Zondag 03/07/2022

Toen waren er nog vier...

Uit onvrede met het nieuwe reglement voor de literaire tijdschriften nam dichter en publicist Dirk van Bastelaere vorige week ontslag uit de Letterencommissie - het officiële adviesorgaan van de Vlaamse minister van Cultuur Luc Martens. Na toepassing van het reglement konden er van de twintig literaire bladen die een subsidie-aanvraag indienden slechts vier worden gehandhaafd. 'Pure grandguignol,' noemt Van Bastelaere het in een omstandige brandbrief waarin hij zijn ontslag motiveert. 'Dit "tijdschriftenreglement" is een intellectuele en bestuurlijke draak.'

Dirk van Bastelaere

Wie het nieuwe literaire-tijdschriftenreglement van het kabinet-Martens kende, kon de bui zien hangen. Maar op de commissievergadering van vrijdag 27 maart brak het onweer los, al was het meer een bloedregen die donker en obsceen over ons neerkletterde, een beetje zoals het occulte bloed de blote Pleuni Touw in de tv-versie van De Stille Kracht besmeurde. Tot aan de enkels stond de commissie in het bloed dat op commando van het kabinet was vergoten. Hozen hielp niet. Dit was pure grandguignol.

Na toepassing van het reglement konden er van de twintig literaire bladen die een subsidie-aanvraag indienden slechts vier worden gehandhaafd: De Vlaamse Gids, DWB, Gierik en het Nieuw Wereldtijdschrift. Geen erkenning kwam er (en dus geen subsidie) voor tijdschriften als De Brakke Hond, Deus ex Machina, Revolver, Spiegel der Letteren en Yang. A jamais revoir, les cops. Eindelijk is de Vlaamse literatuur verlost van bladen die, zoals Yang, de afgelopen vijfendertig jaar in de literatuurgeschiedenis iets hebben betekend of die, zoals De Brakke Hond in zijn laatste nummer, teksten over literatuur en politiek bevatten of die, zoals Revolver, als enig blad in het Nederlandse taalgebied met een themanummer de dichter Hugues C. Pernath gepaste eer bewezen bij de verjaardag van zijn overlijden. Luc Martens als de Pol Pot van de literaire tijdschriften. Ik geef het grif toe: de man heeft het in zich.

Een onoverkomelijk obstakel voor alle niet-erkende bladen was de door het kabinet-Martens opgelegde kwantitatieve ondergrens van 350 verkochte exemplaren per nummer. Dat was al een bijsturing van de 500 verkochte exemplaren die in een eerste versie van de tekst als noodzakelijke voorwaarde tot subsidiëring werden opgevoerd. Maar het stond in des ministers beleidsnota, dus het zou geschieden: "Ik meen dat naast de maatschappelijke relevantie van het tijdschrift, het aantal abonnementen een van de meetfactoren kan zijn, op voorwaarde dat dit gerelateerd wordt aan de aard van het tijdschrift." Jammer dat de minister zijn eigen beleidsnota's niet leest, want veel "relateren" aan "de aard van het tijdschrift" hebben we in dit dossier niet gezien.

Problematisch aan kwantitatieve criteria is dat ze zo absoluut zijn. Ten minste 350 verkochte exemplaren is ten minste 350 verkochte exemplaren en geen 340 of 320 of 300. Ik ben daar nogal formalistisch in, want een reglement is pas zinvol als het ook correct kan worden toegepast. Als je regels gaat oprekken, geef je toe dat ze niet effectief zijn en dus onzorgvuldig werden opgesteld. Laten we daaraan toevoegen dat een kwantitatieve ondergrens voor literaire tijdschriften alleen kan worden opgelegd door lieden met een totaal gebrek aan literairhistorisch en -sociologisch inzicht. De literairhistorische impact van een blad of zijn huidige positie in het literaire veld staan immers in geen enkele relatie tot zijn oplage. Zo kan een blad ondanks zijn kleine oplage literairhistorische relevantie hebben (Yang), terwijl een ander tijdschrift met een hogere oplage volkomen buiten het literaire debat staat (Gierik).

Minstens even problematisch was een andere kwantitatieve parameter. Een blad dat meer dan 1000 exemplaren verkoopt, kan aanspraak maken op een "bijkomende subsidie" van maximaal 1,5 miljoen frank "onder meer als tussenkomst in de subsidiëring van max. een voltijds personeelslid." Voor het zogenaamd gezonde boerenverstand is dit een loffelijk principe: dit lijkt een keiharde garantie dat het geld van de belastingbetaler niet aan marginale, (nou ja) projecten wordt verkwist. Die duizend exemplaren, dat staat toch voor maatschappelijke relevantie en professionalisme, meneer.

U mag mij dat eens komen uitleggen.

Het enige wat die duizend verkochte exemplaren bewijzen is dat een stel handige jongens - desnoods ver onder de kostprijs - duizend exemplaren in hun afrekening hebben opgevoerd. Het naakte getal zegt niks over populariteit, cultuurhistorische relevantie of de eventuele deskundigheid waarmee een blad is gemaakt. De klassieke vergissing die bij het literaire tijdschrift wordt gemaakt is het medium, door het marktsucces van het mainstream literaire boek, in zijn functioneren gelijk te schakelen met het commerciële boek. Omdat dit laatste een groot publiek bereikt, eisen zij van het literaire tijdschrift hetzelfde. Dat is een fundamenteel foute inschatting van het functioneren van literaire tijdschriften, die niets meer en niets minder zijn dan vakbladen voor de met literatuur en/of het culturele discours gepreoccupeerde medemens. Dat verklaart hun bescheiden oplages.

Maar laat ik hier ook even herinneren aan de bijzonder ondoordachte en weinig democratische manier waarop dit reglement tot stand is gekomen. Zonder vooraf te peilen naar mogelijk fundamentele verschillen in het functioneren van bladen als Appel, Yang, Ons Erfdeel, Kunst & Cultuur, De Witte Raaf, Obscuur, Janus, DWB en Tiecelijn werd eind 1997 een concept voorgelegd aan de Letterencommissie, die commentaar mocht leveren, waarna een tweede versie tijdens een nauwelijks twee uur durende "presentatie" op het kabinet van Luc Martens aan de verzamelde tijdschriften werd toegelicht. Vooraf hadden enkele commissieleden nochtans een brede raadpleging van de tijdschriften gesuggereerd, voordat ook maar een letter van een reglement aan het papier zou worden toevertrouwd.

Tijdschriftmakers hebben dus onvoldoende kansen gekregen om hun visie op het functioneren en subsidiëren van tijdschriften bekend te maken en erover te debatteren met hun collega's uit andere deelsectoren. Het spreekt boekdelen dat het Cultureel Centrum van Sint-Niklaas op 19 april deze oefening in plaats van de overheid heeft gepland. Ik vind dit een ontegensprekelijke blijk van het tekortschieten van het kabinet van Cultuur en van het democratisch deficit in de discussie over een problematiek waarbij tientallen, zoniet honderden schrijvers, critici, kunstenaars en academici zijn betrokken.

Het reglement is niet alleen op onoordeelkundige wijze tot stand gekomen. Bepaalde, cruciale vragen werden niet gesteld. Speelt bij de culturele tijdschriften het marktprincipe ja dan nee een rol? Staan er voor bepaalde bladen commerciële belangen op het spel? Hoe moeten die commerciële belangen in de subsidieproblematiek worden ingecalculeerd? Subsidieert de overheid een titel, een redactie, een tijdschrift of zijn uitgever (commercieel of non-profit)? Uit de dossiers van NWT en De Vlaamse Gids (beide vanaf 1998 met een totaal nieuwe redactie en een andere redactionele politiek) is gebleken dat de overheid bij voorkeur een aantal "grote namen" in stand wil houden. Dat leidt tot de volgende hilarische paradox: een redactie die autonoom een nieuw blad uit de grond stampt, zal volgens het reglement maximaal 250.000 frank kunnen krijgen. Wanneer diezelfde redactie met hetzelfde beleidsplan een bestaand tijdschrift met een grote naam overneemt, kan ze daarvoor de maximale subsidie van 2,3 miljoen frank opstrijken.

Wat wordt voorts precies bedoeld met "professionele aanpak" en hoe wordt die door de overheid gestimuleerd? Is "professionele aanpak" synoniem van "hoge oplage" of "visibiliteit op de markt" of "(slechts over afzienbare tijd te meten) literairhistorische relevantie" of "(letterlijk) gemaakt door beroepsschrijvers en voltijds kritiek schrijvende critici, die er in Vlaanderen nauwelijks zijn"?

Ook hier dient zich een vrolijke paradox aan. De honorering van auteurs vormt voortaan een formele voorwaarde tot subsidiëring. Een blad van niveau B moet dus aan de ene kant inleveren op bij voorbeeld drukkosten (zodat het er minder professioneel gaat uitzien) om aan de andere kant professioneler te gaan werken (honoraria betalen). In haar subsidieaanvraag beschrijft de redactie van Sampel deze onzin nog al te beleefd als "de kwadratuur van de cirkel".

Moeten tijdschriften gesubsidieerd worden op basis van totaal arbitrair vastgestelde subsidiebedragen, bij voorbeeld 400.000 en 800.000 frank, of moet subsidie veeleer op maat gesneden zijn. Moet ik met 400.000 toekomen als ik eigenlijk 472.000 nodig heb en wat moet ik met 400.000 beginnen als ik maar voor 230.000 heb begroot? Zijn deze vaste bedragen geen uiting van een bureaucratische, weinig flexibel ingestelde overheid die alleen maar uit is op Gleichschaltung van tijdschriften die streven naar distinctie, naar een eigen profiel?

Moet een blad erkend worden in totaal arbitrair vastgestelde categorieën A en B? Waarom geen 26 categorieën, of zoveel als er tijdschriften zijn, waarom geen drie, waarom geen negen?

In talloze opzichten is dit aan de sector en de commissie opgedrongen "Tijdschriftenreglement" een intellectuele en bestuurlijke draak. Het dreigt zowel een debâcle als regelrechte aberraties te veroorzaken. Denk in dit verband maar aan het ronduit bespottelijke initiatief van Ons Erfdeel, dat het eerste nummer van zijn nieuwe jaargang op 20.000 exemplaren gaat drukken, waarvan "10.000 exemplaren gratis worden verzonden aan een welbepaalde doelgroep", louter en alleen omdat dit in het reglement wordt aangemerkt als voorwaarde tot extra subsidie. Dit soort onzin pik ik niet. Deze klus moet worden overgedaan en dit keer vertrekkend bij de basis en de direct betrokkenen. Voor mij vormde dit gedrochtelijke reglement een voldoende aanleiding om uit de Adviescommissie Letteren te stappen. Het beleid van een minister die zijn sector dit soort regelgeving opdringt, weiger ik te legitimeren.

Laat ik hier nog aan toevoegen dat dit reglement het culminatiepunt is van een bijzonder kwalijke ontwikkeling in het "letterenbeleid" van minister Martens, dat ik in bijna vier jaar commissie met groeiende ontstemming gestalte heb zien krijgen.

In tegenstelling tot zijn voorgangers Patrick Dewael en Hugo Weckx houdt Luc Martens weinig of geen rekening met zijn adviescommissies en met verzuchtingen van de culturele sector. Een adviescommissie lijkt voor Luc Martens een leesclub met enkel een uitvoerende functie. De commissie wikt, maar de minister beschikt. Steeds vaker kreeg ik de indruk dat deze bewindsman de commissie - toch een van zijn officiële adviesorganen - minder au sérieux neemt dan de toenmalige ministers Dewael en Weckx een pressiegroep als de Vereniging van Auteurs en Vertalers. Na acties van de VAV of na overleg met deze vereniging over concrete voorstellen zoals het werkbeurzenstelsel en de additionele honoraria voor auteurs stuurden deze ministers hun letterenbeleid bij richting Nederlands model. Zou werken vanuit een pressiegroep dan toch effectiever zijn dan vanuit een officieel orgaan? Het is een vraag die ik me in de commissie vaak heb gesteld. Als ik de relatie Sector - Letterencommissie - Minister overdenk, kan ik alleen maar vaststellen dat de positieve evolutie richting een open, rationeel, op dialoog stoelend letterenbeleid dat onder Dewael en Weckx in gang was gezet, onder dit kabinet abrupt tot stilstand is gebracht.

Dat ik deze vaststelling niet alleen maakte, bleek onder meer uit het Gemeen Overleg dat op 11 december 1996 in de Brusselse Beursschouwburg plaatsvond. Danscritica Myriam van Imschoot beklaagde zich erover dat Martens sterk was afgeweken van de adviezen die door de adviescommissies voor de podiumkunsten waren verstrekt. "Van Imschoot verdenkt hem ervan de artiesten niet zo belangrijk te vinden, wel het Vlaamse Parlement en zijn eigen kiesdistrict West Vlaanderen (West-Vlaamse organisaties werden opvallend goed bedeeld)...," schreef Anne Brumagne hierover in De Morgen. In dit verband verzond het kabinet-Martens op 9 juli 1996 een memorabele ministeriële nota, waarin Luc Martens op onoordeelkundige wijze een aantal adviezen van de Letterencommissie wijzigde. De subsidie voor een manifestatie door Dietsche Warande & Belfort georganiseerd, werd door Luc Martens afgetrokken van de structurele subsidie aan het tijdschrift DWB. Op basis van twee separate dossiers en twee aparte begrotingen had de commissie - terecht - geoordeeld dat twee keer kon worden gesubsidieerd: een keer aan het tijdschrift, een tweede keer aan de manifestatie.

De subsidie aan Wek/Roep Kultuur Watou - u weet wel: Watou - werd van 200.000 naar 50.000 frank gebracht. De reden hiervoor was dat Watou de titel van Cultureel Ambassadeur had gekregen plus een daaraan verbonden bedrag van 2 miljoen frank. Voor de minister kon "...om overlapping te vermijden, het geadviseerde subsidiebedrag van 200.000 fr. naar 50.000 fr. worden teruggebracht." De dubbelzinnigheid van deze beslissing sprak boekdelen, want of het ambassadeurschap was niet cumuleerbaar met andere subsidie en dan kreeg Watou niks, of het ambassadeurschap was wel cumuleerbaar met andere subsidies en dan kreeg Watou de 200.000 frank die op basis van het in de begroting verwachte tekort door de Letterencommissie was geadviseerd.

Daarnaast waren er fraaie dossiers als: Poëzie Ruiselede (Ministeriële beslissing zonder voorafgaand advies, goed voor 60.000 frank) - van schaamteloos cliëntelisme gesproken; de 100 ministeriële abonnementen op het Nederlandse blad Nexus, terwijl van de topdrie der culturele tijdschriften slechts 61 abonnementen werden afgenomen; het optrekken met 220.000 frank tot 720.000 frank van de subsidie aan het theatertijdschrift Etcetera en dat na een persoonlijk gesprek van de redactie met het kabinet.

Deze en andere handelingen (zoals de oprichting van de gemengde Commissie Productiesubsidies) van het kabinet getuigen van een feitelijke depreciatie van de Letterencommissie en van een diepgaande uitholling van haar bevoegdheden.

Een uitspraak van minister Martens in het weekblad Knack was in dit verband significant: "De commissies moeten duidelijker durven kiezen. Zoals de Commissie Letteren: iedereen die daar langs komt, krijgt iets toegestopt. De commissie wil kennelijk iedereen te vriend houden en deelt eigenlijk alleen maar wat leuke dingen uit. Van cultuurpolitieke prioriteiten of visie is amper sprake." Zelden heb ik een schandelijker publieke desavouering van een commissie gezien door een minister die geen enkel initiatief ondernam om ook maar de geringste officiële communicatie met zijn commissies te installeren. Let wel: ik bedoel hier geenszins dat het kabinet zich met de adviezen zou gaan bemoeien, integendeel. Ik heb het hier over een effectieve uitwisseling van gedachten over procedures, bevoegdheden en taakverdeling. Bovendien is het juist de verdienste van deze Letterencommissie geweest, dat ze met grote regelmaat procedures heeft bijgestuurd, want vier jaar geleden waren zowel de procedures voor werkbeurzen als voor productiesubsidies een regelrechte puinzooi. Ook op het vlak van Verenigingen en manifestaties, Lezingen en Tijdschriften heeft de zittende commissie interessante denksporen uitgezet.

Wat ik vooral laakbaar vind aan het beleid van deze minister is dat hij door de al te letterlijke uitoefening van zijn beslissingsbevoegdheid alles in het werk heeft gesteld om mensen uit de sector te incrimineren. Daartoe hanteerde hij een scenario dat velen in de culturele sector bekend in de oren klinkt: over een bepaald dossier verstrekt de bevoegde commissie advies; de minister wijzigt dit advies in negatieve zin; de betrokkenen richten zich direct tot de minister; die staat een onderhoud toe en voert een lichte, dit keer positieve correctie uit.

Deze "persoonlijke gesprekken" vormen een zo constante factor in het beleid van deze minister, dat je ze gerust een bewuste taktiek kunt noemen. Zo schreef Luc Martens, ten tijde van het Gemeen Overleg, in een reactie op de klacht dat hij adviezen naast zich neerlegde: "Er is, bij wijze van spreken, geen kunstenaar, geen lid van een commissie en geen organisator die niet aandringt op een persoonlijk onderhoud met de minister om aan te geven hoe de - soms schaarse - middelen beter besteed kunnen worden."

Een mooi staaltje Nieuwe Politieke Cultuur. Door de adviezen van zijn commissies onoordeelkundig te wijzigen en daarna de betrokkenen te ontvangen om een deal te sluiten, ondermijnt een politiek verantwoordelijke zelf de geldende procedure en structuren. Te laat met uw aanvraag? Wendt u tot het kabinet! Is het budget voor verenigingen op? De minister verrekent deze subsidie wel even op het tijdschriftenbudget.

Mij zou het niet verwonderen als de systematische uitholling van de adviesprocedure een bewuste politieke strategie was, vooral ontwikkeld ter legitimatie van Martens' eigen Raad voor Cultuur. Eerst de commissies delegitimeren door adviezen te wijzigen en ze in de media desavoueren en ten slotte je eigen glorieuze, megalomane, maar topzware Raad voor Cultuur als alternatief voorstellen.

Ik vind dit soort praktijken aberrant.

Ze lijken mij een last ditch-gevecht van de politiek tegen een steeds autonomer opererende culturele sector. De wijziging van adviezen is de enige mogelijkheid die de politicus overblijft om invloed uit te oefenen op de culturele besluitvorming. Zolang de beslissingsbevoegdheid in concrete dossiers bij een politicus blijft, riskeer je dit soort aberraties. Ik zei het al eerder en ik zeg het opnieuw: "Het is een volwassen politieke cultuur die haar eigen beperkingen erkent en verantwoordelijkheden delegeert."

Dirk van Bastelaere

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234