig. “Dat is geen optie. Wij moslims moeten zeker op vrijdag in een moskee bidden.” Een gloednieuwe, grote moskee is in aanbouw op een steenworp van de buurt, maar het is nog wachten tot 2012 voor de deuren daarvan opengaan. De bewoners van de rue Polonceau en de rue Myrha zijn het al jaren grondig beu. “Ik moet hier iedere vrijdag alle blikken trotseren als ik ’s middags thuis kom eten”, zegt Malika, een 22-jarige vrouw. Ze noemt zichzelf moslim, draagt geen hoofddoek en heeft vandaag een strak, zwart pakje aan. “Ik heb genoeg van de overlast. Natuurlijk heeft iedereen het recht om te bidden, maar niet als je anderen daarmee lastig valt.” Het is niet omdat er honderden mensen buiten staan te bidden, dat de twee moskeeën in het 18de arrondissement radicaal zijn, laat staan salafistisch, zegt antropologe Dounia Bouzar. “Het probleem in Frankrijk is dat het etiket van extremisme heel snel wordt gekleefd op degenen die hun godsdienst op een openlijke manier belijden. De normale moslims, die geen hoofddoek dragen en niet iedere dag bidden, noemen ze hier gematigde moslims. De anderen zijn de fundamentalisten. Ik gruw van die uitdrukking want ook ik, als zogenaamde gematigde moslim, respecteer de islam tot in zijn fundamenten.”Frankrijk heeft zelf grote schuld aan de groei van het radicalisme en vooral het salafisme op eigen bodem, zegt Bouzar. “De regering is bijzonder laks geweest tegenover het fenomeen. Salafisten hebben geen politieke eisen. Ze willen met rust gelaten worden in hun wereldje en ze worden ook met rust gelaten. Kinderen die niet meemogen op vakantie? Niet erg. Vrouwen die in huis worden opgesloten? Geen haan die ernaar kraait. Herinner je je nog de imam Abdelkader Bouziane uit Vénissieux, die in een interview geweld op vrouwen en polygamie goedkeurde? Het was enkele jaren geleden in heel de wereld groot nieuws. Wel, later bleek dat die man verschillende keren door de douane mocht passeren met telkens een andere vrouw.”Praten over religie is een groot taboe in Frankrijk, zegt Bouzar. “Men is bang om voor racist uitgemaakt te worden, islamofoob genoemd te worden. Onverdraagzaamheid wordt gewoon gedoogd. En net dat helpt de salafisten om zich te vermenigvuldigen. Op mijn voormalig werk mocht een salafist gewoon een poster van de muur scheuren omdat er een schaars geklede vrouw op stond. ‘Dat mag niet van mijn godsdienst’, zei ie. En niemand protesteerde.”Daarnaast is er in Frankrijk ook de angst om in het antiseculiere hokje geplaatst te worden. “Daarom ook gaat men discussies over de rol van de islam in de maatschappij grotendeels uit de weg.” Die onwetendheid en die onwil zorgen voor kromme redeneringen. Zoals een jaar geleden nog, toen de Raad van State de Franse nationaliteit weigerde aan een Marokkaanse vrouw omdat zij de niqab droeg, het zwarte kledingstuk dat alles verhult behalve de ogen. “Ik ging daarmee akkoord”, zegt Bouzar. “Maar de argumentatie voor de weigering was verkeerd. De Raad van State oordeelde dat de vrouw “haar godsdienst te letterlijk en te radicaal” naleefde. Wat een onzin; alsof iedere moslimvrouw die geen niqab draagt, haar godsdienst maar halfslachtig beleeft. Neen, de Raad van State had duidelijk moeten stellen dat deze vrouw met haar niqab inging tegen iedere vorm van integratie in de Franse maatschappij.”

Volgende week deel 4: Londen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234