Maandag 03/10/2022

Tussen waardigheid

Gjovalin Kola: 'Denk je dat ik zoveel in mijn leven in Albanië had geïnvesteerd als het mijn bedoeling was om naar hier te komen?'

en wanhoop

Hij is 48, doctor in de letterkunde, essayist en voormalig adjunct-hoofdredacteur van de grootste krant van Albanië. Na herhaalde doodsbedreigingen vluchtte hij naar België. Al drie jaar leeft hij op een karig appartementje in het centrum van Brussel. Zijn kinderen spreken vloeiend Frans en leren goed. Zijn vrouw wil mogen werken. Maar asiel krijgen ze niet.

David Van Reybrouck/ FOTO's Stephan Vanfleteren

Maandag 10 maart 2003,

café Greenwich

Hij staat buiten het café op mij te wachten. Ik vraag me af of dat een Albanese gewoonte is. Hij draagt een keurige winterjas, een broek met vouw, zijn haar is onberispelijk. Het type man waar men in de grootstad dagelijks tientallen keren langsloopt. Maar sinds ik een tijd geleden aan hem werd voorgesteld, weet ik beter. Gjovalin Kola is asielzoeker en wil als politiek vluchteling erkend worden. Hij is literatuurwetenschapper en publicist. Een paar dagen voor onze afspraak heeft hij het manuscript van zijn eerste roman in het Frans bij mij op de bus gedaan. Vanavond zullen we erover praten. We stappen het café binnen en weten nog niet dat het de vaste plek zal worden voor nog vele ontmoetingen. Café Greenwich is en blijft een begrip: geen muziek, veel schakers, doorrookte lambriseringen en kathedralen van urinoirs. Hij drinkt voor het eerste een blonde Leffe. We praten over verhaallijnen, compositieproblemen en vertelperspectieven. Over literatuur, humanisme en moraliteit. Zijn Frans is voorbeeldig, zijn accent al even zacht als zijn spreken. Hij heeft het over Márquez en Sartre, Rugova en Havel. Met die twee laatste Oost-Europese schrijvers-politici moet hij wel affiniteit voelen, vermoed ik, maar ik vraag niet naar zijn verhaal. Hij nipt zo voorzichtig aan zijn bier dat ik me afvraag of hij het wel lust. Een tweede drankje neemt hij niet.

Na afloop beloof ik hem de adressen van een aantal Franstalige uitgevers door te spelen. En dat we opnieuw moeten afspreken als ik terug ben uit Zuid-Afrika.

Maandag 19 mei 2003,

café Greenwich

Opnieuw staat hij buiten, opnieuw bestelt hij een Leffe, opnieuw zal hij er de hele avond mee doen. Na mijn verslag van het kunstenfestival in Oudtshoorn, zucht hij vriendelijk. Ja, ooit had hij ook zo'n gevuld bestaan. Na zijn studies taal- en letterkunde in Shkodra, een stad in Noord-Albanië, ging hij aan de slag in het cultuurhuis van Kukes. Het communistisch bewind in Albanië had de sovjetidee van volksverheffing door kunst tot in de kleinste industriestadjes toegepast. Lezingen, theatervoorstellingen, concerten... "Natuurlijk was dat een manier om propaganda te voeren", beantwoordt Gjovalin mijn vragende blik, "'maar het was ook een formidabele manier om arbeiders in contact te brengen met kunst en literatuur. Wist je dat de Russen het idee van de cultuurhuizen van André Malraux overnamen? Die was naast schrijver ooit ook minister in Frankrijk." Toen het communistisch bewind in Albanië in 1990 instortte, werd het land bevrijd van een van de meeste repressieve regimes die West-Europa in de twintigste eeuw had meegemaakt. Voor Gjovalin brak de interessantste periode van zijn leven aan. Hij was ondertussen gelukkig getrouwd met Sanya, had een zoon gekregen en ging werken voor Radio Kukes. In die functie interviewde hij talrijke dissidenten die uit de strafkampen waren vrijgekomen. Met zichtbare ontroering vertelt hij het verhaal van een 77-jarige man die veertig jaar had vastgezeten en zijn zoon pas voor het eerst zag toen die veertig was. "En weet je wat hij me zei? 'Ik koester geen wraak, want dit voedt alleen maar meer wraak.'" Gjovalin schudt zijn hoofd bij zoveel mildheid. "Op dat moment was ik trots op mijn landgenoten." Hij schreef een boek over de val van het communisme in zijn land, maar het werd helaas nooit uitgegeven.

Vanaf 1993 verhuisde hij naar de hoofdstad Tirana en ging hij werken voor de geschreven pers. Eerst voor de krant Rilindja (Renaissance), daarna voor Shekulli (De eeuw). Rilindja werd verspreid onder de etnische Albanezen in Kosovo, hoewel de krant door de Serven verboden was, Shekulli ontpopte zich als de grootste krant van het land, de signatuur was centrum-links. Gjovalin begon als redacteur cultuur en schreef vaak over poëzie; in 1999 werd hij bevorderd tot adjunct-hoofdredacteur van het blad. Hij genoot aanzien, had een riant salaris en een dienstwagen en werd erkend als publiek intellectueel. Hij vertelt het zonder opschepperij, bijna verlegen.

Ondertussen had hij in 1997 een doctoraat geschreven over het ontstaan van de Albanese roman. Als gastdocent vertaalde hij voor de studenten vanuit het Frans essays van eminente taalfilosofen en literatuurwetenschappers zoals Roman Jakobson, Roland Barthes, Vladimir Propp en Tzvetan Todorov. In 2000 publiceerde hij de essaybundel Dissidentie in de Albanese literatuur. Ondertussen was er een dochtertje bijgekomen. Hij moet er zelf om glimlachen: "Zodoende heb ik dus een zoon uit het communisme en een dochter uit het kapitalisme!"

In 2000 schreef hij twee ophefmakende hoofdartikelen. In juni suggereerde hij een band tussen de maffia en de politieke machthebbers in zijn land. Niet eens zo'n vreemde gedachte als je beseft dat, om maar één voorval te noemen, de minister van Openbare Orde Spartak Poci in december 1999 aan de Albanees-Griekse grens zijn officiële Mercedes-limo moest achterlaten toen douaniers vaststelden dat het voertuig in Italië gestolen was. Poci was overigens onderweg naar Athene om een verdrag te ondertekenen voor de bestrijding van... grensoverschrijdende misdaad, juist ja. Eind oktober laakte Gjovalin de partijdigheid van de magistratuur. Op de verschijningsdag van dat laatste stuk kwam er telefoon op de krantenredactie. Dat ze hem zouden afmaken als hij zo doorging. De dag erop hielden de dreigingen aan. Onbekenden kwamen hem zelfs zoeken in een journalistencafé, maar hij verschool zich tot middernacht op het redactiekantoor. Zijn hoofdredacteur vreesde dat aangifte bij de politie nutteloos zou zijn, de corruptie tierde er welig. 's Nachts vertelde hij alles aan zijn vrouw. Ze besloten dat zij met de kinderen naar haar broer op het platteland zou gaan. Hij zou de uitnodiging van het Brusselse Filmfestival aangrijpen om weg te glippen uit de levensgevaarlijke situatie.

Ach, hij spreekt er allemaal niet graag over. "Weet je, dat zijn allemaal banale feiten. Maar ze zijn helaas wel onmiskenbaar." Uit zijn boekentas haalt hij een krant die hij al anderhalf jaar bij zich draagt. Le Soir van 25 januari 2002. Albanese toppolitici en -diplomaten waren naar Brussel gekomen om te overleggen over een eventuele toetreding tot de EU. In hun hotel in Elsene werden ze in elkaar geklopt door een vijftiental belagers. De Albanese maffia wil niet dat hun land al te gesaneerd wordt met het oog op een toetreding en deinst er niet voor terug om tot in Brussel op te treden. Gjovalin blijft beducht. "En wat me helemaal dwarszit is de asielprocedure in België. Mijn dossier zit muurvast. Ik vrees dat mijn dagen hier geteld zijn."

Maandag 26 mei 2003,

café Greenwich

Albanese hoffelijkheid of beperkte dorst? Vergeet het. Gjovalin wacht buiten om niet nodeloos een consumptie te moeten betalen indien ik niet opdaag. En als hij binnen is, kan hij zich er maar eentje permitteren. Het zal me in de loop van de avond pas goed duidelijk worden hoe penibel zijn situatie is. Hij heeft zijn dossier meegenomen, ik heb Dirk mee, een jeugdvriend die als politicoloog in Leuven werkt en de migratieproblematiek op de voet volgt. Binnen de kortste keren ligt ons tafeltje vol dossierstukken. Het regent termen als 'vaste beroepscommissie voor de vluchtelingen', 'artikel 9 paragraaf 3', 'ontvankelijkheidsverklaring' en 'gegrondheidsfase'. Voor autochtonen is dit al verrekt taaie materie, ik vraag me af hoe verweesde buitenlanders ermee weg geraken. Toen Gjovalin aankwam in België bood hij zich onmiddellijk aan bij de Dienst Vreemdelingenzaken, waar zijn asielaanvraag snel ontvankelijk werd verklaard en hij recht op financiële steun van het OCMW kreeg. In het centrum van Brussel vond hij een groezelig eenkamer-appartementje; hij zou er de eenzaamste maanden van zijn leven slijten. Altijd al had hij zich onderdeel gevoeld van het Europese humanisme, België was hem vertrouwd door de romans van Simenon en Michaux, maar hier was hij een cijfer in de ogen van ambtenaren die op hun kneukels moesten tellen hoeveel dagen oktober had. De hoop op een spoedige erkenning hielp hem echter overeind. Hij vulde zijn dagen met lezen en schrijven. "Ma vie, c'est la lecture", zei hij. Na tien maanden kwam Sanya over met de twee kinderen. Vanaf dan trokken ze 1.100 euro per maand voor het hele gezin, in afwachting van het uiteindelijke oordeel.

We bestellen nog een drankje en dwingen Gjovalin om een tweede traktatie te aanvaarden. Hij sputtert aanvankelijk tegen, maar stemt ten slotte in. Zijn verhaal is nog lang niet af. Op 15 februari 2002 kwam totaal onverwacht de onheilstijding: het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen had negatief geoordeeld. Er waren enige discrepanties tussen de twee verhoren vastgesteld, zijn artikelen leken toch niet zo schadelijk, de doodsbedreigingen waren vaag en anoniem, met Albanië ging het de goede kant op, etcetera, etcetera. De pro-Deoadvocaat ging meteen in beroep, maar op 24 april 2002 bevestigde de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen het vorige besluit. Geen asiel.

Als ik om middernacht thuiskom, bel ik onmiddellijk naar Dirk. Hij is nog wakker. "Het ziet er zeer, zeer slecht uit", zegt hij nuchter. Het dossier van de familie Kola heeft de advocaat doorgeschoven naar de allerlaatste instantie, de Raad van State. Deze hogere instantie kan alleen oordelen of er al dan niet procedurefouten zijn gemaakt in de vorige fases. Indien die niet gevonden worden, verliest de familie het recht op OCMW-steun en moet ze het grondgebied binnen de vijf dagen verlaten. Indien wel, volgt er een nietigverklaring. Hoe groot is de kans daarop, wil ik weten. "Miniem", zegt Dirk, "maar ik moet uitzoeken hoe miniem."

De volgende ochtend word ik om acht uur opgebeld. Dirk. Hij heeft tot vier uur 's nachts zitten opzoeken. "Eén procent kans bij de Raad van State", zegt hij. "De procedure duurt tussen twee en vijf jaar, al wordt de termijn nu wel korter." Al die tijd mogen aanvragers niet werken en verblijven ze in een vacuüm over hun toekomst. Het onzekere België of het zeker onveilige Albanië? Investeert men in een nieuw leven of zal het een maat voor niks blijken? Probeert men te integreren in een land waaruit je elk moment kunt worden weggeplukt? En dan het paradoxale besef: hoe langer die onzekerheid aansleept, hoe beter, want elke dag in België tikt aan in je integratiedossier.

Op weg naar mijn werk spring ik bij Dirk binnen om de details verder te bespreken. Zoals bij zoveel asielaanvragen blijkt de advocaat van de Kola's een parallel dossier ingediend te hebben bij het ministerie van Binnenlandse Zaken. Door een clausule in de vreemdelingenwet van 1980 - het befaamde artikel 9, paragraaf 3 - kan een verblijf op het Belgisch grondgebied in uitzonderlijke omstandigheden in België zelf aangevraagd worden. Aanvankelijk diende die paragraaf om de procedure te vereenvoudigen voor tijdelijke buitenlanders die hier een arbeidskaart hadden verkregen, maar ondertussen wordt hij gretig als een laatste strohalm aangegrepen door advocaten van (bijna) uitgeprocedeerde asielzoekers. De speciaal opgerichte 'cel 9 paragraaf 3' op het ministerie heeft de handen inmiddels meer dan vol. Toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Antoine Duquesne waarschuwde tegen mogelijke misbruiken. In het Belgisch Staatsblad van 17 maart jongstleden liet hij een omzendbrief afdrukken waarin hij eiste dat een aanvrager niet alleen maatschappelijk geïntegreerd moet zijn in ons land, maar tevens kan aantonen dat het voor hem of haar 'onmogelijk of bijzonder moeilijk' is terug te keren naar het land van herkomst om er de machtiging aan te vragen.

Zondag 15 juni 2003,

mijn werkkamer

Ik zet mijn computer aan om een paar uurtjes te surfen. Hoe moeilijk is het om naar Albanië terug te keren? En hoe was het met de pers gesteld ten tijde van Gjovalins voorval? Het Commissariaat-Generaal van de Vluchtelingen en de Vaste Beroepscommissie voor Vreemdelingen gebruikten ongetwijfeld de best beschikbare informatie toen ze zich over zijn dossier bogen, maar ze konden niet vermoeden dat er in juni 2002, nauwelijks twee maanden nadat zijn case werd afgewezen, een opzienbarend rapport zou verschijnen van Human Rights Watch. HRW is een onafhankelijke, niet-gouvernementele en zeer gerespecteerde mensenrechtenorganisatie waarvan de gedegen analyses via het internet verspreid worden. The Cost of Speech: Violations of Media Freedom in Albania was de titel van het bewuste rapport. Het behandelde ontwikkelingen met betrekking tot de persvrijheid in Albanië in de jaren 2000 en 2001, uitgerekend de periode waarin Gjovalin naar België vluchtte. De lectuur ervan leidt niet bepaald tot luchthartigheid. Een citaat: "Journalisten en hun families zijn het mikpunt geworden van ernstige en herhaalde bedreigingen, van onwettige en arbitraire aanhoudingen, en van zware slagen en andere fysieke aanvallen." Zij hebben te maken met "wijdverspreide intimidatie en fysieke aanslagen". De daders blijken bovendien vaak politie-officieren of mensen in overheidsdienst te zijn die optreden tegen al te kritische verslaggevers. Terwijl journalisten herhaaldelijk veroordeeld werden voor laster en eerroof (een misdrijf waar maar liefst twee jaar gevangenisstraf op staat), gaan de geweldplegers structureel vrijuit. Dat alles, zo stelt Human Rights Watch na uitgebreid onderzoek ter plekke, leidt tot "een cultuur van straffeloosheid die extreem contraproductief is in de opbouw van een vrije pers". Geen wonder dat er een "groeiend aantal journalisten [is] die hun job opgeven of zelfs het land verlaten", aldus nog het rapport.

Dat alles klinkt toch een stuk minder vrolijk dan de motivatie van de Vaste Beroepscommissie voor Vreemdelingen die in het dossier-Kola stelde dat "de [Albanese] overheid wel degelijk stappen onderneemt in de strijd tegen de corruptie en de georganiseerde misdaad".

Maar hoe zou het vandaag zijn? De International Crisis Group, een onafhankelijk, transnationaal team van experts op het vlak van wereldpolitiek, laat er in zijn State of the Nation 2003 weinig twijfel over bestaan: al is het politieke klimaat in Albanië een stuk stabieler, de corruptie blijft er 'endemisch' en de georganiseerde misdaad groeit nog verder. De overheid treedt liever tegen de media dan de maffia op. "De regering geeft er geen blijk van de corruptie serieus aan te pakken, noch van haar confrontatiepolitiek met de media af te zwakken." Bemerk: het gaat hier niet om een pamflettaire aanklacht, maar om een citaat uit een buitengewoon gedegen en betrouwbaar rapport. In die conclusie wordt de International Crisis Group bijgetreden door Reporters sans Frontière, het Artsen zonder Grenzen van de journalistiek. In mei 2003 stelden zij nog maar eens vast dat een wettelijk kader voor persvrijheid in Albanië nog steeds ontbreekt. In het dossier van Gjovalin steekt een brief van de International Federation of Journalists die eveneens hamert op die precaire situatie.

Conclusie: toen Gjovalin Kola weg moest uit Albanië leed de pers zeer onder repressie en corruptie, en ook vandaag blijft de toestand kritiek. Dat maakt een terugkeer naar zijn land, zelfs tijdelijk, inderdaad 'bijzonder moeilijk of onmogelijk'.

Donderdag 28 augustus 2003, de supermarkt

Ik zie Gjovalin met een mandje door de supermarkt wandelen. Ik heb hem al een poosje niet gezien. Zijn dossiers bij de Raad van State en bij het ministerie van Binnenlandse Zaken zitten onwrikbaar vast. Geen nieuws is goed nieuws, probeer ik. Maar het wil niet pakken. "Ik snap niet waarom hier zoveel snoodaards asiel krijgen, terwijl wij met ons gezin proberen een fatsoenlijk en waardig leven op te bouwen." Ik wil die snoodaards relativeren, maar begrijp dat zijn hoop heeft plaatsgemaakt voor verbittering. Iemand die zoveel heeft verloren, laat zich begrijpelijkerwijze graag voorstaan op zijn gecultiveerdheid en onberispelijkheid. "Misschien is er hoop", zeg ik en ik verwijs naar de uitspraken van De Gucht en Dewael in de pers, die achtduizend achterstallige asieldossiers willen regulariseren. Zeer terecht stelden ze dat het "niet meer dan menselijk" is dat kandidaat-vluchtelingen die hier al drie of meer jaar wonen en volstrekt ingeburgerd zijn in aanmerking moeten komen voor individuele regularisatie. Het lijkt hem even op te beuren.

's Anderendaags belt hij me op om meer details te horen. Maar door de verdere berichtgeving moet ik hem teleurstellen: het zou alleen gaan om dossiers die al van voor 1 januari 2000 lopen; hij kwam dus een paar maanden te laat. Een asielbeleid komt er altijd op neer om een onderscheid te maken tussen wie wél en wie níét mag blijven. Dat brengt automatisch een grijze zone teweeg. Het nieuw asielbeleid is echter stukken formalistischer geworden. En dus genadelozer. Niet zolang geleden pleitte de gewezen directeur van het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding, Johan Leman, voor een ethische commissie die zich individueel over de randgevallen zou buigen. De asielprocedure moet uiteraard een duidelijk kader schetsen, maar daarbinnen is er ruimte voor interpretatie nodig. VN-vluchtelingencommissaris Ruud Lubbers, premier in Nederland van 1986 tot 1994, spaarde eerder deze week zijn kritiek op de nieuwe Belgische asielprocedure niet. Want hoe komt het dat er zoveel dossiers van asielzoekers bij de Raad van State terechtkomen? Waarom vestigen zo velen hun hoop op het achterpoortje van artikel 9, paragraaf 3? Waarom gaan driehonderd Afghanen in hongerstaking in een Elsense kerk deze zomer? En waarom doen meer dan driehonderd Iraniërs onlangs hetzelfde in de lokalen van de ULB? Zijn dat allemaal profiteurs, leugenaars en uitvreters misschien? Of zou het niet kunnen dat er iets scheelt aan ons nieuwe en zeer flinke asielbeleid? Dat we al te veel gefocust zijn op het ijverig terugdringen van de cijfers in plaats van de politieke realiteit in het land van herkomst onder ogen te zien? Lubbers was er keihard over in De Standaard: "De bottom line moet toch zijn: is dit goed voor de asielzoeker? Niet: hoe raken we er zo snel mogelijk van af? Maar wat doen ze nu? Zo snel mogelijk zo veel mogelijk mensen buitenwerken."

Dinsdag 25 november 2003,

rue Grétry

Voor het eerst heeft Gjovalin me bij hem thuis uitgenodigd. Ik heb gezegd dat ik een stuk over hem wil schrijven voor de krant, dat zijn verhaal weer een gezicht geeft aan de cijfers, dat onze ontmoeting mijn denken over de asielproblematiek heeft bepaald. Hij is pas verhuisd binnen hetzelfde pand en daardoor minder gegeneerd om volk te ontvangen. Nu beschikt hij al over twee kamers, vroeger woonden ze met zijn vieren op één kamertje. Hij leidt me enigszins fier rond. Besian, zijn zoon van zestien, slaapt niet langer op een veldbed maar op de uitklapbare sofa in de woonkamer. Kristiana, zijn dochtertje van zeven, deelt nog steeds de ouderlijke slaapkamer. Ik ben te beschroomd om hem te vragen hoe dat dan gaat qua intimiteit in zo'n krap huishouden, maar ik denk er wel aan. In de slaapkamer staat eveneens zijn minieme werktafeltje. Er ligt een stapeltje Pasternak op. Milosz ook, en Solzjenitsyn. "Ik ben begonnen met een nieuwe studie over dissidente schrijvers in Centraal-Europa", zegt hij bijna verontschuldigend. Het appartement is kraaknet, maar kaal. De staat van het pand is discutabel. Ik vraag hem hoeveel huur hij betaalt. "430 euro." Fatsoenlijk voor Brussel, maar veel als je slechts 1.100 hebt. "We leven zeer zuinig. Ik kocht veel boeken, maar nu leen ik alles in de openbare bibliotheek." Er staat een tv-toestel, maar geen paraboolantenne. "Waarom zouden we naar Albanese zenders moeten kijken? Hier staan RTBF en TF1 op." Op tafel ligt de Franstalige Metro. Integratie, quoi.

Terwijl hij een traditioneel Albanees gerecht opwarmt, is Sanya net thuisgekomen van haar Franse les in Ukkel. Ze vindt het een verschrikkelijk moeilijke taal, lacht ze. Sanya is een verzorgde, lieve vrouw, maar Gjovalin vertelt dat ze enorm veel last heeft van heimwee. Haar schildklier lijdt onder de stress en de angst. Vorig weekend werd de zevende verjaardag van het overlijden van haar vader herdacht. Ze wist dat de hele familie ginds bijeen zou komen, maar moest zich hier behelpen met een kort lange-afstandsgesprek vanuit een cabine in een phone shop. En toen een tijd terug haar lievelingsnichtje zich ging verloven, heeft ze het feest alleen op video kunnen bekijken. Met tranen in de ogen.

Als het aan de kinderen lag, was de keuze snel gemaakt. De kleine Kristiana is de praatvaar van het gezin en tettert in vloeiend Frans iedereen omver. Ze zit op de lagere school, in een klasje met voornamelijk Afrikanen, Arabieren en Aziaten. Ook Besian heeft het naar zijn zin. Op school blijkt hij erg goed in wiskunde en wetenschappen en drie keer per week gaat hij voetballen in Vorst. Volgens de trainer heeft hij talent. Officieel mag hij als sans-papiers niet meespelen, maar de voorzitter heeft voor hem een uitzondering gemaakt. Geef hem een standbeeld. Maar toen zijn klas op schoolreis naar Frankrijk vertrok en hij gezwind met zijn bagage naar het Zuidstation trok, stuurde de directie hem meteen weer huiswaarts: zonder papieren zou hij moeilijkheden krijgen.

Dit is een modelgezin als het op integratie aankomt, deze mensen hebben alles achter zich gelaten, hebben zich bereid verklaard om een tijdlang ellende te ondergaan, in de hoop op een stuk menselijke waardigheid. "Denk je dat ik zoveel in mijn leven in Albanië had geïnvesteerd als het mijn bedoeling was om naar hier te komen?", verzucht Gjovalin. Hun situatie is wraakroepend en een welvarende democratie die prat gaat op haar ethische gehalte onwaardig. Natuurlijk heeft een hoogopgeleide Europeaan met een indrukwekkende culturele bagage niet meer recht op asiel dan een weggelopen kindsoldaat uit Oeganda. Asiel gaat niet om verdiensten, maar om noden. Alleen toont het verhaal van Gjovalin aan hoe pijnlijk nabij ellende kan zijn en hoe meedogenloos onze bureaucratie. Dit had ons kunnen overkomen, Albanië ligt geprangd tussen Italië en Griekenland, landen die we zo graag als de bakermat van onze beschaving beschouwen. "Een mens kiest zijn eigen tijd niet", zegt hij, "maar hij moet er wel in leven."

Hij heeft inmiddels van België leren houden, vindt hij, hij wil er zelfs over schrijven, aan de ULB wil hij graag zijn doctoraat laten homologeren. Maar de asielprocedure is een vernedering die hem zeer diep geraakt heeft. Het besef d'être un rien, die totale dépersonnalisation, dat is onmenselijk. "Ik hou zeer van het leven, het is het enige dat ze ons gegeven hebben", zegt hij kalm. "Maar soms op mijn donkerste momenten was ik liever in Albanië vermoord dan jarenlang deze angst te moeten ondergaan."

Met dank aan Dirk Jacobs.

Het rapport van Human Rights Watch is te vinden op: www.hrw.org/reports/2002/ albania/albania0602.htm

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234