Vrijdag 30/09/2022

Tussen de kale rots en de wereld

In het spoor van de dichter Ted Hughes in Yorkshire

Een reportage door Peter Nijmeijer

Ooit zag ik een film waarin een vrouw boven op een heuvel in het Ierse Wicklow staat. Ze kijkt naar beneden en ziet daar een klein figuurtje uit een auto stappen. Na een tijdje beseft ze dat dat figuurtje net zo gekleed gaat als zijzelf en dat de auto haar auto is. Ze kijkt naar zichzelf. Sterker nog, ze kijkt terug naar zichzelf. Want ook de vrouw in het dal kijkt nu omhoog en ziet haar evenbeeld op de heuvel staan. De vrouw is op twee plekken tegelijk aanwezig.

Die zelfde sensatie dringt zich aan me op in een stadje in het zuidwesten van Yorkshire. In Mytholmroyd, in het dal van de rivier de Calder, staat een reusachtige kale rots recht tegenover het kleine saaie centrum. De rots staat hier alle levendige kleuren van de wereld te verbannen. Zelfs op de zonnige ochtend dat ik er arriveer lijkt heel Mytholmroyd te baden in een doem van bruin, grijs en zwart. De ene Coronation Street na de andere ontrolt zich onder mijn voeten als ik het kleine stationnetje achter me laat. En een sfeer van ontevredenheid binnenstap. Wrevel ook, omdat voorbijkomende auto's hier slechts met tegenzin lijken te stoppen (zelfs voor dat ene stoplicht in dit stadje) en door willen razen naar aanlokkelijker oorden als Leeds, Halifax en Manchester.

"Alles in Mytholmroyd is enigszins onaangenaam. Alsof niets en niemand de vluchtroute naar het geluk heeft weten te vinden," schreef de Engelse dichter Ted Hughes over zijn geboortestad. Voor hem leek het alsof zijn stadgenoten zich vrijwillig lieten opsluiten op een steenworp afstand van hun aanstaande graf. Zich neerlegden bij een bestaan in een van de plaatselijke textielfabrieken en een handvol hoogtepunten, zoals huwelijk en een paar keer winkelen in de grote stad.

Hughes, de voorlaatste Poet Laureate van het Britse koninkrijk, werd hier in 1930 geboren. Niet ver van de rots en niet ver van het stationnetje, in een grauw hoekhuis aan de Jubilee Road, waar de enige plaque in heel Mytholmroyd dit heuglijke feit memoreert. Hughes kwam deze grauwe omgeving binnen als de tweede zoon van een tobacconist. Wat tot zijn geluk inhield dat hij vrijelijk over de striptijdschriften uit de winkel van zijn vader kon beschikken.

Terwijl hij op zijn tochten door de natuur buiten het stadje de uiteenlopendste dieren tegenkwam. Daardoor werd zijn verbeelding van begin af aan gevoed door zowel echte als mythische wezens en dingen, een combinatie die later ook zijn gedichten zou bepalen.

Vanuit de slaapkamers op de eerste verdieping van Hughes' kleine ouderlijk huis kun je de rots bijna aanraken. Scout Rock wierp zijn licht en vooral zijn schaduw eerst over de wieg en vervolgens over de eerste acht levensjaren van de dichter in spe. Hij stond letterlijk tussen de bewoners van Mytholmroyd en de wereld, aangezien in Engeland de wereld altijd ergens in het zuiden lijkt te beginnen. Ook op deze zonnige ochtend kan ik me levendig voorstellen dat de zware slagschaduw van Scout Rock "een neerwaartse kracht was die zich in ieders hoofd nestelde".

Zoals ik me ook kan voorstellen dat Ted Hughes hier eenzelfde ervaring heeft gehad als de vrouw in de Wicklow-film. Met dit verschil dat de oudere dichter, staand voor zijn geboortehuis, niet zijn evenbeeld ziet maar het jongetje dat hij ooit was en dat nu even naar zijn ouderlijk huis terugblikt. Voor hij zich omkeert en het land achter de rots inloopt. Want achter Scout Rock ligt het territorium van de dichter Hughes.

Op zijn zesde beklom de kleine Hughes de rots voor het eerst. Hij werd langs een pad naar boven geleid door zijn vijf jaar oudere broer, die in het geniep stroopte. Die broer vertelde hem ook de eerste natuurverhalen, die in zijn oren magische proporties aannamen. Het was op zich al magisch genoeg dat hij voor het eerst op de top van de rots stond, een punt waar hij zes jaar lang naar gestaard had. En waar hij tot de ontdekking kwam dat zijn ouderlijk huis slechts een piepklein onderdeel vormde van de besloten wereld in het dal. Maar het waren de verhalen van zijn broer die een hele nieuwe wereld voor hem ontsloten.

Zo was er het verhaal van de duif die werd neergeschoten maar toch nog zonder een klapwiek morsdood voort vloog en twee kilometer verderop in het dal neerstortte. Of dat van de zwerver die in het kreupelhout op de rots lag te slapen en de pech had door een onverhoedse beweging door een jager voor een vos te worden aangezien. Een graf in het vochtige kerkhof in het dal werd zijn deel. Of het verhaal van een ver familielid dat het fabrieksleven beu was en deed waar het hele dorp op zat te wachten. Hij sprong van Scout Rock en miste het stationnetje op een haar.

Na de verhalen kwamen de moors. Want achter Scout Rock strekten zich de schier oneindige moorlands uit waarvoor het noorden van Engeland zo beroemd is. Tot in Haworth en ver daarachter. Haworth, waar in de negentiende eeuw de zusters Brontë woonden en waar Emily door de moors geïnspireerd werd tot het schrijven van de roman Wuthering Heights. Alleen was Ted Hughes alles behalve een romantische Heathcliff. Hughes liet zich inspireren door de wreedheid en de willekeur van de natuur en de dierenwereld die hij op de paarsgroene moors aantrof. Inclusief roofvogels, vossen en wilde schapen. In een essay heeft hij de vraag waarom hij gedichten schreef eens als volgt beantwoord: "Wat mijn verbeelding prikkelt, is de oorlog tussen vitaliteit en dood. Van mijn gedichten kan gezegd worden dat ze de wapenfeiten van de krijgers aan beide kanten verheerlijken." In vele van die gedichten zijn de moors het theater waarin die oorlog tussen vitaliteit en dood zich voor hem afspeelt.

Niet dat Hughes geen compassie met de slachtoffers heeft. Integendeel. Samen met zijn tweede echtgenote en zijn schoonvader heeft hij aan het eind van de jaren zeventig ver van Mytholmroyd, in het noorden van Devon, zelfs een boerderij bestierd. In zijn bundel Moortown staan gedichten waarin hij met veel liefde over de dieren op zijn erf schrijft. Maar in de meeste andere gedichten over dieren (en dat zijn er talrijke in zijn werk) heerst het principe van leven of geleefd worden. Voor hem is het slachten van een varken niet alleen een noodzakelijkheid. Hij ziet er ook een zekere schoonheid in.

Wie met de trein vanuit Manchester naar Hebden Bridge, het zenuwcentrum van Hughes Country, reist heeft aanvankelijk het idee uit de beschaafde wereld weg te rijden. Het begint al met een aftandse kermis van zo'n zeven attracties in een modderveld tegenover een supermarkt waar ik van mijn leven nooit iets zou willen kopen. Dan Rochdale, met stalen constructies als surrealistische achtbanen, die bij nader inzien de ruïnes van stokoude fabrieken blijken te zijn. Allengs gaan de buitenwijken van Greater Manchester over in een gebied met grijs golvende heuvels. Je weet nu zeker dat deze trein je naar de naargeestigste plek van Engeland zal voeren. Misschien dat daarom de grote decorbouwer zoveel tunnels op dit traject heeft ingelast. Als om aan te geven dat het zicht toch niet veel soeps is. Tussen Manchester en Hebden Bridge, een afstand van amper veertig kilometer, tel ik maar liefst zeventien tunnels.

Maar zie, na de dertiende tunnel worden de heuvels steiler en zowaar groen. De eerste stenen muurtjes verschijnen langs de kronkelende weggetjes, net als stenen bruggetjes die zich als hoge ruggen over kleine stroompjes buigen. Toch is dit landschap niet echt idyllisch. Het is idyllisch en grauw tegelijk. Todmorden heeft een zandstenen station, maar ook een panorama van lugubere staketsels en iele fabriekstorens. Het is alsof iemand besloten heeft dat fabrieken per definitie lelijk moeten zijn.

Hebden Bridge. Rustieker dan ik verwacht had. Toch is dit de geboortegrond van de Industriële Revolutie, althans zo afficheert het English Heritage Centre dit gebied. Alleen heeft hier iemand besloten dat fabrieken ook mooi kunnen zijn. De textielfabrieken, of mills, zijn hier zodanig gerestaureerd dat ik me in een openluchtmuseum waan. Al bekruipt me het gevoel dat de natuursteen waarmee de muren hier bekleed zijn eerder uit een Beatrix Potter-boek afkomstig zijn dan uit de negentiende eeuw. Toch zijn hier nog genoeg grauwe gebouwen en nauwe zijkanaaltjes van het Rochdale Canal om een authentieke sfeer op te roepen. Helaas schijnt dit ook een zekere popperigheid met zich te moeten meebrengen. Het Laura Ashley-gehalte van Hebden Bridge begint al na een oogopslag te irriteren.

Je zou denken dat Ted Hughes en zijn werk, na zijn dood in 1998, hier een populair onderdeel van de tourist trail vormen. Maar dat blijkt, eigenlijk tot mijn opluchting, niet echt het geval te zijn. Wel komt zijn naam voor in een folder van de Tourist Board, Literally Speaking, waarin de bekendste in deze streek geboren schrijvers vermeld staan. Onvermijdelijk eisen de Brontës de meeste ruimte op, maar ook aan Hughes wordt een aantal alinea's gewijd. Nogal voorspelbaar wordt gemeld dat hij vele elementen van het landschap van deze South Pennines in zijn gedichten verwerkt heeft. Van de "dode boerderijen die zich vastklampen aan de lange arm van de wereld tot en met de dorpen waarin alles verregend wegrot", een citaat dat weinig recht doet aan zijn gedichten over dieren en andere natuurverschijnselen.

Toch klopt, volgens welingelichte kringen, die terreur van de regen wel. Helaas is het vandaag een stralende dag. Om de dieptreurige toekomstloosheid van dit dal optimaal te ervaren, moet je hier liefst op een druilerige avond in maart arriveren. En dan direct een taxi nemen naar een pub die de onwaarschijnlijke naam Stubbing Wharfe draagt. Hier zaten Ted Hughes en de Amerikaanse dichteres Sylvia Plath, met wie hij een veelbeschreven stormachtige relatie had, ruim veertig jaar geleden op een voor dit dal karakteristieke winteravond.

Hughes memoreert die avond in een gedicht dat 'Stubbing Wharfe' heet en voorkomt in de bundel Birthday Letters (1998), waarin hij in bijna tweehonderd bladzijden poëzie zijn versie van zijn relatie met Plath geeft. Hughes kreeg in 1996 te horen dat hij kanker had en besloot eindelijk, aan het eind van zijn leven, zijn stem te verheffen tegen wat hij "het koor van feministische Lit. Crit." noemde. Dat koor zong in alle toonaarden dat hij de zelfmoord van zijn vrouw in 1963 op zijn geweten had. Het genoemde gedicht begint als volgt:

Tussen het kanaal en de rivier Zaten we in de kleverige donkere bar. Winteravondregen. De duistere bult van de brug en haar keien Zwart zwetend onder straatlampen van druilerig geel. En de hellingen die recht omhoogstaken, de hoge bossen, Een klitttende massa winterse natheid, en het veenland Dat zich bijna boven ons sloot. De beklemmende Doorweekte treurigheid van de hele vallei, De hopeloze oude stenen fuik ervan. Waar gaan we wonen?

Hughes en Plath waren na een tweejarig verblijf in New England teruggekeerd naar een plek waar het oude Engeland op z'n treurigst was. We schrijven januari 1960. Plath haat Engeland. Zij vindt het land "depressionistisch", vergelijkt deze plek in Hebden Bridge met "een luchtbel in de gezonken Titanic". Wat met enige inkleuring van regen en mist in de dreigende heuvels buiten, zoals in het gedicht van Hughes, bevestigd kan worden. Maar buiten heerst vandaag de zon. En binnen ontbreekt iedere verwijzing naar Hughes en Plath. Ik vraag de landlady of ze ooit van deze dichters gehoord heeft. Of dan in ieder geval van Hughes' bundel, die een paar jaar geleden in alle media het nodige stof deed opwaaien. Nooit van gehoord. Terwijl Hughes toch zo'n kilometer of vijf hiervandaan, in Mytholmroyd, geboren is en een groot deel van zijn leven in deze streek gewoond heeft. De vrouw geeft geen kik. Maar ze weet wel dat "a weird poetess" die zelfmoord gepleegd heeft boven op de heuvel begraven ligt.

Die kennis maakt haar toch al niet zo sprankelende gelaat nog vermoeider. Aan de muur hangt een negentiende-eeuwse gravure van deze herberg, gezien vanaf de Hell Hole, een steile rots die dit deel van het Calder-dal overschaduwt. En opeens begrijp ik die eerste regel van 'Stubbing Wharfe'. Achter de pub leidt namelijk een trap omhoog naar een voetpad dat langs het kanaal loopt. In de pub zit je letterlijk tussen een kanaal en een rivier gevangen. Gelukkig wordt het water in het vijf meter hoger liggende kanaal door sluizen gecontroleerd, anders zou die luchtbel in de Titanic wel eens letterlijk waar kunnen worden.

De kasteleinse brengt me een guinness, besteld omdat Hughes dat toen ook dronk. Hij probeerde er zelfs, als uit een glazen bol, zijn toekomstige huis uit tevoorschijn te toveren. Louis Armstrong zingt dat het a wonderful world is. En ik kijk uit naar de vijf vrolijke bowlers die Plaths melancholie destijds hyperengels kwamen opfleuren. Maar de tijden zijn veranderd. Ik word vergast op wel vijftig Hell's Angels, die me met hun Amerikaans ronkende motoren de heuvels injagen.

Sylvia's graf ligt op nauwelijks drie kilometer van de pub. Maar je moet er wel tweehonderd meter hoogteverschil voor overbruggen. Steil omhoog. Keien, kinderhoofdjes, een kronkelend nauw straatje, een oud-weversdorpje met 'Olde Worlde'-allures: Heptonstall. Begeerde lokatie voor kostuumfilms. Donkere huisjes. Niemand op straat. Doodse stilte. Zelfs de twee pubs zijn verlaten. Een onzichtbare kracht heeft er alles aan gedaan om het graf weg te moffelen. Nergens een wegwijzer te bekennen.

Op een kerkhof met veel plaats voor nieuwe doden ligt haar graf op ongeveer driekwart van de ingang. Geen verse bloemen, alleen een gekortwiekte narcis in een klein vaasje. Een verwijzing naar een van haar gedichten. De naam Hughes, die tot voor kort door militante feministes van de steen werd afgebeiteld, prijkt nu weer ongeschonden achter de naam Plath. Alles is vredig. De zelfmoord lijkt vergeven. Alles is eigenlijk zo doodgewoon dat een lichte teleurstelling zich van me meester maakt. Een teleurstelling die ook Plath overviel bij het zien van het graf van haar vader, die stierf toen ze acht jaar oud was. 'Even amidst fierce flames/ the golden lotus may be planted,' staat er op de steen. De lotus is in geen velden of wegen te bekennen. De vlammen houden zich schuil. Alles is vredig.

Maar dan valt me een andere steen op. Slechts een paar rijen verder, maar meer dan 25 jaar later, is hier een andere, veel minder bekende dichter begraven: Asa Benveniste. 13 april 1990. Die volgens zijn grafsteen "dankbaar" was dichter te zijn geweest. Vrijwillig en dankbaar overleden. Terwijl Sylvia zich in haar graf omkeert.

Als ze tenminste in dit graf ligt. Want ineens bedenk ik: Zou het kunnen dat het graf van Plath leeg is? Dat Hughes het gebeitel en gedoe rond haar graf en leven zo beu was dat hij haar lichaam in het geheim naar New England in Amerika heeft laten overbrengen? Hij heeft er nooit met een woord over gerept. Maar ondenkbaar is het niet.

Hughes en Plath waren allebei mythomanen. Dat kan wellicht de enorme aantrekkingskracht verklaren die ze gedurende de eerste vier, vijf jaar van hun zes jaar durende relatie voor elkaar hadden. En wellicht ook waarom ze regelmatig gedichten over dezelfde onderwerpen schreven. Toch was er een essentieel verschil. De mythomanie van Sylvia was veel psychischer van aard en nam allengs persoonlijker vormen aan. Zo begon ze na verloop van tijd Hughes met haar dode vader te vereenzelvigen. Teds mythomanie was veel aardser - een uitvloeisel van zijn studie antropologie. Hij was veel meer geïnteresseerd in de collectieve implicaties van mythen, terwijl Sylvia driftig voortweefde aan het mythische web van het volmaakte huwelijk tussen twee grootse dichters. Hughes voelde zich uiteindelijk zozeer bedreigd door deze manische symbiose dat hij van Plath wegdreef.

In zijn gedicht 'De konijnenvanger' (ook uit Verjaardagsbrieven) illustreert Hughes op simpele wijze hun verschillende opvattingen. Hij beschrijft hoe ze tijdens een uitstapje op een valstrik stuitten. Plath rukte de valstrik kapot en gooide die in de bomen:

Ik was ontzet. Trouw Aan mijn plattelandsgoden - ik zag De heiligheid van een rij vallen ontwijd. Jij zag lompe vingers, bloed in de nagelriemen, Om een blauwe mok geklemd. Ik zag Plattelandsarmoe een paar frank bijverdienen, Een zondagse stoofpot vullen. Jij zag gewurgde Onschuld met babyoogjes, ik zag gewijde Oude gebruiken. Jij zag valstrik na valstrik En liep voorop, rukte ze uit de grond En smeet ze door het bos. Ik zag jou Iele, kostbare jonge loten van mijn erfgoed Aan stukken rijten, moeizaam veroverde concessies Om van het land te leven. Jij riep 'Moordenaars!' Je huilde met een razernij Die niets om konijnen gaf. Je zat opgesloten, Ergens in een kamer snakkend naar zuurstof, Waar ik je niet kon vinden, of echt horen, Laat staan je begrijpen.

In dit fragment is Yorkshire wel erg ver van New England verwijderd. Een verwijdering die nog veel schrijnender aan hun zo verschillende stemmen af te luisteren is. In de schaarse opnames die er van Plath bestaan, leest zij met een schrille, bijna hautaine stem een aantal gedichten uit haar laatste bundel Ariel voor. Bij haar vergeleken doet het diepe, raspende, warme stemgeluid van Hughes bijna boers aan. Er bestaat een BBC-opname waarop Hughes, in zijn huis in Devon, onbedoeld begeleid wordt door allerlei bijgeluiden. Eerst horen we een tractor. Even later een kerktoren. En als crescendo komt een loeiende koe een kort gedicht over Heptonstall luister bijzetten.

Wie vanuit Heptonstall verder de heuvel opgaat, komt na een kilometer of twee bij een tweesprong. Vlak bij die tweesprong staat The Beacon, het huis waarnaar de ouders van Hughes na de Tweede Wereldoorlog verhuisden. Het staat boven op de heuvel en wordt omringd door het soort velden waarin Plath over duizenden valstrikken had kunnen struikelen. Toch was dit de plek waar ze voor het eerst met Yorkshire kennismaakte. Augustus 1956. Hughes en Plath hebben net hun huwelijksreis naar Frankrijk en Spanje gemaakt. Dan pas besluit Hughes zijn exuberante echtgenote aan zijn nogal zwijgzame ouders voor te stellen.

Sylvia valt die eerste keer voor de Heathcliff-achtige kwaliteiten van het landschap. Ze is razend enthousiast over een bezoek aan Haworth, en begint aantekeningen te maken voor een door Woeste Hoogten geïnspireerd verhaal waarin ze ook de verhalen van Teds moeder over geestesverschijningen en magische gebeurtenissen wil verwerken. Dat verhaal zal nooit geschreven worden. Eerst zal Plath, althans in haar proza, met haar Amerikaanse verleden afrekenen.

Nog geen kilometer van The Beacon, aan de zijkant van de heuvel, ligt Lumden House. Zes jaar na de dood van Plath keerde Hughes nog een keer naar Yorkshire terug en liet deze uitgeleefde boerderij renoveren. Lumden House is vrijelijk te bezichtigen, want vandaag is er de Arvon Foundation in gevestigd, een literaire stichting die gedurende veertig weken per jaar workshops en lezingen voor scholen en individuele groepen geeft. Op het moment dat ik Lumden House bezoek, geeft de Amerikaanse begrafenisondernemer en dichter Thomas Lynch er net een humoristische lezing over de connectie tussen zijn twee roepingen. Ik besluit dat dit, onder de gegeven omstandigheden, iets te veel van het goede is en loop naar buiten. Uit de tuin van het huis daal ik eerst af en klim daarna naar de top van de aangrenzende heuvel. Daar kijk ik tot mijn verbazing uit op de begraafplaats van Heptonstall. Misschien is dit de reden waarom Hughes hier kwam wonen. Of juist het omgekeerde: misschien is dit de reden waarom Hughes het slechts vier jaar in dit huis uithield en zich vervolgens definitief in Devon vestigde. Zo ver mogelijk (binnen Engeland) van deze plek verwijderd.

Hij keerde naar Yorkshire terug in een periode waarin hij de mythe van zijn eigen achtergrond op papier wilde zetten. Dat resulteerde onder andere in de bundel Remains of Elmet (1979), waarin hij zowel de natuur als de uitgestorven industrie van de Calder-vallei een plaats gaf. Wat hem daartoe inspireerde was het feit dat Elmet het laatste Keltische koninkrijk was dat in handen van de Angelsaksen viel. Eeuwenlang werd het beschouwd als een onherbergzaam gebied, een wildernis die bevolkt werd door criminelen en verschoppelingen, een gebied dat je beter links kon laten liggen. Toen de industrie in de vallei omstreeks 1970 definitief uitstierf, gebeurde er weer iets dergelijks. Het gebied werd te mijden voor investeerders. Pas de laatste tien jaar is de Calder-vallei trendy geworden en zijn talrijke huizen gerenoveerd door yuppen die hun rijkdom aan de financiële centra in Manchester en Leeds danken. Alleen de onherbergzame moors houden ook deze keer stand tegen de overmacht.

Hughes kon heel dubbelzinnig met de antropologische mythen van zijn voorkeur omspringen. Zeker als het om de mythe van zijn eigen volk ging. Berucht is zijn uitspraak, bij de aanvaarding van het Poet Laureateship, dat de poëzie en het koningschap uit dezelfde mythische bron afkomstig waren. Beide waren uitdrukkingen van wat hij "een psychologische eenheid" noemde, een nogal conservatieve opvatting die sterk contrasteerde met zijn voor het overige vaak progressieve meningen op politiek en ecologisch terrein.

Opvallend is dat Ted Hughes bij voorkeur onder aan, halverwege of boven op een heuvel woonde. Misschien dat dit hem, net als de vrouw in de Wicklow-film, een manier verschafte om de dingen dubbel te zien. Hij kon als het ware op twee plekken tegelijk aanwezig zijn. Ik denk dat hij die gave vooral te danken heeft aan de Scout Rock uit zijn jeugd. Die prikkelde zijn verbeelding. Toen hij die rots eenmaal beklommen had kon zijn verbeelding niet meer stuk.

Op het graf van Sylvia Plath prijkt de naam Hughes, die tot voor kort door militante feministes van de steen werd afgebeiteld, nu weer ongeschonden achter de naam PlathOpvallend is dat Ted Hughes bij voorkeur onder aan, halverwege of boven op een heuvel woonde.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234