Woensdag 10/08/2022

Theater in Kaboel, angst voor censuur in VS

Terwijl in Kaboel opnieuw theater wordt gespeeld (zie hierboven), greep in Amerika een theaterstuk over de Afghaanse oorlog - Homebody/Kabul - bijna naast de beloofde subsidie. Kunstenaars vrezen dat ze enkel nog 'veilige' kunst mogen brengen en dat overheidssubsidie voor kunst in the land of the free nog steeds vooral een politiek wapen is. En dat ruikt naar censuur.

Washington / Eigen berichtgeving

Wilfried Eetezonne

Het Californische theatergezelschap The Berkeley Repertory Theatre (BRT) wil in de lente het stuk Homebody/Kabul op de planken brengen. Het stuk, dat op 19 december in New York in première ging, is geschreven door Pulitzer Prijs-winnaar Tony Kushner en gaat over de zoektocht van een Britse dochter naar haar moeder die verdween in Kaboel tijdens het Taliban-bewind. Kushner schreef het stuk voor de aanslagen van 11 september. Het gezelschap vroeg eind vorig jaar een subsidie bij de National Endowment of the Arts (NEA), de Amerikaanse overheidsinstelling die zich bezighoudt met kunstsubsidiëring. Daar treuzelde men echter zeer lang met het nemen van een beslissing en uiteindelijk moest het BRT vrede nemen met 60.000 dollar (66.700,86 euro, 2,7 miljoen frank), zo'n 40 procent minder dan gebruikelijk. Alhoewel de NEA geen uitspraken doet over de beslissing, schrijft The New York Times dat de commissie vragen zou hebben gehad bij het hele project. Precies die aarzeling roept nu bij Amerikaanse kunstenaars de vraag op of de regering-Bush, naast het aan banden leggen van de verslaggeving over de oorlog in Afghanistan, nu ook kunstenaars wil muilkorven die op artistieke wijze iets over het conflict willen vertellen.

De verstandhouding tussen de Amerikaanse politieke wereld, de NEA en de cultuursector is nooit optimaal geweest en leidde in het verleden al tot verhitte discussies over zin en onzin van overheidssubsidies voor kunst. Heel wat Amerikaanse culturele organisaties vragen zich af welk project in de smaak zou kunnen vallen bij de Republikeinse leden van de NEA. Ook de mist die de NEA optrok rond de beslissingen, wijst er volgens sommigen op dat in de toekomst enkel nog die projecten gesteund zullen worden die niet op het onbegrip van de conservatieven zullen stoten.

De NEA moest het lange tijd zonder voorzitter stellen. Vlak voor Kerstmis benoemde de Senaat dan Michael Hammond, een 69-jarige musicoloog met diploma's van de universiteiten van Oxford, Delhi en Appleton in Wisconsin op zak. Hammond weigert de komende maanden elk interview over de koers die hij wil varen, maar zei in een vage verklaring "te willen pleiten voor een beleid dat de ervaring bij jongeren kan verhogen, door hen de inzichten en vaardigheden te geven die kunnen leiden tot het begrijpen van en de participatie aan de kunst."

Senator Edward M. Kennedy, die mee besliste over de benoeming van Hammond, vertelde aan The New York Times dat de NEA de kunst "zal openstellen voor de breedst mogelijke publieksgroep. Er zal altijd plaats zijn voor kunst aan de rand. Maar volgens mij is er een grote nood aan appreciatie voor de rol die de NEA speelt in het verheffen van de kunst en het uitdragen van haar aantrekkingskracht bij een grote groep van Amerikanen."

In het land waar mecenaat en het vrijemarktdenken de cultuursector domineren, werd de NEA juist in het leven geroepen als politiek wapen. In 1965 werd de subsidiecommissie opgericht door president Lyndon B. Johnson als onderdeel van zijn Great Society Program. Door kunst te subsidiëren zou Amerika tonen dat kunstenaars in de VS creatieve vrijheid konden genieten, in tegenstelling tot in het dictatoriale regime van de toenmalige Sovjet-Unie. Ook Richard Nixon zag het politieke nut in van de NEA, waarvan hij het budget dramatisch verhoogde om de progressieven in zijn land te plezieren.

Alles ging goed tot 1989, toen de Republikeinse senator Alfonse D'Amato in de Senaat een foto verscheurde van de kunstenaar Andres Serrano. De (gesubsidieerde) foto toonde een in urine gedrenkt kruisbeeld. In 1990 gaf de NEA steun aan de performanceartieste Karen Finlay, die haar lichaam insmeerde met chocolade om te protesteren tegen de brutale manier waarop vrouwenlichamen behandeld worden. Ook dat kon niet door de beugel.

De discussie liep zo hoog op dat de NEA bijna werd opgeheven. Zover kwam het niet, maar er kwam wel een clausule waardoor de NEA bij de subsidiëring van een project rekening moet houden "met de algemene wellevendheidsregels" en respect moet hebben "voor de diverse waarden en geloofsovertuigingen van het Amerikaanse publiek."

In 1996 werd besloten politici te laten toetreden tot de NEA en de besluitvorming minder over te laten aan professionelen uit de kunstsector. Ook mochten organisaties nog maar één project per jaar indienen, waardoor belangrijke gezelschappen uit de grote steden minder kans zouden maken op subsidie. Dat is in het voordeel van organisaties in landelijkere gebieden, van waaruit vaak juist de conservatieve tegenwind kwam.

Ook een Democraat als president Bill Clinton maande de commissie aan tot voorzichtigheid. Daarmee hoopte hij conservatieve critici de mond te kunnen snoeren. Jane Alexander, die onder Clinton voorzitster was van de NEA, schreef over die periode in haar autobiografie Command Performance: An Actress in the Theatre of Politics: "Ik dacht dat de president me moest vertellen wat met de NEA moest gebeuren. Het duurde lang voor ik besefte dat de NEA en ikzelf onder de bevoegdheid van de first lady vielen."

Ook George W. Bush heeft bitter weinig interesse voor de kunstsector. Die pleit voor een cultureel adviseur voor de president. "Kunst is een bizar onderdeel van het Amerikaanse leven", aldus Randall Bourscheidt van de Alliance for the Arts, een belangenvereniging voor kunstenaars. "Bijna iedereen houdt ervan tot op een bepaald niveau, maar de meeste mensen vinden niet dat kunst een beleidsdomein is."

Alhoewel de NEA ook successen boekte - zo worden nu ook culturele organisaties in afgelegen gebieden gesubsidieerd - door de conservatieve koers van de instelling geven meer en meer, vooral experimentele, cultuurorganisaties hun hoop op subsidie op. Ofwel passen ze hun projecten aan aan de smaak van de NEA, ofwel richten ze zich tot plaatselijke overheden, stichtingen of mecenassen.

Voor de eerste subsidieronde van 2002 werd 19,4 miljoen dollar (854 miljoen frank, 21 miljoen euro) verdeeld over 819 projecten. De zwarte kunstenaar William Pope L. viel niet in de prijzen. De man die ooit, gezeten op een toilet op een wolkenkrabber in Boston, The Wall Street Journal verorberde en in New York rondliep met een witte kartonnen erectie van ruim vier meter om de "overheersing van witte fallussen" te hekelen, kon fluiten naar subsidies voor zijn overzichtstentoonstelling.

Amerikaanse overheid besloot in '65 kunst te betoelagen als politiek wapen tegen de Sovjet-Unie. Kunstsubsidiëring is al die tijd een politieke zaak gebleven

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234