Woensdag 19/01/2022

SARAJEVO De feniks die uit zijn as herrees

Meer dan 1.400 dagen lang werd Sarajevo in de Bosnische oorlog (1992-1995) belegerd en in puin geschoten door het Joegoslavische leger en troepen van de Republika Srpska. Bijna 12.000 mensen, onder wie ongeveer 2.000 kinderen, verloren er het leven. Maar de oude cultuurmetropool in de Balkan is een nieuw leven begonnen. Het vreedzame leger van internationale toeristen wordt steeds groter en wordt met open armen ontvangen. Van oorlogsgebied naar toeristische trekpleister: het is in deze stad geen illusie maar dagelijkse werkelijkheid. Dobrodosli u Sarajevo, welkom in Sarajevo!

De Hongaarse grenswachters doen vervelend als ik via hun grensovergang Röske naar het Servische Horgos rij. Ze vinden het blijkbaar maar niks dat iemand naar Servië wil. Dat ik zelfs naar de Republika Srpska in Bosnië-Herzegovina wil, hou ik wijselijk voor mezelf.

Mijn EU-paspoort belet geen penetrante vragen over sigaretten en alcohol. Ik leg de Hongaar uit dat ik als niet-roker met sigaretten niets kan aanvangen. Dat hij zelf naar drank ruikt, slik ik maar in. Ik moet in opdracht naar Sarajevo en probeer net zo beleefd te zijn opdat die macho in uniform mij dat niet zal beletten.

Via stukken van de oude autoput rij ik zuidwaarts. Die autoput is een relikwie uit een ver verleden. In het Servisch betekent het woord gewoon autoweg, maar het was de eerste bijna echte autostrade die dwars door het oude Joegoslavië liep. Het was een van de meest beruchte in Europa, met bijnamen als ‘dodenweg’, ‘filemonster’ en ‘gastarbeidersroute’. Dat kwam alvast dichter bij de waarheid dan de naam die Tito aan die verkeersverschrikking gaf: autoput bratstvo i jedinstvo of straat van broederlijkheid en eenheid. Tijdens de Balkanoorlogen durfde niemand de weg nog te gebruiken, maar voordien was hij decennialang de enige route die Joegoslavische, Griekse en Turkse ‘gastarbeiders’ uit westelijk Europa namen om in kolonnes naar huis te rijden.

Afdalen naar Sarajevo dus. De Drinarivier oversteken, die bij Mali Zvornik en Kurakaj de grens vormt tussen Servië en Bosnië-Herzegovina. Ik zie Servische auto’s die nog met het YU-kenteken van het oude Joegoslavië rondrijden. Nostalgie naar iets dat niet meer bestaat, maar bij velen nog altijd diep zit. Nog wat bergpassen over en dan ligt het daar ineens, het juweel aan de oevers van de Miljacka.

Beneden in de vallei spreidt Sarajevo zich uit, aan de voet van de vijf bergen die de stad omgeven en uitstekende schilden vormden voor Servische kanonnen, die lukraak hun moordende lading afschoten. Van op de Bjelasnica, de Treskavica, de Trebevic en de Jahorina is de stad onophoudelijk bestookt, vier jaar lang. Ooit werden op één dag meer dan 3.700 inslagen geteld. Alleen op de berg Igman stond geen geschut.

Traagjes binnenrijden, want er kan altijd een overijverige flik staan die wat deviezen wil. Ik stel vast dat Sarajevo gejumeleerd is met liefst dertig steden in Europa en elders in de wereld. Er is géén Belgische bij. Wel is er een stedenband met het Canadese Calgary, dat in 1988, vier jaar na Sarajevo, de Olympische Winterspelen organiseerde, en natuurlijk met het Amerikaanse Dayton, waar in 1995 de akkoorden getekend zijn die vrede voor Sarajevo brachten. De stad is nog altijd trots op zijn olympische status, al is het al van 1984 geleden dat die Winterspelen er plaats hadden. ‘Sarajevo 1984: olympische stad. Sarajevo 1992-1995: belegerde stad’: het valt vandaag nog te horen en te lezen.

Als het van burgemeester Alija Behmen afhangt, blijft de olympische gedachte “die in essentie een vredesboodschap is” voor eeuwig met Sarajevo verbonden. Hij is maar wat fier dat het olympische zwembad en andere oude sportinstallaties zijn heropgebouwd. "Er mag in mijn stad geen kind zijn dat niet kan zwemmen, dat is een streefdoel”, zegt Behmen. “Dit bad is gratis toegankelijk voor iedereen, van alle etnische groepen, en zeker voor kinderen. Maar dat is niet genoeg voor mij, ik wil Olympische Winterspelen voor jongeren in mijn stad. Jongeren uit de hele wereld moeten naar de vredesstad Sarajevo komen, dat is mijn droom.”

Sarajevo zet, om deze slag thuis te halen, zwaar geschut in. Het Internationaal Olympisch Comité (IOC) wordt zachtjes gesolliciteerd om nog eens iets voor Sarajevo te doen. Voormalig IOC-voorzitter Juan Antonio Samaranch is tot ereburger van de stad benoemd, het olympisch sportpaviljoen Zetra is met de hulp van het IOC herrezen en draagt nu, na een beslissing van het stadsbestuur, de naam van Samaranch. Wie anders dan de huidige IOC-voorzitter, de Belg Jacques Rogge, zal er kunnen voor zorgen dat “jongeren uit de hele wereld naar Sarajevo zullen komen”?

De puinhoop Sarajevo is opnieuw een aantrekkelijke stad geworden.Trams rijden weer gewoon door Sniper Alley (Snaiperska aleja), de brede boulevard waar de Servische sluipschutters op de daken zaten en op alles schoten wat bewoog. Namaakproducten uit het Verre Oosten ontbreken hier evenmin als in elke Europese stad en verkopers van West-Europese auto’s staan druk te doen in hun splinternieuwe glittershowrooms.

De Markalemarkt is weer een heel gewone inkoopplaats waar alleen het gedenkteken nog herinnert aan de 67 doden in één klap op 5 februari 1994, toen een zware Servische raket tussen het fruit en de groenten terechtkwam. Waar ooit granaattrechters waren, zijn nu terrassen, en die zitten afgeladen vol. Overal splinternieuwe shopping malls,Bosanska Kafana (koffiehuizen) à volonté, internetcafés op elke straathoek. Meer en meer jongeren zitten met hun laptop in het park. Buitenlandse tv-zenders staan overal aan en op pleintjes staan meisjes folders uit te delen om Engelse lessen te volgen. Engels is de vreemde voertaal voor de jongeren, de ouderen zijn er nog wat onwennig mee, maar de opmars van het Angelsaksische idioom is niet meer te stuiten.

Banken en verzekeringstrusts hebben hier, zoals bij ons, de protserigste kantoorgebouwen en westerse kledingzaken, parfumeries en gsm-winkels zijn even opdringerig aanwezig als in Brussel. Talrijke galeries lonken in de smalle straatjes naar de buitenlandse koper. Biermerken uit onze contreien proberen elkaar de loef af te steken. Dat ene Hollandse uit het groene flesje en het limonadeglaasje is door barnumreclame zelfs alomtegenwoordig in het stadsbeeld. Gelukkig is Sarajevsko pivo een volwaardig en veel beter alternatief. Net zoals Bosnische wijn best drinkbaar is én goedkoper, maar jong Sarajevo wil liever wat Italiaans of Frans is.

De oorlog is nog wel aanwezig, maar je moet er echt op letten. Kogelgaten en granaatinslagen op gevels zijn er nog, kapotte huizen waar het onkruid uit de dakgoot groeit ook, en dat nog altijd zo'n 7.000 mensen in “tijdelijke vluchtelingenkampen” verblijven wil men liever niet weten. Twee miljoen boeken werden in de bibliotheek in het Oude Stadhuis in brand gestoken en zijn voor eeuwig verloren, maar er zijn inmiddels nieuwe bibliotheken, en boekenwinkels schieten als paddenstoelen uit de grond.

In ulica Ferhadija, de winkelwandelstraat bij uitstek, verdringen de mensen elkaar voor de etalages en binnen is de meest gehoorde uitdrukking Uredu uzecu: ‘Oké, ik koop het’. Idem dito voor de nabije Maarschalk Titolaan, waar aan sommige winkels files staan en zeker niet omdat er schaarste zou zijn. Uredu uzecu, ondanks het feit dat een maandinkomen van 350 euro hier als hoog wordt bestempeld.

De Bascarsija, de oude Turks bazaar, wordt overrompeld door eigen volk én toeristen. Er is altijd wel iets te vinden dat een mens niet nodig heeft en toch koopt. Aan de Sebiljfontein op het pleintje met de honderden duiven wil iedereen op de foto en op deLatinska Cuprija (Latijnse brug) wil ook iedereen poseren.

De oorlog is nergens een gespreksthema voor wie hem heeft meegemaakt en overleefd. Het is een verdrongen herinnering, die Sarajevo niet meer in de weg zal staan om naar een mooie toekomst te stappen. Ja, op de Latinska Cuprija wordt natuurlijk wel nog over oorlog gesproken, maar over die andere, die veel verder in het verleden ligt. Hier vermoordde de Servische anarchist Gavrilo Princip op 28 juni 1914 de Oostenrijkse kroonprins Franz Ferdinand. Sarajevo werd zo op slag wereldberoemd als bakermat van de Eerste Wereldoorlog.

Het museum dat aan de moord van Princip is gewijd is er nog, maar de plaket aan de brug waar hij als een Servische volksheld werd herdacht is inmiddels weggenomen. Sinds 1914 is de naam Sarajevo synoniem van ‘oorlog’ en dat is sinds de periode 1992-1995 in het buitenland alleen nog erger geworden. Maar de burgers van Sarajevo willen af van dit kwalijke imago en werken daar dag en nacht aan. Mir is de toekomst zeggen ze, vrede.

Als iemand de stad veroverd heeft, is het niet het Servische leger, maar zijn het de toeristen.

Morgen in deel 3: Libanon, land van oorlog, maar ook van luxe

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234