Zondag 02/10/2022

Tuinen uit de tijd van Rubens

In 1520 noteerde de Duitse schilder Albrecht Dürer na een bezoek aan Brussel in zijn reisdagboek dat hij 'achter het Koninklijk Paleis een tuin heeft gezien met fonteinen, doolhoven, een dierenpark, een prachtig domein dat hem een paradijs lijkt, iets wat hij nog nergens anders is tegengekomen'. Ook in latere jaren roemen buitenlandse bezoekers de koninklijke tuinen op de Coudenberg in Brussel en in Mariemont en de adellijke tuinen van Heverlee, Edingen, Chimay, Gaasbeek en andere. Over die roemrijke maar grotendeels onbekende tuingeschiedenis loopt momenteel een merkwaardige tentoonstelling in het Gustav-Lübcke-Museum in het Noord-Duitse Hamm: 'Gärten und Höfe der Rubenszeit'. De belangstelling uit België voor deze tentoonstelling blijft intussen wel zeer beperkt.

Op de tentoonstelling wordt de tuincultuur in de zuidelijke Nederlanden in de tijd van Rubens, de periode tussen 1570 en 1640, geëvoceerd aan de hand van ruim tweehonderd werken, hoofdzakelijk schilderijen van tijdgenoten van Rubens, maar ook beeldhouwwerken, wandtapijten, gedecoreerde meubels en muziekinstrumenten, antiek tuinmateriaal en tuinplans. Het gaat daarbij niet alleen om de tuin als geografische entiteit of als tuinbouwkundige realisatie, maar ook als artistiek project en als inspiratiebron voor kunstenaars uit de meest diverse disciplines. Er staat zelfs een authentiek beeldje van Manneke Pis uit de zeventiende eeuw, afkomstig uit een Amerikaanse privé-collectie. Het pissende manneke, de putto piscatore, was oorspronkelijk immers geen straatbeeldje maar een geliefd motief op fonteinen in Italiaanse en Belgische siertuinen.

Absolute top

"In de zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw behoorde ons land in Europa tot de absolute top inzake tuinen", zegt Chris De Maegd, een Vlaams kunsthistorica die meewerkte aan de tentoonstelling in Hamm. "De Spaanse koning Philips II rekruteerde hier zelfs de tuinmannen voor zijn Spaanse residenties. Als je over de zeventiende eeuw iets leest, dan gaat het altijd over Versailles of over tuinen in Holland of Engeland. Maar dat wij hier lang voor die landen al schitterende tuinen hadden, dat is blijkbaar niet bekend. Versailles, Hampton Court, Het Loo, enzovoorts, die zijn allemaal geïnspireerd op wat vijftig jaar eerder bij ons werd gemaakt. Dat zie je op deze tentoonstelling. Dat is toch ongelooflijk. Als je ziet dat er op het einde van de zestiende eeuw rond Antwerpen alleen al meer dan 370 heerlijkheden lagen, ook huyssen van playsantie of speelhuisen genoemd, waar altijd een tuin bij was, dan besef je pas hoe belangrijk tuinen in die periode in ons land waren. Ook in de rand rond Brussel, bijvoorbeeld in Sint-Joost, waren er in die tijd tientallen schitterende tuinen. Zelfs de Abdij van het Park uit Leuven had daar een prachtig huys van playsantie waar de abt zich met zijn gasten kon terugtrekken."

Iedereen die het zich financieel kon permitteren had in die periode zo'n huys van playsantie. Niet alleen de hoge adel maar ook rijke handelaars en bankiers, hoge ambtenaren en de hogere clerus. Wie minder geld had, kocht een grote pachthoeve en reserveerde daar voor zichzelf een zogenaamde herenkamer. Op die manier konden ook de minder rijken genieten van het buitenleven, terwijl het ook nog iets opbracht. Bij die huyssen van playsantie hoorde trouwens altijd een boerderij, een neerhof met een pachter. Die onderhield het landgoed en zorgde er ook voor dat het rente opbracht.

"Zo'n tuin kostte werkelijk fortuinen. De aanleg van de tuinen in Lembeek kostte bijvoorbeeld 90.000 gulden, de aankoop van planten alleen al kostte 2.000 gulden. Dat is een enorm bedrag als je bedenkt dat een gewone ambachtsman zo'n 100 à 200 gulden per jaar verdiende."

Rubens

Het feit dat de tentoonstelling in Hamm is opgehangen aan de figuur van Rubens is geen toeval. Hij was niet alleen de belangrijkste schilder van zijn generatie, hij maakte ook deel uit van het exquise kringetje van gefortuneerde Antwerpse humanisten dat geïnteresseerd was in de botanica en in tuinen. Hij bezat trouwens aan de Wapper in Antwerpen een tuin die hij zelf had ontworpen en die hij ook verscheidene keren heeft geschilderd. Daarnaast had hij ook nog "een hoeve metten huysse van plaisantie geleghen tot Eeckeren" en kocht hij later het kasteel het Steen in Elewijt. Bovendien was hij een groot tuin- en plantenliefhebber. Getuige bijvoorbeeld het feit dat hij in 1615 een exemplaar van het beroemde bloemenboek Hortus Eystettensis van Basilius Besler kocht voor de prijs van 98 gulden, wat zelfs voor iemand als Rubens een hele investering was, meer dan het jaarloon van zijn hoofdtuinman.

Rubens heeft ook enkele sleutelwerken geschilderd in verband met de tuin. Tijdens zijn verblijf aan het Hof van de Hertog van Mantova in het begin van de zeventiende eeuw had hij de Italiaanse renaissancetuinen leren kennen en was hij ook onder de indruk gekomen van de Venetiaanse schilderkunst zoals Veronese en Titiaan. In navolging daarvan lanceerde Rubens in Antwerpen een nieuwe stijl in de portretkunst die snel navolging kende: de personages worden niet langer afgebeeld tegen een neutrale achtergrond of in een besloten ruimte, maar worden gesitueerd in een landschap of een tuin. Ze staan of zitten op een rijkelijk gedecoreerd terras dat uitkijkt over een tuin of een landschap of ze lopen door een tuin.

Het tuinmotief op deze schilderijen is niet zomaar decoratie. De tuin, de beelden waarmee hij is gedecoreerd en de planten die er groeien, hebben meestal ook een allegorische betekenis. Ze zeggen iets over de personages, voegen iets toe aan het portret. Soms gaat het om symbolische verwijzingen naar antieke goden of verhalen uit de bijbel. Vaak fungeert de tuin op de achtergrond als een teken van rijkdom of goede smaak, een statussymbool, of als een bewijs van de intellectuele capaciteiten van de geportretteerden.

Voor vele schilders waren de tuinen ook een allegorie voor de lente en voor nieuw leven, maar ook voor liefde en erotiek. Volgens Barbara Welzel, een van de samenstelsters van de tentoonstelling, is het beeld van de tuin als een plaats der liefde eeuwenoud maar kreeg het in de zeventiende eeuw een nieuwe betekenis. Waar de tuin in de Middeleeuwen nog symbool stond voor de hoofse liefde en de besloten tuin zelfs een symbool was voor de maagdelijkheid van Maria, wordt het geleidelijk aan een oord van erotiek en zelfs vleselijke lusten. Van hortus conclusus wordt het een hortus voluptatum.

Op de tentoonstelling zijn verschillende werken te zien waar die liefdesthematiek nadrukkelijk aan bod komt. Zo hangen er enkele schilderijen waarin het verhaal van koning David en de mooie Bathseba wordt gesitueerd in een typische Vlaamse tuin. Voor wie het verhaal niet kent: David zag vanuit zijn paleis Bathseba baden en was op slag verliefd. Ze was echter gehuwd met generaal Urias. Om zijn rivaal uit de weg te ruimen stuurde David hem naar het slagveld, waar hij sneuvelde, zodat de koning vrij spel kreeg om Bathseba het hof te maken.

En van de opmerkelijkste schilderijen op de tentoonstelling van een onbekende Vlaamse meester bevat zelfs een waarschuwing tegen syfilis: men ziet een tuin met een Venus-fontein en een luitspelende prostituee; een jongeman laaft zich aan het water van de fontein die volgens een onheilsprofeet de bron is van de verschrikkelijke ziekte. Blijkbaar viel de hortus voluptatum niet bij iedereen in de smaak.

"Overal in Europa ontstonden er in die tijd tuinen, maar wat misschien typisch is voor België is dat het hier ook een apart genre in de schilderkunst is geworden", meent Chris De Maegd. "In feite maakten de tuinen deel uit van het kunstkabinet dat toen in de mode was. Dat bevatte schilderijen maar ook alle mogelijke rariteiten uit de natuur. En die tuin maakte daar deel van uit. Met levende planten en als dat niet kon dan met gedroogde planten, een hortus siccus, een droge tuin. Of ze lieten bloemen en tuinen schilderen en hingen die op zodat ze ook in de winter of in de stad konden genieten van hun tuin."

'Oorlof'

Omdat van die tuinen nauwelijks iets is bewaard gebleven, is het dankzij dergelijke schilderijen en afbeeldingen dat we ons een idee kunnen vormen hoe die tuinen eruitzagen, welke planten er groeiden, hoe onze (rijke) voorouders hun tuinen decoreerden met ingenieuze fonteinen en waterspelen, met doolhoven en bosschages, met allegorische beelden uit de antieke mythologie en de bijbel en wondere grotten, en welke rol tuinen speelden in hun leven.

"Je moet natuurlijk altijd een onderscheid maken tussen wat de schilderijen vertellen en hoe het er in werkelijkheid uitzag", waarschuwt Chris De Maegd. "Een schilderij is een medium. Het is wel op de werkelijkheid gebaseerd, maar het valt er niet mee samen. Maar ze zijn natuurlijk wel een essentiële bron van informatie over die tuinen."

Die lusttuinen waren sterk geïnspireerd op de Italiaanse renaissancetuinen, maar ze behielden nog een aantal middeleeuwse elementen. Het ging om geometrische tuinen met omhaagde parterres en onderverdeeld in strakke bedden waar de vaak zeldzame en zeer kostbare exotische bloemen en planten die nog maar net geïntroduceerd waren in onze streken, in volle glorie werden geëxposeerd. Vooral de nieuwe bolgewassen waren zeer populair - in de noordelijke Nederlanden zou enkele jaren later de befaamde tulpengekte toeslaan - en ook citrusboompjes droegen in hoge mate bij tot het prestige van de eigenaar. Bomen en struiken werden in vorm gesnoeid; op de tentoonstelling is bijvoorbeeld een gravure te zien van het kasteel van Mariemont met een heel jachttafereel in vormsnoei. Een vast ingrediënt waren de loofgangen, meestal gemaakt van kunstig bewerkt hout waarover klimplanten of hagen werden geleid, een erfenis uit de Middeleeuwen. Nog een erfenis uit de Middeleeuwen waren de vele tuinpoortjes in alle vormen en formaten die de verschillende compartimenten van de tuin afsloten. "Je moet namelijk weten dat al die grote tuinen, zelfs de koninklijke tuinen op de Brusselse Coudenberg, permanent toegankelijk waren voor het publiek. Iedereen die deftig genoeg gekleed was, mocht er binnen. Alleen bedelaars en uitschot werden er geweerd. Precies omdat ze een uiting waren van status en van rijkdom, en dat mocht worden getoond", aldus De Maegd. Maar er lag altijd wel een giardino secreto, geen geheime tuin maar veeleer een privé-tuin, ommuurd en afgesloten, die gereserveerd was voor de familie en de intieme vrienden. Daar stonden ook de kostbaarste planten.

Water was alomtegenwoordig in de zeventiende-eeuwse tuin. In de vorm van gebeeldhouwde fonteinen, Venus-bronnen, kanaaltjes, vijvers, grotten met vaak ingewikkelde waterwerken en waterspellen of 'bedriegertjes', verborgen fonteintjes die plots begonnen te spuiten en de bezoekers een nat pak bezorgden, zeer tot jolijt van alle aanwezigen. Want de tuin was niet alleen een botanisch of architecturaal kunstwerk, het was ook bedoeld als een 'speelhuis' waar het aangenaam verpozen was met familie en vrienden en waar gespeeld en gefeest werd.

"De welgestelde kringen wijdden er zich aan tijdverdrijf - het zeventiende-eeuwse Nederlands had er zelfs het woord oorlof voor - dat verschillende vormen aannam: wandelen, converseren, dansen, zingen en musiceren, boogschieten en met de bal spelen, bootje varen en zwemmen, simpel niets doen of drinken en eten aan feestelijke banketten", aldus Chris De Maegd. "De tuinen bij de huyssen van playsantie boden het geschikte decor voor de nieuwe vermaakcultuur." Een soort pretparken avant la lettre.

De meeste tuintaferelen uit de zeventiende eeuw spelen zich af in dure lusttuinen die alleen de allerrijksten zich konden permitteren. Dat in die tuinen ook moest worden gewerkt, is slechts terloops te zien, onder meer in enkele werken van Breughel, Teniers en Jan Steen. Soms zie je op hun schilderijen ook het gewone volk dansen op het dorpsplein in de schaduw van een etagelinde of rond een meiboom, op een boerenerf of voor de poorten van een chique lusttuin.

Nutstuinen komen zelden in beeld, maar ze zijn volgens Chris De Maegd wel aanwezig via de 'omweg' van hun vruchten. Op sommige schilderijen, meestal allegorieën van lente of zomer of schilderijen die verwijzen naar de zintuigen, is een weelde van groenten en fruit te zien. In hun overvloed verbergen ze vaak erotische betekenissen of dragen ze bij tot de allegorische lectuur van de voorstelling.

Vrede

Hoe is die bloeiende tuincultuur in ons land te verklaren?

"De belangstelling voor tuinen begint met de belangstelling voor de natuur, voor planten en bloemen. Wat je daarmee kunt doen, praktisch maar ook puur voor het plezier, om eraan te ruiken en ernaar te kijken. In plaats van alleen maar te kijken naar God en naar wat de bijbel voorschreef, begon men ook interesse te hebben voor wat er zich werkelijk afspeelde in de natuur. De belangstelling voor bloemen, voor levend materiaal was enorm belangrijk. En voor natuur die ze kunnen controleren en perfectioneren. De ogen gingen open, men begon zich vragen te stellen over de wereld rondom zich", zegt Chris De Maegd.

"Eigenlijk is dat al begonnen in het begin van de zestiende eeuw met figuren als Dodoens, Clusius en Lobelius, die als de absolute wereldtop kunnen worden beschouwd op het vlak van de botanica. Iedereen die naam en faam had, was toen geïnteresseerd in de botanica, dat als een van de belangrijkste wetenschappelijke disciplines werd beschouwd. Onder invloed van die interesse voor de natuur en de botanica en naar het voorbeeld van de Italiaanse Renaissance, waar tuinen ook vreselijk belangrijk waren, begonnen rijke edellieden en gefortuneerde burgers tuinen aan te leggen. Pas geïntroduceerde soorten bloemen, planten en bomen gaven uiting aan de status van de eigenaar."

"Door de godsdienstoorlogen en de uittocht naar Nederland in de tweede helft van de zestiende eeuw is dat even stilgevallen. Maar op het einde van de zestiende eeuw, met Albrecht en Isabella, kwam er een nieuwe periode van welvaart en kende ook de tuincultuur een enorme bloei. Dat heeft de hele zeventiende eeuw geduurd, ook toen er opnieuw oorlogstroebelen uitbraken. Maar die oorlogen werden in Duitsland uitgevochten en niet meer in onze gewesten. Het is pas tegen het einde van de zeventiende eeuw en het begin van de achttiende eeuw dat hier opnieuw werd gevochten en dat alles weer is verloren gegaan."

"Je mag ook de invloed van humanisten zoals Erasmus en vooral Justus Lipsius niet onderschatten. Het is een tijd van oorlogen en van een streven naar vrede die er nooit komt. Dus wordt de tuin, zoals in de Oudheid, de plaats waar men kan herstellen, waar men rust vindt, waar men aangenaam kan converseren met vrienden, waar niets moet. Tuinen waren een emanatie van het paradijs, een ideaal waarnaar men streefde. Voor Justus Lipsius was de tuin een plaats van rust en van genoegen, een verkwikking voor de geest en een streling voor de zintuigen. Wat wij in feite vandaag ook nog van onze tuin verlangen. Wij lopen van hot naar haar, maar in het weekend zitten we graag in onze tuin. Bovendien was de tuin de plek bij uitstek waar de mens de natuur naar zijn hand kon zetten - de tuin als de zilversmederij van de natuur, zoals het toen heette - maar waar hij tegelijk de hand van God kon bewonderen in de kleinste bloem."

"Je moet je ook goed realiseren dat de wereld er toen helemaal anders uitzag dan vandaag. De steden waren vies en vuil, met smalle straatjes vol afval, donker, overal modder en stof. Vandaar dat iedereen die het zich kon permitteren die stad zoveel mogelijk ontvluchtte en op het platteland in de nabijheid van de stad - want men moest er op een dagreis raken - zijn eigen geciviliseerde wereld creëerde. Op sommige schilderijen kun je mooi zien dat er een hemelsbreed verschil bestaat tussen datgene wat door de mens werd gecultiveerd (velden en vooral tuinen) en de wereld daarbuiten."

"Het verwondert mij altijd dat over deze glorierijke periode uit onze geschiedenis zo weinig bekend is. En ik heb het dan niet alleen over de tuinen maar bijvoorbeeld ook over de architectuur", zo besluit De Maegd. "Ik vind het dan ook een schande dat deze tentoonstelling in Duitsland moet worden georganiseerd en dat ze niet naar België komt. De organisatoren hebben geprobeerd om in België sponsors te vinden zodat ze ook hier te zien zou zijn, maar ze hebben overal bot gevangen. Ik kan alleen hopen dat een Vlaamse uitgever alsnog bereid wordt gevonden om de uitstekende catalogus in het Nederlands te vertalen zodat de informatie voor een groter publiek toegankelijk wordt."

Paul Geerts

De tentoonstelling Gärten und Höfe der Rubenszeit loopt nog tot 14 januari in het Gustav-Lübcke-Museum in Hamm. Ze is dagelijks geopend van 10 tot 18 uur, op woensdag tot 20 uur. Maandag gesloten.

Nadien verhuist de tentoonstelling naar het Landesmuseum in Mainz (van 4 maart tot 24 juni 2001).

Tel. 00-49-2381-175704 of 175708 of via e-mail: Gustav-Luebcke-Museum@stadt.hamm.de

Bij de tentoonstelling hoort een schitterende catalogus. Hierin worden niet alleen alle werken die op de tentoonstelling zijn te zien afgebeeld en becommentarieerd maar zijn ook een aantal uitstekende essays opgenomen over uiteenlopende aspecten van de tuincultuur in de tijd van Rubens (uitgegeven bij Hirmer Verlag München, ISBN 3-7774-8890-9).

Parallel met de hoofdtentoonstelling loopt er nog een kleinere tentoonstelling van de hedendaagse Duitse kunstenares Lili Fisher, Herbarien.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234