Zondag 02/10/2022

Schrijfster Lieve Joris ziet dat het land zichzelf al aan het opwerken is

Congo leert momenteel heel harde lessen

Terughoudend. Dat zou Lieve Joris het liefst zijn als er in Congo weer eens een crisis losbarst. Ze is op haar hoede voor te snelle uitspraken en onbesuisde analyses. Tegelijk is ze soms verontwaardigd over hoe dezer dagen naar dat land gekeken wordt. 'Als je Congo van ver bekijkt, heb je de neiging om te zeggen: er verandert nooit iets, het is daar hopeloos. Misschien ben ik geduldiger geworden en heb ik me erbij neergelegd dat ik de grote veranderingen in Congo niet meer zelf zal meemaken. Maar het land verandert wel degelijk.'

Door Koen Vidal / foto filip claus

'We zitten met een probleem", zegt Lieve Joris wanneer ze de koffie op tafel zet. "Ik ben geen politieke expert over Congo. Ik heb dan ook altijd een zekere terughoudendheid om de actualiteit daar te becommentariëren. Zeker omdat ik al een tijdje niet meer op het terrein was." Die uitspraak wekt enige verbazing bij de interviewer over de schroom van een gerespecteerde auteur die vier boeken over Congo schreef en verschillende jaren doorbracht in het land. Ook tijdens het gesprek blijkt dat Lieve Joris één van de weinigen is die echt naar de diepte van Congo en het huidige conflict in Noord-Kivu durft te gaan. Maar toch heeft ze gelijk. Ze is geen politieke expert en wil dat ook niet worden. Ze is schrijfster. De vragen die haar worden gesteld zou ze het liefst beantwoorden door haar drie jongste Congoboeken richting journalist te schuiven: Dans van de luipaard, Het uur van de rebellen en het net verschenen De hoogvlaktes.

Bovendien is ze afscheid aan het nemen van Congo. "Eigenlijk had ik al in Azië moeten zitten. Maar omdat De hoogvlaktes net uit is, blijf ik nog even met Congo bezig - om voor het boek te zorgen. Congo zal altijd een deel van mijn leven blijven. Momenteel zit ik nog met mijn voeten in de Congolese modder vast, maar langzamerhand merk ik dat ze lichter aan het worden zijn."

Toch heeft Joris al een beeld klaar wanneer ik haar vraag wat ze over de huidige gevechten in Noord-Kivu denkt. "De afgelopen weken moet ik almaar denken aan een Congolees liedje uit het begin van de jaren 2000. 'We draaien in het rond', gaat de tekst, 'we draaien om de rotonde heen en komen altijd op hetzelfde punt terecht.' Die tekst leunt naar mijn gevoel dicht aan bij de realiteit. De geschiedenis herhaalt zich. Wat zich nu rondom Goma afspeelt, doet me denken aan het beleg van Bukavu in 2004. (In juni 2004 viel Laurent Nkunda Bukavu binnen, de provinciehoofdstad van Zuid-Kivu. Zijn strijders pleegden daarbij oorlogsmisdaden als het executeren van burgers en verkrachten van vrouwen, KoV). Aanvankelijk deden de Verenigde Naties niets, maar uiteindelijk heeft de internationale gemeenschap beslist om Nkunda terug te dringen. In Noord-Kivu speelt zich nu een soortgelijk scenario af. Een echte rotonde: de situatie lijkt er niet op vooruit te gaan."

Toch was er begin 2008 hoop op vrede. In Goma werd het Amanivredesverdrag ondertekend en beloofde Nkunda zijn strijders te ontwapenen. Twee maanden daarvoor hadden Congo en Rwanda het Nairobi-akkoord gesloten, waarbij Kinshasa zich engageerde om het FDLR te ontwapenen, de extremistische Huturebellen waarvan de toplui nog hebben deelgenomen aan de genocide van 1994 en die voor Rwanda een doorn in het oog zijn. Wat is er misgelopen?

"De Congolese president Joseph Kabila is hier deels verantwoordelijk voor. Of misschien moet ik 'Kabila en zijn omgeving' zeggen, want ik weet niet in hoeverre de president al dan niet gegijzeld wordt door mensen die slechte bedoelingen hebben met het land. Als je weet dat de situatie in Oost-Congo bijzonder complex en explosief is, dan probeer je toch vooruit te kijken, dan zet je toch stappen om een nieuwe escalatie te voorkomen. In ieder geval stel je geen daden die een nieuw conflict zouden kunnen uitlokken.

"Dat lijkt helaas wel te gebeuren. Kabila stuurde weliswaar getrainde troepen naar Goma, maar ze kwamen in een onduidelijke situatie terecht. Ze dachten dat ze het Nairobi-akkoord moesten afdwingen door het FDLR te ontwapenen. Maar eenmaal op het terrein bleken ze samen te moeten werken met FDLR-rebellen om de strijders van Nkunda te verslaan. Een betere provocatie om Rwanda bij een oorlog te betrekken bestaat er niet.

"De opdrachten die hogere officieren van het regeringsleger in Goma gaven, waren onduidelijk. Geen wonder dat de meeste regeringssoldaten op de vlucht sloegen bij het eerste offensief van Nkunda. 'Hier doen wij niet aan mee', zullen die jongens gedacht hebben. 'Waarvoor zouden wij moeten sterven? Voor een commandant die ons dubbelzinnige instructies geeft?'

"Ik erger me aan de manier waarop de jongste weken over Congo wordt gepraat. Iedereen lijkt wel schuld te hebben aan de nieuwe oorlog, behalve de Congolezen zelf. Sommigen zeggen dat Rwanda de grote boosdoener is, anderen schuiven de schuld in de schoenen van de blauwhelmen. Weer anderen zeggen dat de internationale gemeenschap alleen geïnteresseerd is in de Congolese grondstoffen. Zelfs jij en ik zijn verantwoordelijk voor de oorlog omdat we een gsm gebruiken waarin coltan zit, een grondstof uit Congo. waar zijn de Congolezen in dit verhaal? Het lijkt wel of zij niets met die oorlog te maken hebben, alsof zijn hun lot definitief uit handen hebben gegeven.

"Gelukkig delen sommige van mijn Congolese vrienden mijn bezorgdheid. Laatste belde ik een vriend die in Goma een kredietbank beheert. Ik vertelde hem dat het van hieruit leek alsof alle Congolezen boos waren op de Verenigde Naties en Rwanda, en vroeg hem of hij dat ook was. 'Neen', zei hij, 'ik ben kwaad op het Congolese leger. Hoe is het mogelijk dat ons herenigde leger er nog steeds niets van bakt? En dat onze commandanten nog altijd samenwerken met het FDLR? Onder één hoedje spelen met de vijanden van onze vijanden, dat is echt met vuur spelen.'"

U hebt rebellenleider Laurent Nkunda meerdere malen ontmoet. Wat voor iemand is hij?

"Hij was commandant van de RCD-rebellen in Kisangani toen ik daar tussen 1999 en 2001 een boek aan het schrijven was. In die periode ontmoette ik hem een aantal keren. Het RCD controleerde op dat moment nog grote delen van Oost-Congo. In 2003 kwam ik hem opnieuw tegen in een internetcafé in Goma. De RCD-rebellen waren net toegetreden tot de overgangsregering: een aantal RCD-leiders was naar de hoofdstad Kinshasa vertrokken om minister of officier in het herenigde leger te worden.

"Nkunda was tot generaal benoemd, maar wou niet vertrekken. 'Ik vertrouw het niet', zei hij me, 'en ik maak me zorgen over de mannen die wel vertrokken zijn. Kinshasa is niet veilig voor hen.' Hij wierp zich op als de verdediger van de Tutsiminderheid in Oost-Congo, die volgens hem extra gevaar liep door het vertrek van de RCD-bazen naar de hoofdstad. Nkunda zat vol wantrouwen, deels vanwege zijn angst vervolgd te worden voor oorlogsmisdaden. In 2002 hadden RCD-rebellen onder zijn commando een bloedbad aangericht in Kisangani; hij was bang dat hij bij zijn aankomst in Kinshasa gearresteerd zou worden. Wie Nkunda wil begrijpen mag dat laatste niet uit het oog verliezen: hij voelt zich in het nauw gedreven, de kans dat het Internationaal Strafhof hem vroeg of laat arresteert, is reëel."

Nkunda dreigt ermee Goma aan te vallen en daarna door te trekken tot aan de poorten van Kinshasa. Meent hij dat?

"Hij kan dat nog zo hard roepen: Nkunda is niet in staat om met 5.500 mannen Goma te controleren, laat staan naar Kinshasa te trekken. In 2004 in Bukavu was dat ook zo. Rwanda zal Nkunda niet helpen om naar Kinshasa te marcheren. Na jarenlang oorlog gevoerd te hebben in Congo is Kigali behoorlijk wat illusies kwijtgeraakt, geloof ik. Grootschalige militaire campagnes hebben de Rwandezen tot nog toe weinig opgeleverd. In 1997 heeft Rwanda Joseph Kabila aan de macht geholpen en dat is uitgedraaid op een nieuwe oorlog. Vervolgens kregen ze de jonge Kabila, maar met hem verlopen de relaties ook moeizaam."

Waarom krijgt Nkunda dan nog altijd steun van Rwanda?

"Misschien wil Rwanda politieke druk uitoefenen op Kinshasa. Dit is ook een verhaal van invloedssferen, een groot militair steekspel. Rwanda oefent al veel langer druk uit op het oosten van Congo. Sommige Rwandezen denken in prekoloniale termen; zij beschouwen de grenzen tussen Congo, Rwanda en Burundi als fictief, voor hen horen die gebieden bij elkaar. De Oost-Congolezen zelf zijn trouwens ook veel meer op het nabijgelegen Oeganda, Rwanda en Burundi gericht dan op Kinshasa, 1.500 kilometer verderop.

"Bovendien heb ik de indruk dat Rwanda kost wat kost wil vermijden dat de oorlog de grens oversteekt. Voor hen is Nkunda een soort politiechef die de Huturebellen van het FDLR ervan weerhoudt sterker te worden. Wellicht heeft Rwanda er ook een zeker belang bij dat het in Oost-Congo blijft rommelen. Dankzij een externe vijand kan het Rwandese regime in eigen land zijn potentiële oppositie controleren met deze boodschap: 'Pas op, aan de grens zit het FDLR en die willen net als in 1994 onze keel oversnijden.'

"Maar tegelijkertijd zijn er signalen dat Rwanda niet langer door Congo geobsedeerd is. 'Wij hebben vredestroepen in Darfur en zijn volop handelsrelaties met China aan het opbouwen', vertelde een Rwandese ex-militair me afgelopen week aan de telefoon. 'Ik kom net terug uit China, ik doe nu in bouwmaterialen.' Wel voegde hij eraan toe: 'Als Laurent mij zou vragen om in China nieuwe uniformen voor zijn mannen te bestellen, zou ik dat niet nalaten. Als ik daarmee 10.000 dollar voor mijn vrouw en kinderen kan verdienen, waarom niet?' Het is een van de manieren waarop de steun van Rwanda aan Nkunda verloopt: informeel, via oude economische netwerken of kameraadschappen. Ook de rekrutering van nieuwe strijders gebeurt zo, vermoed ik. De zeshonderd Burundese militairen die met Nkunda zouden meevechten zijn waarschijnlijk op dezelfde manier bij hem terechtgekomen. In die regio lopen heel wat gedemobiliseerde soldaten rond van wie sommigen vroeg of laat opnieuw voor de wapens kiezen.

"Toen ik in 1997, vlak na de val van Mobutu, in Congo aankwam, raakte ik meteen geïnteresseerd in het oosten, waar de oorlog vandaan kwam. Een totaal ontredderd en uitgehongerd Congo, zonder leger, dat grensde aan een bijzonder militaristisch Rwanda - dat leek me een explosieve situatie. Een Swahili spreekwoord luidt: een man die een mandje met eieren op zijn hoofd heeft, moet niet met stenen gooien. De Congolese regering is zwak, maar blijft de FDLR steunen: dan kan ze verwachten vroeg of laat het deksel op de neus te krijgen."

Hoe verklaart u dat Kabila die fout heeft gemaakt?

"Het is het eeuwige probleem van een grote stad als Kinshasa, die ver van het oorlogsgebied ligt: de hoge heren verliezen zich in lokale conflicten, krijgen foute informatie en raken steeds verder verwijderd van de kern van het conflict, waardoor ze veel mensen van zich vervreemden. 'Ik word in niets meer gekend', hoorde ik onlangs nog van een Congolees in de hoofdstad die het oosten goed kent. 'Gelukkig heb ik internet op kantoor, zodat ik me niet hoef te vervelen.' Dat is al vaker gebeurd in de geschiedenis van Congo-Zaïre. Goede mensen komen op hoge posities terecht, maar na een tijdje worden ze in niets meer gekend. De machthebbers isoleren zich, waardoor de rest zich niet langer met het land maar met zichzelf bezighoudt en zijn een eigen mini-imperium probeert op te richten. Op die manier wordt het land langzaam maar zeker onbestuurbaar. Dat is het drama van Congo.

"Ik vloog de afgelopen jaren meerdere keren met Mauretaniërs, Malinezen of Senegalezen van de Verenigde Naties het binnenland in. 'Wat is Congo toch een prachtig land', zeiden ze dan mijmerend terwijl we over groene wouden of prachtige heuvellandschappen vlogen. 'Wat hebben die mensen toch geluk. En dan nog al die bodemrijkdommen: goud, diamant, coltan.' Waarna ze enkele seconden zwegen. 'Hm, maar dat is natuurlijk het probleem: je kunt maar beter in een arm land wonen zoals wij, dan laat iedereen je tenminste met rust.' En zo is het: onderontwikkeling en rijkdom vormen een giftige combinatie."

Is het probleem ook niet dat de politiek, de administratie en het leger bevolkt worden door mensen die enkele jaren geleden nog een totale oorlog met elkaar aan het uitvechten waren? De verkiezingen dateren van amper twee jaar geleden, waarschijnlijk te weinig om het diepe wantrouwen weg te nemen.

"Dat is inderdaad zo. Er is veel argwaan in die regio en dat maakt het moeilijk om afspraken te maken. Als je jarenlang in vijandschap met elkaar leeft en je moet daarna samenwerken; dat valt niet mee. Het wantrouwen is overal. Er zijn ook momenten geweest dat ik erdoor aangestoken werd. In 1998 bijvoorbeeld, toen de oorlog in het oosten opnieuw uitbrak en Kinshasa belegerd werd door rebellen. Er was geen elektriciteit in de stad, geen water, in de ziekenhuizen stierven baby's. De rebellen bestonden voor een deel uit Tutsi's en in Kinshasa heerste er een grote Tutsihaat. 'De barbaren komen eraan', zeiden mensen. Ook ik raakte enigszins geïnfecteerd en betrapte mezelf erop dat ik 'de Tutsi's' als de verpersoonlijking van het kwaad begon te zien.

"Enkele jaren later voelde ik hetzelfde in Bukavu. De stad verkeerde in een psychose, de haat jegens de Tutsi's was bijna tastbaar. Ik moest denken aan een uitspraak van de schrijver Primo Levi. In een van zijn boeken schrijft hij dat de drama's van de Tweede Wereldoorlog zo groot waren dat alleen grote mensen ze zouden kunnen verwerken. 'Maar de meesten van ons waren kleine mensen,' schreef hij. De meeste Congolezen zijn ook kleine mensen. Zelf ben ik ook klein. Maar ik heb het geluk dat ik kan terugvliegen naar Europa, waar ik weer normaal kan worden. Europa is voor mij als een ontwenningskliniek."

Hoe komt dat? Wat voor rustfactor biedt Europa dan?

"Heel eenvoudig: bij ons is het geen oorlog. Ik moet wel vaker afkicken als ik terugkom van een reis. Toen ik aan De poorten van Damascus werkte, woonde ik zes maanden in Syrië, waar de veiligheidsdienst alomtegenwoordig was. Als ik bij mijn terugkeer in Amsterdam een man aan de overkant van de straat in een telefooncel zag staan, dacht ik meteen: daar heb je er weer eentje. Na de belegering van Kinshasa in 1998 zag ik in Amsterdam een jongetje in een camouflagepak en dacht ik onbewust: 'Ah, daar heb je een kindsoldaat.'

"Mijn vriend Marek realiseert zich op zo'n moment wat er met mij aan de hand is. Toen ik in 2004 terugkwam uit Oost-Congo vond hij dat ik wat langer thuis moest blijven om weer tot mezelf te komen. Ik zat vol Congo. Ik herinner me dat we in die periode vrienden bezochten in Zuid-Frankrijk en dat ik er elke avond weer in slaagde om de gesprekken Congowaarts te voeren. Wees gerust, ondertussen kan ik weer over andere dingen praten. Maar het heeft wel een tijd geduurd."

Met de publicatie van De hoogvlaktes neemt u voorlopig afscheid van Congo. U zegt daarover: 'Ik wil honderd jaar slapen om vervolgens te zien wat er in Congo veranderd is.' Zal Congo er in 2108 helemaal anders uitzien dan nu?

"De Congolezen leren momenteel heel harde lessen. En van die lessen zullen we op een dag het resultaat zien. Als je van ver naar Congo kijkt, heb je de neiging om moedeloos te worden en te zeggen: 'Er verandert nooit iets, het is daar hopeloos.' Maar voor mij is dat niet zo. Misschien ben ik geduldiger geworden en heb ik me erbij neergelegd dat ik de grote veranderingen in Congo niet meer zelf zal meemaken. Maar het land verandert wel degelijk."

Dat zegt u op een moment dat Noord-Kivu opnieuw wordt kapotgeschoten.

"Ja, maar in de geschiedenis is het toch vaker zo dat wat op een terugval lijkt een noodzakelijke afbraak blijkt te zijn. De Congolezen zijn al een hoop illusies kwijtgeraakt. Op een dag zullen een punt bereiken waarop ze zeggen: dit kan zo niet langer, we moeten er iets aan doen. Dat proces is trouwens al volop aan de gang. Sinds de hereniging is er meer contact tussen Congolezen uit verschillende delen van het land. Wat er de jongste weken rondom Goma gebeurt, is verschrikkelijk. Maar als je met enige afstand kijkt, is het misschien wel onvermijdelijk."

Terwijl de internationale druk om militair in te grijpen toeneemt, lijkt u te zeggen: niets doen, dit is een onvermijdelijke evolutie.

"Ik denk niet dat het probleem militair op te lossen is. Wie extra militairen naar Oost-Congo stuurt, moet op zijn minst weten wie de goeden en de slechten zijn. Is dat zo duidelijk? Het Congolese leger trekt zich momenteel plunderend en verkrachtend terug en vecht bovendien samen met het FDLR. Moeten onze extra vredestroepen met dat leger samenwerken? Bovendien maken buitenlandse militairen die voor het eerst voet op Congolese bodem zetten alle mogelijke beginnersfouten. We zouden onze interventiedrang volgens mij wat moet temperen. Soms is het beter om een tijdje niets te doen. Misschien moeten we ons heilige geloof in instantoplossingen opgeven. Sommige problemen lossen zich vanzelf op als je ze een tijdje met rust laat.

"Dat heb ik gemerkt tijdens mijn tocht door de hoogvlaktes in Zuid-Kivu. In de steden had iedereen verschrikkelijke verhalen over de Banyamulenge van de hoogvlaktes (zoals de Tutsigemeenschap van Zuid-Kivu wordt genoemd KoV). En dan kom je in die hoogvlaktes en zie je dat de mensen uit het dal volop handel drijven met de Banyamulenge. Ik zag lange rijen Bashiverkopers de heuvels opkomen om hun spullen op de markt aan de Banyamulenge te verkopen. Die mensen zijn economisch afhankelijk van elkaar en vechten is het laatste waaraan ze denken. Misschien moeten we zulke processen een kans geven. Wij denken dat de Congolese bevolking een amorfe massa is van mensen die niet kunnen denken. Reken maar dat de oorlog hen heel veel dingen heeft geleerd. De Congolezen zijn hun land volop aan het ontdekken."

De Congolezen zullen zichzelf ontwikkelen, zegt u. Daarmee lijkt u ook aan te geven dat westerse ontwikkelingshelpers twee keer moeten nadenken alvorens ze naar Congo komen.

"Ontwikkelingshelpers kunnen zich onmogelijk helemaal terugtrekken uit Congo, maar ik maak me soms wel zorgen over de consequenties van hun grote aanwezigheid. De potentiële middenklasse wordt helemaal geabsorbeerd door de hulporganisaties. Iedereen wil voor de VN werken. Op die manier komt de lokale economie natuurlijk nooit op gang. Dat fenomeen zorgt ook voor bloedarmoede binnen de politieke oppositie en de media. Neem nu Radio Okapi, de door de VN gesponsorde radio in Congo. 'Wij hebben toch goede en onafhankelijke journalisten opgeleid', vertellen VN-mensen me. Dat klopt, ze verdienen 900 dollar per maand en daardoor kunnen ze zich permitteren onafhankelijk te zijn.

"Maar wat zal er gebeuren als de VN zich terugtrekken en die journalisten op straat belanden? Dan zullen sommigen zich net als vroeger genoodzaakt zien om aan te kloppen bij de rijkaards van Kinshasa of Goma, om tegen betaling een mooi artikel over hen te schrijven of een smerig stuk over hun vijanden. Weg met de onafhankelijkheid, weg met de mooie principes. Onlangs zei de in Turnhout wonende schrijfster Chika Unigwe, die een boek over Nigeriaanse prostituees in Antwerpen heeft geschreven: 'Schaamte is een luxe.' Zo is het: een luxe die wij westerlingen ons kunnen veroorloven en veel Congolezen niet.

"Veel ontwikkelingshelpers behandelen de Congolezen als een stelletje stommeriken. In Kisangani was er een hulporganisatie die Congolese mama's aanleerde hoe ze hun baby's moesten wassen. Ik kon mijn oren niet geloven. Dat deden de Belgen vroeger ook al. En dan komt er vijftig jaar later zo'n blanke vrouw die achtereenvolgens in Kosovo en in Afghanistan heeft gezeten uitleggen hoe moeders hun kinderen moeten wassen. Waar zijn we mee bezig! Zo maak je de Congolezen alleen onzeker. Als je mensen in die mate afhankelijk maakt, hoe wil je dan dat ze kritiek leveren op hun regering, dat ze de kracht vinden om in opstand te komen tegen de corruptie? Ik begrijp dat niet: na al die debatten over ontwikkelingshulp, na al die slimme opiniestukken in NRC-Handelsblad. Opnieuw en opnieuw worden op het terrein dezelfde fouten gemaakt. Iedereen kan toch zien dat de kern van Congo volledig vermolmd is? Kijk naar hoe de mensen door het binnenland reizen. Honderden kilometers leggen ze te voet of per fiets af: zwaarbeladen, soms met voedsel voor de markt dat onderweg verrot. En ondertussen blijft de elite het land beschouwen als een wingewest en geven wij maar hulp. Dat gaat toch niet meer. De kern is vermolmd, dat is het probleem."

En hoe moet die vermolmde kern aangepakt worden?

"De Congolezen zijn daar al volop mee bezig. Wij denken dat alle samenlevingen maakbaar zijn. Maar dat is niet zo. Mijn Congolese vrienden praten met elkaar: mensen uit Katanga met mensen uit het Oosten. Ze maken ruzie, ze discussiëren. Mannen als dokter Mukwenge, die enkele weken geleden in jullie krant stond, die in het Panzihospitaal van Bukavu verkrachte vrouwen opereert - dat zijn de mensen die de Congolese samenleving aan het maken zijn. Of de automonteur in Masina, een volkswijk in Kinshasa. Elke ochtend staat hij vroeg op, pakt zijn gereedschap en gaat op zoek naar een defecte wagen, een lekke band of een aanrijding. Onderweg kijkt hij rond en ziet hij alles: de militair die zich misdraagt, de minister die voorbijzoeft, het bedelende kind bij het stoplicht. Je ziet die mensen zelden voor de camera's en ze zitten ook nauwelijks in de regering. Maar zij zijn de helden van Congo.

"Vorige week sprak ik aan de telefoon met een hogere officier van het Congolese leger die met een deel van de legerstaf naar de Amerikaanse verkiezingsnacht had zitten kijken. 'Waar zijn wij in Congo eigenlijk mee bezig', had één van zijn collega's bij het bekijken van Obama's verkiezingstoespraak gezegd. 'Obama is amper één generatie Amerikaan en hij kan al president worden. Terwijl wij Tutsi's hebben die al generaties lang in dit land wonen en nog altijd niet als Congolees worden beschouwd. Dat moet ophouden.' Zulke lessen kunnen de Congolezen heus wel voor zichzelf trekken. Die hoeven wij hen niet bij te brengen."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234