Donderdag 06/10/2022

Sven Speybrouck Koen Fillet ‘Onze samenwerking is geboren uit één gigantische mislukking’

Het programma wordt opgenomen in de keuken van Sven, terwijl er gegeten wordt. Hoe bepalend is die setting voor het programma?

Sven: “Zeer bepalend.”

Koen: “Ooit al eens in een moderne radiostudio geweest? Je presenteert er rechtstaand, en het is er heel klein. Je kunt er geen vier mensen ontvangen.”

Sven: “Zo’n studio lijkt nog het meest op een cockpit. In de keuken is het gewoon veel gezelliger. Zeg nu zelf: hier, in deze huiskamer, is het toch ook veel aangenamer interviewen dan in een of ander vergaderzaaltje van de VRT?”

Koen: “Aanvankelijk was het de bedoeling dat we ook zelf voor onze gasten zouden koken, maar daar hebben we na de proefaflevering toch maar van afgezien. We waren ons meer op onze patatjes aan het concentreren dan op de gasten. Ons eten wordt nu bezorgd door een traiteur, maar het wordt dus wel tijdens het programma geserveerd.”

Sven: “Waardoor de gasten zonder morren twee uur aan tafel blijven zitten en zich, als ze dat willen, ook mengen in de andere gesprekken. Dat levert soms wonderlijke momenten op. (lachje) Onlangs hadden we filosoof Ruud Welten te gast. Dankzij ons prachtige concept kon hij uitgebreid uitgescholden worden door Serge Simonart.”

Koen: “Maar laat ons wel wezen, de locatie of het eten zijn vooral belangrijk voor de sfeer. Wat Interne keuken wezenlijk onderscheidt van andere programma’s is in de eerste plaats de lengte van de gesprekken. Het was een gat dat bij Radio 1 nog openlag, en waar wij met plezier in gedoken zijn.”

Interne keuken onderscheidt zich op nog een andere manier. Jullie gasten zijn meestal onbekende mensen die komen praten over weinig evidente onderwerpen.

Koen: “Op papier zien onze programma’s er dikwijls niet sexy uit. Op voorhand denken we vaak: ‘Oei oei, hoe gaan we dat hier verkocht krijgen?’”

Sven: “Onlangs kwam ik mijn overbuurman op de oprit tegen. ‘En,’ vroeg die, ‘wie komt er deze week?’ Ik vertelde hem dat we het over de Heilig Grafkerk in Jeruzalem zouden hebben. En over de Matthäus Passion. En over de filosofie van het toerisme. Ik hoorde die mens denken: ‘Oh god, ik ga rap mijn auto wassen’.”

Koen: “Ons enige criterium is: gelooft onze gast in zijn onderwerp en kan hij er met passie over praten? Als er aan die voorwaarden is voldaan, wordt bij wijze van spreken alles interessant. Nu zaterdag (vandaag, nvdr.) hebben we, hou u vast, een lexicograaf te gast. Die man heeft boeken gemaakt over het Afrikaans, het Indonesisch, het Turks, zonder ook maar een van die talen te spreken. Oké, denk ik dan, gij moogt komen.”

Sven: “Het klinkt heel arrogant, maar het criterium is toch vooral: vinden wij het interessant? Onlangs zat ik aan tafel met vrienden. Een van de tafelgenoten bleek in immobiliën te doen. We hadden het erover dat hij behalve hele mooie ook wel eens lelijke huizen moest verkopen. Waarop die gast tegenwierp dat ik toch ook wel eens iemand moest interviewen die me totaal niet interesseert. Maar dat heb ik moeten ontkennen. ‘Sorry, maar als ze me niet interesseren, dan komen ze er niet in.’ Ik weet het, dat klinkt belachelijk arrogant, maar het is wel zo.”

Koen: “Die luxe kun je je natuurlijk alleen permitteren als je een wekelijks programma mag maken. Als je dagelijks op antenne moet, is je job voor een belangrijk deel: vullen. En dat lukt niet altijd met toponderwerpen. Wij moeten ons ook geen fluit van de actualiteit aantrekken. Als Osama bin Laden wordt neergeschoten, horen wij op de redactie-eilanden naast ons plots alle redacteurs naar dezelfde deskundologen bellen met dezelfde vragen. Op dat ogenblik is het bijna onze taak om rustig de andere kant uit te kijken.”

Sven: “In principe nodigen we alleen gasten uit die nergens aan bod zijn geweest. In principe, want natuurlijk worden we wel eens ingehaald door bevriende redacties.”

Waarna er vechtpartijen uitbreken.

Koen: “Vroeger meer dan nu. Je hoort ook veel minder doublures dan vroeger. Je had vijf jaar geleden veel meer eilanden en burchten binnen Radio 1. Vandaag wordt er veel beter gecoördineerd.”

Sven: “Met Ruth Joos hebben we bijvoorbeeld een goeie afspraak. Zij hebben een soort eerstgeboorterecht als het over fictie gaat, wij krijgen voorrang als het over non-fictie gaat.”

Tot welke categorie horen de boeken van David Van Reybrouck?

Koen: “(lacht) Wij noemen dat non-fictie. Nee, serieus. Ongetwijfeld zullen we ook wel eens een gast hebben uitgenodigd die al eens ergens gezeten heeft. Dat is niet altijd een probleem. Wij kunnen nog altijd het verschil maken door het anders aan te pakken. En door de lengte, natuurlijk. Een gesprek van een halfuur is per definitie anders dan een van vijf minuten.”

Was het moeilijk om dit concept verkocht te krijgen bij de top?

Koen: “Nee. Diane Waumans (Radio 1-nethoofd, nvdr.) heeft ons zo goed als carte blanche gegeven. Twee jaar geleden was dat allicht anders geweest. Het ordewoord was toen: kort. Ondertussen merk ik dat de slinger weer een beetje onze kant uitgaat. Siegfried Bracke heeft ooit gezegd dat je alles in enkele seconden gezegd moet krijgen. Wel, diezelfde Bracke heeft aan het eind van zijn VRT-carrière voor slow journalism gepleit.”

Sven: “Ik juich die beweging alleen maar toe. Het is ook nodig. Je moet weten: wij lezen elk boek dat we in ons programma behandelen, net als Ruth Joos. Vroeger was dat normaal. Als een schrijver tijdens een interview merkte dat je zijn boek niet had gelezen, dan stapte die gewoon op. Vandaag valt zo’n schrijver bij wijze van spreken van zijn stoel als hij merkt dat je zijn boek hebt gelezen. Terwijl dat toch de normaalste zaak van de wereld zou moeten zijn. Nu, ik verwijt mijn collega’s niets. Ze krijgen er gewoon de tijd niet voor. Die tijd zouden ze moeten krijgen van de mensen boven hen.”

Leonard Nolens mocht onlangs langdurig zwijgen bij Ruth Joos. Een verademing, vonden velen.

Sven: “Vroeger waren die stiltes op de radio de normaalste zaak van de wereld. Terwijl nu... Op onze redacties liet iedereen plots zijn werk vallen om te luisteren. Er gebeurde nog eens iets op de radio. Dat interview is verder gaan leven als een soort sacraal moment, maar ik weet niet of we dat nu als het grote voorbeeld moeten vereren. Geen slecht woord over Ruth, ze heeft dat fantastisch gedaan. Maar ik heb, vrees ik, weinig bijgeleerd. Nolens zweeg 10 seconden, zuchtte eens diep, vroeg wat de vraag ook alweer was en vertelde vervolgens dat hij er niet op kon antwoorden. Oké, het was spannende radio. En ja, er gebeurde iets. Maar om dit nu tot de nieuwe norm te verheffen?”

Koen: “Ik vond het vooral tekenend dat Nolens daar zat. Iedereen kent zijn reputatie van moeilijke prater. En toch hebben ze hem uitgenodigd. Live. Ik denk niet dat ze dat twee jaar geleden gedaan zouden hebben. Nolensachtigen pasten toen niet in dat format.”

Op tv spreekt men van dictatuur van de kijkcijfers. Bestaat die dictatuur ook voor luistercijfers?

Koen: “Die is onbestaande.”

Sven: “Bij televisie liggen de cijfers de volgende ochtend op je bureau. Bij radio komen die pas een maand later. Er is ook niemand die die cijfers echt begrijpt. Naar het schijnt is het marktaandeel van Radio 1 het vorige kwartaal weer met 2 procent gestegen. Fijn, maar niemand die precies kan uitleggen hoe dat komt.”

Koen: “Er is ook nauwelijks een verband tussen de kwaliteit van het programma en de luistercijfers. Mensen luisteren meer uit gewoonte dan omwille van een programma. Herinner je je De zuidkant nog? Dat programma zat in hetzelfde slot als Jongens en wetenschap, destijds dé hit van het moment, maar het had nauwelijks meer luisteraars dan De zuidkant.”

Hoe weet je of je goed bezig bent, als luistercijfers geen graadmeter zijn?

Sven: “Ik twijfel daar constant over. Zeker in het begin dacht ik vaak: wat zijn we hier eigenlijk aan het doen? Wij amuseren ons rot, maar zijn er daarbuiten, in de echte wereld, nog mensen die het leuk vinden? Het is maar omdat mensen als jullie, of mijn loodgieter, me komen zeggen dat ze het waarderen dat ook ik begin te geloven dat het een aardig programma is.”

Koen: “Ongetwijfeld zullen er ook mensen zijn die het van Interne keuken op de zenuwen krijgen. Ons programma is geen behang. Als je er niet echt naar luistert, word je er zot van.”

Sven: “Zoals Hans Bourlon. Radio 1 vraagt af en toe mensen om te komen zeggen wat ze van programma’s vinden. Blijkbaar had Bourlon er een probleem mee.”

Koen: “Dat is niet leuk om te horen, maar ik begrijp het wel. Interne keuken is ook een aanfluiting van alle moderne wetten van het radio maken. De radio dient niet meer om ernaast te gaan zitten en te luisteren. Het is vandaag trouwens ook absoluut verboden om plaatjes te draaien die niet al door iedereen gekend zijn.”

En dus spelen alle zenders dezelfde liedjes.

Sven: “De muzieksamenstelling is vandaag bij alle zenders het werk van een computer. In dat machien hebben ze een aantal parameters gestoken: van de stijl over het ritme tot de mood. Vroeger moesten die parameters voor de verschillende zenders zo ver mogelijk uit elkaar liggen. K’s Choice, dat was Studio Brussel, dat kon niet op Radio 1. Op een bepaald ogenblik hebben ze dan gemerkt dat de zenders te ver uit elkaar lagen. Dus hebben ze de parameters weer wat dichter naar elkaar getrokken en zijn er meer overlappingen.

“Maar wij gebruiken die computer dus niet. Wij mochten ook op dat vlak ons goesting doen. De samenstelling van Interne keuken is het werk van Koen.”

Koen: “Ik maak er een erezaak van om geen muziek te spelen die in het systeem zit.”

Alles mag, zolang je geen politiek statement maakt door, zoals Koen, je baard te laten staan.

Koen: “Die baard is geen politiek statement. Het is niets anders dan een tellertje: je kunt aan de lengte van mijn baard zien hoe lang we het nu al zonder regering moeten stellen. Meer is het niet, maar om de een of andere reden is die kwestie geweldig op de spits gedreven. Met als gevolg dat ik mijn tong nu drie keer moet ronddraaien voor ik iets zeg.”

Is het niet geweldig frustrerend dat je als VRT-journalist over niets je mening mag zeggen?

Koen: “Oh, maar je mag je mening wel zeggen hoor. Je kunt perfect zeggen dat kernenergie een schande is. Kijk maar eens wat onze politiek journalisten allemaal schrijven op hun blogs. Dat gaat soms veel verder dan: ‘Wat duren die onderhandelingen lang. Weet je wat? Ik laat mijn baard staan.’ Het verschil is dat die baard uitgegroeid is tot een groot symbool. Veel groter dan ik zelf ooit had kunnen voorspellen.”

Sven: “Ik vind het zelf een moeilijke kwestie. Ik heb ooit de petitie ‘Groen! is nodig’ ondertekend. Dat was misschien wat op het randje, maar ik vind het verdedigbaar. Er is, vind ik, een groot verschil tussen zeggen dat Groen! nodig is en zeggen dat je voor die partij stemt.”

Het valt wel op dat jullie minder dan anderen aan communistenvrees lijden. Jan Blommaert was onlangs bij jullie te gast. En eerder al mocht PVDA-voorzitter Peter Mertens dankzij jullie nog eens op de radio.

Koen: “En de communisten Bart De Wever en Matthias Storme. (lacht)”

Sven: “Het past wel in het concept van ons programma om iemand als Peter Mertens eens uitgebreid aan het woord te laten. Bijna niemand geeft hem nog die kans. Je hoeft niet achter zijn ideeën te staan om ze interessant te kunnen vinden. Ik vrees dat zulke mensen vandaag ook nauwelijks nog aan bod komen uit vrees in een bepaalde hoek te worden geduwd. Het resultaat is dat iedereen het midden gaat opzoeken. Zo van: laat ons maar Bart Peeters vragen voor een babbel over zijn nieuwe cd, dan maken we niemand kwaad. Gezond is dat niet. Voor je het weet ga je aan zelfcensuur doen.”

Sven, jij had tot vorig jaar een contract met Woestijnvis. Waar is het misgelopen?

Sven: “Nergens. Onze wegen zijn op een volstrekt natuurlijke manier uit elkaar gegaan. Ik zat nog bij Woestijnvis toen Canvas me vroeg om Publiek geheim te presenteren. Toen er een tweede reeks van dat programma kwam, hebben we in onderling overleg besloten om het contract te verbreken.”

Je hebt voor Woestijnvis het boekenprogramma Alles uit de kast gemaakt. Het Laatste Nieuws noemde dat programma onlangs een van de flops van Woestijnvis.

Sven: “Dat raakt me niet. Het programma haalde 300.000 kijkers. Als het een entertainmentprogramma was, zou je inderdaad over een flop mogen spreken. Maar het was een boekenprogramma. Daar haal je geen miljoen kijkers mee. Punt. Onderzoek heeft uitgewezen dat de lagere sociale klassen al op voorhand afhaken als het over boeken gaat.

“Je moet weten: Alles uit de kast is er gekomen op een ogenblik dat het de VRT politiek goed uitkwam. Er werd toen onderhandeld over de beheersovereenkomst en er was duidelijk druk vanuit de politiek om iets serieus te doen op Eén. Tijdens de perspresentatie is Aimé Van Hecke me persoonlijk komen vertellen wat een prachtig cadeau we hem met dat programma hadden gedaan. Toen de beheersovereenkomst er eenmaal was, is dat enthousiasme getemperd. Blijkbaar vond men het toen niet meer verantwoord om het te programmeren in een slot dat normaal 1 miljoen kijkers haalt, wat ik ergens wel kan begrijpen. We hebben toen nog voorgesteld om het voor Canvas te maken, maar dat is afgesprongen op een financiële kwestie. Het is me nooit duidelijk geworden of Canvas te gierig was of Woestijnvis te inhalig.”

Een mens zou voor minder naar de radio gaan.

Sven: “Radio is in elk geval een gemakkelijker medium. Authentieker ook. Beeld is bijzonder krachtig, maar het is voor de maker wel een keurslijf. Een gesprek op televisie kan in het beste geval authentiek lijken, maar dat is het nooit. Ik ben nog eindredacteur voor De laatste show geweest. Wel, elk gesprek, elke mop werd eerst gerepeteerd. Als we voor Publiek geheim iemand aan het woord laten, moet die zijn verhaal zes keer vertellen. Je moet zo’n spreker echt regisseren. Zeggen dat hij luider moet spreken, bijvoorbeeld, omdat achter zijn quote kanongebulder gemonteerd zal worden.”

Koen, was radio maken je jongensdroom?

Koen: “Nee, de droom was muzikant worden. De schoonste vorm van mannenvriendschap, vind ik: met tweeën op een podium staan, één voet op de monitor, en samen door de microfoon zingen.

“Ik was in mijn jonge jaren een relatief goeie gitarist. De beste van onze scoutsgroep. Muziek maken vind ik nog altijd het mooiste wat er is, maar je moet ook realistisch zijn. Een mens kan pas gelukkig worden als hij zijn ambities in evenwicht brengt met zijn talent. Bovendien was muzikant worden in het Vlaanderen van die tijd - ik spreek van de jaren tachtig - zo goed als geen optie. De mentaliteit was: weet je wat, we sturen een cassetje naar de Rock Rally en wie weet mogen we wel meedoen. Dat is trouwens gelukt. Ons groepje is tot in de eerste ronde van de Rock Rally geraakt.”

Sven: “Ik wist niet dat je in een groepje had gespeeld.”

Koen: “Ik heb zelfs ooit in een musical meegezongen. Jesus Christ Superstar, door het Koninklijk Ballet Van Vlaanderen.”

Sven: “Serieus man? En welke rol?”

Koen: “De derde apostel van rechts. Je lacht, maar we kregen wel staande ovaties in Carré, Amsterdam.”

Sven: “Hoe ben je daar binnen geraakt?”

Koen: “Gewoon, gereageerd op een advertentie. Ze zochten figuranten, ik heb auditie gedaan en ze hebben me binnengehaald. Overdag werkte ik bij de bank, zo kon ik uitrusten om ’s avonds te gaan zingen.”

Bij de research stuitten we beiden op iets wat voor ons een complete verrassing was: Koen Fillet, de radiomaker die kickt op wetenschap en kennis, heeft enkel een diploma middelbaar onderwijs.

Sven: “Schrijf maar op: ik werk samen met een laaggeschoolde.”

Koen: “Vandaag kan ik met veel plezier mijn kinderen helpen bij het ontrafelen van een wiskundig probleem, maar ik had op dat vlak een heel late roeping. Zelfs toen we met Jongens en wetenschap begonnen had ik die belangstelling nog niet. Ik was een man van de literatuur, van de maatschappelijke kwesties.

“Aan de middelbare school heb ik een trauma overgehouden. Als ik op een werkdag over straat loop en ik hoor kinderen op een speelplaats, dan krijg ik nog een krop in mijn keel. Ik ben twee keer blijven zitten in de middelbare school. Ik kan je verzekeren: die tweede keer, dat was niet plezant. Heel even is me toen de lust bekropen om uit het raam van de klas te springen.

“Toen de miserie van de middelbare school voorbij was, ben ik grafiek gaan studeren in Gent. De enige motivatie was mijn verliefdheid op een meisje dat hetzelfde ging studeren. Met als gevolg dat ik, ten derden male, gebuisd was. Daarna heb ik nog Germaanse geprobeerd. Ik ben zes jaar ouder dan Sven, maar ik zat wel samen met hem in de eerste kandidatuur.”

Sven: “Hij heeft nog naast mij gezeten in de les. We noemden hem ‘den ouwe’. Als je achttien bent, heet iemand van 24 al snel ‘den ouwe’.”

Koen: “Sven vond het blijkbaar nog nodig om zijn diploma te halen, terwijl ik een jaar later al begonnen ben bij de VRT. Een kameraad had verteld dat er iemand gezocht werd voor een programma dat Het goede doel heette, een naam die je letterlijk mag interpreteren: het ging in dat programma uitsluitend over goede doelen. Ik heb me daar op nogal schandalige wijze binnen gebluft. Ik had ooit iets voor 11.11.11. gedaan, dus beweerde ik dat ik de ontwikkelingssamenwerking van binnenuit kende. Ik mocht een proefstukje maken, over Student Aid. Op basis van dat interview ben ik bij de VRT mogen beginnen.”

Hoe hebben jullie elkaar op de radio gevonden?

Sven: “Onze samenwerking is geboren uit één gigantische mislukking. Ik presenteerde ooit Camping Casablanca, een zomerprogramma voor Radio 1. Roland zou er optreden, maar hij kwam alweer niet opdagen. Ik wist dat Koen gitaar kon spelen, dus vroeg ik hem of hij niet wilde spelen. Tot vijf minuten voor de uitzending bleef hij nee zeggen, maar uiteindelijk ging hij toch overstag. Nog datzelfde jaar hebben we voor het eerst samen gepresenteerd. Het was de laatste aflevering van Camping Casablanca, een live-uitzending van twee uur. Na een uur radio maken stelden we plots vast dat we alle interviews en muzikanten er al hadden doorgejaagd. Het tweede uur hebben we vanuit het niets radio gemaakt, en dat liep vlekkeloos. Dan besef je: als je dit samen kunt, kun je alles samen.”

Zouden jullie elkaar vrienden noemen?

Koen: “Vriend vind ik een te sterk woord.”

Sven: “Het hangt ervan af wat je vrienden noemt.”

Koen: “Als ik morgen bij mijn vrouw weg ben, zal Sven niet de eerste zijn die het weet.”

Sven: “Maar je mag wel komen logeren, als niemand anders je wil opvangen.”

Koen: “We spreken in onze vrije tijd niet met elkaar af. Ik ben ook niet de peter van zijn dochter of zo. Al ben ik wel op haar doopfeest geweest.”

Sven: “Ah ja? Dat wist ik niet. (lacht)”

Koen: “Toen Sven bij Woestijnvis zat, heb ik hem wel een paar keer gebeld om professionele raad te vragen.”

Sven: “En hij niet alleen. Ik kreeg soms de indruk dat ik een helpdesk was voor wanhopige ex-collega’s.”

Jullie zeggen in interviews vaak dat één plus één in jullie geval drie is. Wat maakt jullie tot zo’n wonderlijk duo?

Koen: “Omdat ik wist dat die vraag ging komen heb ik er onderweg naar hier al eens over nagedacht. Ongetwijfeld heeft het ermee te maken dat we elkaar geen vliegen afvangen. Het is geen wedstrijd tussen ons. Sven vertelt tijdens de uitzending wel eens een mop die ik heb bedacht en omgekeerd. Dat vinden we geen enkel probleem.”

Sven: “Er is een groot wederzijds vertrouwen. Ik heb een blind vertrouwen in Koen. Ik vind alles wat hij doet goed, en als ik dat even niet vind, zal ik het zeggen. Ik heb dat met niemand anders, en ik denk ook niet dat ik het ooit nog met iemand zal hebben.

“Verder denk ik dat we ongeveer hetzelfde type journalist zijn. Veel journalisten vertrekken vanuit het principe: als de geïnterviewde a zegt, zal ik b zeggen. Dat heet dan kritische zin. Terwijl wij eerder vertrekken van het uitgangspunt: leg het ons eens uit. Op dat vlak was ook Annemie Struyf een leermeester. Ze vertelde me ooit dat als je wilt dat mensen hun hele leven aan je vertellen, je maar één ding moet zeggen: ‘Allez, is ’t echt?’ Voor de rest moet je zwijgen en luisteren.

“Pas op, er zijn wel verschillen. Ik ben nogal didactisch ingesteld. Ik wil mensen iets bijleren, terwijl Koen volgens mij vooral leuke verhalen wil vertellen. Koen doet ook graag relativerend over ons vak. Hij zegt wel eens dat wij niets anders doen dan het gat tussen twee reclameblokken vullen. Een van zijn favoriete uitspraken is: ‘Ik doe maar wat’.”

Koen: “Ik meen dat. Ik bedoel dat trouwens niet relativerend, dat ‘ik doe maar wat’. Ik vind dat een goed radioprogramma moet klinken alsof de maker zomaar wat doet en het allemaal ter plekke verzint. Het mag zeker niet klinken alsof de maker aan het zwoegen is.

“Weet je wat het is: ik ben niet zo voor ambitie. Zo sta ik ook in het leven. Ook daar is het van: ik doe maar wat. Tegen mijn kinderen zeg ik: wees voorzichtig met grote ambities en verwachtingen, want die leiden vaak tot grote ontgoochelingen. Maar goed, omdat jullie zo aandringen, hier mijn grote ambitie: ik wil later een oude pee worden, samen met mijn vrouw op een bankje zitten en de eendjes voederen. Daar droom ik nu al van.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234