Donderdag 30/06/2022

ReizenMarokko

Schrijver Fikry El Azzouzi over de reis van zijn leven: een rodeorit door het Rifgebergte

Zicht op een vallei. ‘Ik weet dat het niet ver meer is en voel een zekere nostalgie. Het lijkt alsof hier de tijd heeft stilgestaan.’ Beeld Alamy Stock Photo
Zicht op een vallei. ‘Ik weet dat het niet ver meer is en voel een zekere nostalgie. Het lijkt alsof hier de tijd heeft stilgestaan.’Beeld Alamy Stock Photo

Tussen de cactussen uit de zomers van zijn jeugd in Marokko ging schrijver Fikry El Azzouzi nieuwe inspiratie zoeken. Maar daarvoor moest hij eerst een balorige taxichauffeur en zijn eigen opstandige maag trotseren.

Fikry El Azzouzi

Het was augustus 2010. Mijn eerste roman lag net in de boekhandel, maar zelf had ik het hoofdstuk al afgesloten. Ik zat met mijn gedachten al bij een volgend boek. Een verhaal dat de nodige research zou vragen. Ik wilde terug naar mijn roots, inspiratie tanken in het Rifgebergte in plaats van in de Stationsstraat.

Met weemoed dacht ik terug aan de vele zomers die ik er als kind had doorgebracht. Aan het strooien hoedje waarmee ik me beschermde tegen de brandende zon. Aan het trage ritme waarop ik samen met mijn neefjes de dag sleet. Aan de wilde ritten op de rug van een muilezel, manoeuvrerend op bergpaden om water te halen.

Hoe lastig kon het worden? Mijn gedachten dwaalden af naar de lege dagen zonder elektriciteit of stromend water. Naar de cactus waarachter je naar het toilet ging. Geen dokter. Geen winkel. Geen restaurant in de buurt.

Ik begon al wat onrust te voelen. Maar even loskomen van dagelijkse gewoonten kon bevrijdend werken. Rust geven en creativiteit voeden. Ik zou vertrekken met een lege rugzak en terugkomen met een hoofd vol inspiratie. Wist ik veel. Ik kwam terug met een lege maag en op die inspiratie moest ik nog jarenlang wachten. Alsof mijn brein het allemaal moest verteren.

Talloze bochten

Nadat mijn oom heeft toegestemd, grijpt de taxichauffeur mijn rugzak en gooit die in de achterbak van de auto. Hij maant ons aan om snel in te stappen, bang dat we nog worden afgesnoept door een concurrent. De chauffeur heeft een rood, pafferig gezicht met een slordige baard en een borstelige snor die over zijn lippen valt.

Samen met mijn oom vertrek ik van Tetouan naar de havenstad El Hoceima. Dwars door het Rif­gebergte. Over slecht onderhouden wegen met talloze bochten en diepe ravijnen, waar met de regelmaat van de klok een vierwieler de dieperik in duikelt. De bestuurder rijdt alsof zijn leven ervan afhangt. Hij scheldt niet alleen andere chauffeurs uit voor rotte vis, maar ook jongeren op volgepakte ezeltjes en zelfs een omaatje dat aan de zijkant van de weg moeizaam vooruitsukkelt. Nadat hij al zijn diepe frustraties heeft geventileerd, verschijnt er een zuinige glimlach onder zijn snor.

Hij start nu een gesprek met mijn oom over Woeswagens en dat die Woeswagens niet betrouwbaar zijn, ook al zijn ze van Duitse makelij. Het enige merk waar je op kunt bouwen, is de Marsidi 190 D. Die wagen kan het Rifgebergte aan en je kunt er vlotjes een miljoen kilometer mee doen. Maar je moet hem wel beter verzorgen dan je eigen vrouw. Elke dag grondig poetsen. Regelmatig het oliepeil controleren en verversen met olie uit China. Voor je instapt een soera reciteren. Het is belangrijk hem af en toe ook eens te aaien. Ondertussen probeer ik me zo goed mogelijk stil te houden om niet misselijk te worden.

De weg vanuit Tetouan naar de havenstad El Hoceima slingert zich door het Rifgebergte. Beeld Alamy Stock Photo
De weg vanuit Tetouan naar de havenstad El Hoceima slingert zich door het Rifgebergte.Beeld Alamy Stock Photo


Ik zondigde tegen mijn eigen regel. Maakte zelfs tal van fouten. Ingestapt met een lege maag. Fout. Geen pil tegen reisziekte genomen. Fout. Even naar mijn telefoon gekeken. Zware fout. Met als gevolg dat mijn maag al protesteert. Terwijl het vooraan erg geamuseerd klinkt, blijf ik stokstijf zitten. Had even gedacht van plek te ruilen met mijn oom, maar heb het uiteindelijk niet gedaan. Iets over ouderen en respect. Mijn oom trekt allerlei grimassen. Het lijkt alsof hij zijn kunstgebit niet onder controle heeft. Wil hij het inslikken of uitspuwen, vraag ik me af. De chauffeur laat een luide boer.

Even later stuurt mijn maag allerlei signalen. Ik probeer die te negeren en kijk naar een onbestaand punt in de verte. Ik las ergens dat het wel kan helpen. Nu steken ze allebei een sigaret op. Er is niet alleen de hitte en de rook. Er komen tal van haarspeldbochten aan. Blijkbaar heeft de chauffeur zin in een race. Hij houdt het stuur met beide handen vast en drukt wat harder op het gaspedaal. Terwijl mijn lichaam heen en weer slingert, moet ik denken aan een bocht die hij mist en hoe we naar beneden storten. Ik prevel een schietgebedje. Mijn oom strekt zich ontspannen uit, geeuwt luid en steekt nog een sigaret op.

“Alles goed?”, vraagt hij. “Je bent zo stil vandaag?”

“Elhamdoulilah, niet te klagen”, lieg ik. Via de achteruitkijkspiegel staart hij mij aan. Hem kan ik niets wijsmaken, want hij heeft al enkele ritten met mij achter de rug.

Ik probeer mijn zinnen te verzetten. Als ik aan voetbal, films of mooie vrouwen denk, kan dat voor afleiding zorgen. Maar ik raak niet verder dan Messi die tijdens een wedstrijd plots moest overgeven. Mijn hersenen raken de kluts kwijt. Ik tik zachtjes op de schouders van de taxichauffeur. Of hij niet even wil stoppen. Hij slaakt een kreet en doet alsof hij een hartverzakking krijgt.

“Ben je helemaal gek geworden? We waren bijna het ravijn ingedoken en ik heb vijf kinderen te voeden. Wie gaat hen te eten geven, als ik er niet ben? Je verstaat toch Amazigh. Of ben ik tegen mijn stuur aan het praten?”

“Natuurlijk versta ik dat. Ik vroeg je gewoon om te stoppen”, antwoord ik geïrriteerd.

De chauffeur hapt naar adem.

“Ik moet water drinken, ik heb dringend een slokje nodig.”

“Je kunt toch een stukje overdrijven”, zegt mijn oom. “Hij heeft je amper aangeraakt en je doet alsof hij je wilde slachten.”

“Ik was gewoon erg geschrokken”, zegt de chauffeur. “Iemand schrik aanjagen is nog erger dan duizend vuistslagen. Ik wil wel stoppen, maar zeg tegen je neef dat hij nooit op mijn schouder mag tikken. Dat is te gevaarlijk. Ik wil hier niet sterven en mijn vijf kinderen in diepe armoede achterlaten. Mijn ouders leven nog en zonder mij overleven ze het niet. We leven hier niet in Europa, waar de boergers en de patata frita je in de mond vliegen.”

De oom van Fikry. ‘Luister goed, neef. Hier in de Rif ben ik een dokter, een psychia­ter en een professor.’ Beeld rv
De oom van Fikry. ‘Luister goed, neef. Hier in de Rif ben ik een dokter, een psychia­ter en een professor.’Beeld rv

Mijn oom steekt een sigaret op. Hij inhaleert diep, waardoor zijn ingevallen wangen in zijn gezicht verdwijnen.

“Ik zou toch maar stoppen. Braaksel is een bijtend zuur. Dat brandt overal door. En zeker de kots van Berbers, die zit vol met chemicaliën. Dat komt door al die chemische wapens die Fransen en Spanjaarden tegen ons hebben gebruikt. Denk aan je kinderen. Wie wil er in een auto stappen met overal gaten in? En dan heb ik het nog niet gehad over de stank. Die geur doet je echt naar adem happen. Dat is verschrikkelijk.”

“Als hij overgeeft in mijn kost­bare taxi, moet hij alle schade betalen”, antwoordt de chauffeur kurkdroog. “Mijn Marsidi 190 D is sterk, maar zo sterk ook weer niet.”

Mijn oom reageert als door een wesp gestoken. “Al schiet die roestbak van jou in de fik, hij betaalt geen cent. Hebben jullie nooit genoeg? Waarom proberen jullie altijd geld af te troggelen?”

“Met alle respect, maar hoe moet ik zonder taxi leven? Gaan bedelen? Of wil je dat ik ga stelen?”

“En wat deed je nu? Was dat niet stelen? Was. Dat. Niet. Stelen? Antwoord op mijn vraag.”

“Ik kwam gewoon op voor mijn rechten.”

“Voor rechten ben je in het verkeerde land geboren.”

Allebei krijgen ze de slappe lach en hinniken een tijdje door.

Ik raak opnieuw zijn schouder aan.

“Nu doe je het weer”, roept de chauffeur die naar zijn hart grijpt.

“Wil je soms dat ik…”

Ik begin te kokhalzen. Vrijwel meteen gaat de taxi aan de kant. Net op tijd. Enkele meters verderop hang ik voorover. Er komen de griezeligste klanken uit mijn keel, maar ik spuw alleen wat speeksel uit. Ik transpireer, hijg na van de inspanning maar voel me nog steeds misselijk. Nieuwe poging. Het lukt niet en ik voel me ellendig.

Ik staar wat voor me uit en zie dat ik een prachtig uitzicht heb op de Middellandse Zee. In betere omstandigheden zou ik een foto nemen.

“Luister goed, neef. Hier in de Rif ben ik een dokter, een psychia­ter en een professor. Dat wist je niet, wel… je weet zoveel niet van je oom. Steek je wijsvinger en je middenvinger diep in je keel en dan komt al dat lekkers in je maag er weer uit. En je maakt de slangen, schorpioenen en God weet hoeveel insecten er blij mee.”

“Eten slangen kots?”, vraag ik.

“Als het moet, eten die reptielen jou ook op. Twee vingers in je keel. Zo moeilijk is dat niet. We moeten voor het donker arriveren.”

De eerste keer mislukt, maar daarna neemt een demon bezit van mij en gooi ik alles overboord. Ik moet even bekomen en droom weg over overgeefsel dat in allerlei vormen komt. Een rode kleur kan duiden op een interne bloeding. Koffiebruin van kleur, dat geeft aan dat het door maagzuur is aangetast. Stinkt het braaksel naar fecaliën, dan heb je waarschijnlijk een darmobstructie. Gelukkig heb ik daar geen last van, ik voel me zelfs kiplekker. Alleen jammer van de kots op mijn schoenen en broekspijpen.

Nostalgie

We rijden over een zandweg de bergen op en laten overal een grote stofwolk achter ons. De taxi rijdt alsmaar trager tot hij niet meer verdergaat. Hier stopt onze rit. Mijn oom rekt zich weer uit, steekt een sigaret op en geeft hem het gevraagde bedrag. De chauffeur neemt afscheid en zegt dat je nooit de schouders van een bestuurder mag aanraken. Want zonder zijn stuurvaardigheden waren we in het ravijn gedoken.

“Kom”, zegt mijn oom. “Het begint al donker te worden. Anders wordt het te gevaarlijk.”

We wandelen verder. Ik weet dat het niet ver meer is en voel een zekere nostalgie. Het lijkt alsof hier de tijd heeft stilgestaan. Cactussen en hennepplanten groeien hier nog altijd erg weelderig. Ik herken het grote lemen huis dat omsingeld is door reusachtige cactussen en amandelbomen. Een zwarte kat en een grote herdershond stormen plots op ons af. Mijn hart staat even stil. Mijn oom gooit hen allerlei verwensingen naar het hoofd. Hij vloekt nog binnensmonds en opent een zware houten poort. We komen in een open ruimte met in het midden een waterput. Er worden enkele petroleumlampen aangestoken, de kamer waar we gaan slapen wordt grondig schoongeveegd. Harde kussens en dunne matrassen worden afgeklopt.

Fikry op een muilezel. ‘Hoe lastig kon het worden? Mijn gedachten dwaalden af naar de lege dagen zonder elektriciteit of stromend water.’ Beeld rv
Fikry op een muilezel. ‘Hoe lastig kon het worden? Mijn gedachten dwaalden af naar de lege dagen zonder elektriciteit of stromend water.’Beeld rv

“Ik zou niet willen dat er een vreemd insect in jouw oor gaat kruipen”, merkt mijn oom droogjes op.

“Gebeurt dat?”, vraag ik verbaasd.

“Natuurlijk, insecten leggen vaak hun eieren in oren.”

Ik moet even slikken, maar uit vermoeidheid val ik vrijwel meteen in slaap. Mijn oom lurkt tot diep in de nacht aan de kifpijp, drinkt sloten oploskoffie en zet een kleine radio aan met muziek en vooral veel storing op.

De volgende ochtend sta ik geradbraakt op. Mijn oom luistert nog steeds naar de radio, neemt een trekje van zijn pijp en een laatste slok koffie. Hij lijkt niet zichzelf te zijn.

“Kom snel, ik moet je iets laten zien.”

Tussen enkele cactussen in toont hij een twintigtal kippen die allemaal onthoofd zijn.

“We hebben een probleem”, zegt hij. “Er is hier een of ander roofdier of een djinn die alleen kippenkoppen lust. Nu hebben we ’s ochtends geen eieren meer. Dit ga ik echt niet zo laten. Niemand verpest mijn ontbijt. Ik zweer dat ik mijn kippen zal wreken. Al wordt het mijn dood.”

Vanuit een cactusboom fladdert een kip naar beneden. Ze kijkt ons even aan en tokkelt dan rustig rond. We kijken elkaar verbaasd aan.

“Deze kip was het roofdier te slim af”, glimlacht mijn oom. “Nu ben ik er zeker van dat het monster zal terugkeren. Vanaf nu houden we elke nacht de wacht, tot we hem te pakken krijgen.”

Hij grijpt de kip bij haar vleugels vast, streelt haar kop en kijkt haar recht in de ogen. “Arm dier, je moet wel erg bang zijn geweest.”

Hij wandelt het huis in.

“Wat ga je doen?”, vraag ik.

“Haar uit haar lijden verlossen en slachten, ze wordt ons avondmaal.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234