Zaterdag 01/10/2022

Van Amerikaanse bevrijder tot 'Yankee go home'

Toen Lance Armstrong twee jaar terug op de Champs-Elysées, geel om de brede borstkas, US Postal-petje voor het hart gedrukt, zijn stars and stripes naar boven zag gaan en met vochtige ogen naar 'The Star Spangled Banner' luisterde, was het hele publiek haast ontroerd als die kampioen, alleen op de hoogste trede van het Tour-podium, maar de jaren daarvoor ook eenzaam in zijn strijd tegen kanker. Drie jaar later regeert Lance Armstrong met zo'n uitdagende autoriteit over het Tour-peloton dat heel Frankrijk hem liever kwijt dan rijk is.

Saint-Armand-Montrond

Van onze verslaggever

Walter Pauli

Zelden heeft L'Equipe, de toonaangevende Franse sportkrant die net zoals de Société du Tour de France deel uitmaakt van de Groupe Amaury, zo enthousiast gedaan als op 5 juli 1999, bij de Tour-proloog in Puy de Fou, putje Vendée. Lance Armstrong veroverde de eerste gele trui een jaar na de Tour de la Honte van '98, de Ronde toen Richard Virenque en zijn Festina's uit de Ronde van Frankrijk werden gezet en het wielrennen oog in oog kwam te staan met de grootste crisis die deze sport ooit doormaakte, zeker nadat een goede maand voor die proloog ook Marco Pantani geklist werd met een te hoge hematocrietwaarde en het wielrennen iedere geloofwaardigheid dreigde te verliezen.

Bij een hele generatie Tour-renners bleek het bloed te dik, bij een hele generatie sponsors, organisatoren en ploegleiders de tranen bitter, maar het gejammer ook een beetje schijnheilig. Hadden ze eerder gesproken en opgetreden in plaats van te dulden en toe te dekken, het was zo ver niet gekomen.

Maar als een godswonder was plots daar Lance Armstrong, de Bevrijder van overzee. Ineens kreeg de Tour kleur door een renner die terug opdook uit het niets, een man met een maagdelijk dopingverleden, een cowboy die niets dan goede herinneringen naliet, een man die verdween en terugkwam na een stroperige (voor de buitenwereld, achteraf) maar ook bikkelharde (voor Armstrong zelf, tijdens zijn revalidatie) All American Story.

Om de kraakstem van die andere (Louis) Armstrong te parafraseren, het had iets van: "When The Saint is marchin' in." Met Lance Armstrong kwam er een Ronde van Frankrijk die van begin tot eind op wolkjes dreef. Het was een Ronde met spanning in de vlakke ritten - onder Armstrongs impuls werd het peloton al in de tweede etappe uit elkaar geranseld, na een doortocht door de Passage du Gois, een glibberig stuk weg dat bij vloed onder water komt. Het was een Ronde van heroïsche sprintduels tussen Tom Steels en Mario Cipollini. Een Ronde met voor het eerst sinds jaren - sinds decennia zelfs - bergritten met de kleine versnelling: Armstrong gaf het voorbeeld in de eerste Alpen-rit naar Sestrières, die hij overtuigend won, en al een week na de verrijzenis van Lance Armstrong begon ook de renaissance van de Spaanse klimmer. Niet toevallig won toen voor het eerst een kopman van Kelme de koninginnenrit. De organisatoren hadden het niet meegemaakt, bovenop Piau Engaly, een overwinning van die schrale Fernando Escartin met zijn scheve mond, zijn dunne beentjes en zijn melijwekkende bochel. En dat als opvolger van Il Pirata Pantani, de trotse zeerover die zo tekeerging op L'Alpe d'Huez dat hij in de haarspeldbochten moest bijremmen. Van Richard Virenque, die in bergritten aankwam met zijn beau mec-gelaat, nauwelijks getekend door inspanning. Van Bjarne Riis, Miguel Indurain, Tony Rominger, uitstekende tijdrijders die op de steilste helling een tomeloos tempo aanhielden. Die krachtpatserij was voorbij.

Er veranderde nog meer. Het was niet alleen voorbij met de versnelling van de piraat, het was ook ineens gedaan met de piratenmanieren. Met Pantani erbij was het een beetje van 'Al die willen te kaap'ren varen, moeten mannen met baarden zijn' - én van complimenten. Pantani had het vereiste (ring)baardje, maar ook een banderolle, tatoeages, een oorbel, een kaalgeschoren schedel, zonnebril met blitse montuur, en alles tegelijk.

Met Armstrong kwam meer eenvoud terug. Wel een zonnebril, maar verder een kortgeschoren kop, stijl jaren vijftig: de tijd van no-nonsense, van de vanzelfsprekende suprematie ook van The American Way of Life.

Toen Armstrong in 1999 in Parijs triomfeerde, dertig jaar na de eerste maanlanding, verschenen er T-shirts met 'Armstrong: I walk my moon'. Een aantal Nederlandse journalisten draagt het nog altijd. Textiel dragen, en voor een kritisch ingesteld korps is dat een zeldzame blijk van openlijke erkenning. Het toont vooral aan hoezeer het wielermilieu Armstrong toen koesterde.

Misschien dat er nog iets anders meespeelde bij die sympathie. Velen gingen er toen vanuit dat Armstrong met die ene Tour aan zijn summum zat. Hij won dan wel drie tijdritten - maar Jan Ullrich had dat jaar forfait gegeven, wegens ziekte. Hij won dan wel de bergrit naar Sestrières, maar Marco Pantani was er niet bij, wegens geschorst. Zoals een oudere collega samenvatte, tijdens de autorit van Parijs naar huis: "Een mooie overwinning, maar toch geen man voor drie Tours, zoals Lemond." En niemand die hem tegensprak, die mooie zomeravond in 1999.

Maar tegelijk - en toen viel het nog niet zo erg op - was al het onkruid gezaaid dat nadien Armstrongs imago zou overwoekeren. Het is de sportieve variant van het antagonisme tussen het Oude en het Nieuwe Continent. Je hebt mensen die tranen in de ogen krijgen van het aanstekelijke optimisme van 'I want to be in America' - en Armstrong is daarvan een exponent, zij het geen aanstellerige. Je hebt ook mensen die daarop afknappen. Mensen die vinden dat de VS en alles en iedereen wat ervan komt het best bezongen worden door Jimi Hendrix' variant van de 'Star Spangled Banner', met een snijdende gitaar die symbool staat voor de huilende straalmotoren van bommenwerpers in duikvlucht. Zo ervaren zij Armstrongs demarrages in de Tour: als een bommentapijt op een onschuldig Vietnamees dorp.

Het is een specifieke, emotionele en apolitieke variant van de antiglobalistische beweging. Het is een variant van het Franse chauvinisme, waar men ineens een Amerikaan hun Tour de France ziet inpalmen. Armstrong was amper ingehaald als de Amerikaanse bevrijder, en hier en daar klonk al het eerste gemompel: 'Yankee go Home.' Het zou alleen maar toenemen in kracht, en ook in brutaliteit.

Want denk maar niet dat ze hier buitenlandse wielrenners op handen dragen. De grote Engelstalige voorgangers van Lance Armstrong hadden één voordeel: ze reden allen voor Franse teams. Dat was de noodzakelijke pleister op de wonde. Tom Simpson reed voor Peugeot, Sean Kelly bijna zijn hele loopbaan bij ploegen van Jean de Gribaldy, Stephen Roche bij Peugeot, La Redoute en Fagor (en tussenin bij het Italiaanse Carrera, maar zeker de zeer francofiele Roche geldt hier als "un type très sympa"), en Greg Lemond bij Renault, La Vie Claire, Z en Gan. Veel Franser kan niet. Daardoor werden ze geduld - maar nooit geliefd. Nooit waren er Franse fans voor 'King Kelly'.

Armstrong was van meet af aan op-en-top Amerikaans. Hij debuteerde bij het Amerikaanse team Motorola, en deed dat met de voortvarendheid van een jonge Amerikaan die de wereld wil veroveren. De eerste kennismaking met hem dateert uit de herfst van 1992, in het Kampioenschap van Zürich. Ineens mengde zich één brok spieren in het debat. Een jonge Texaanse stier: krachtig lijf, stevige nek, tikje agressief, ook wat onbezonnen. Armstrong won die klassieker niet, maar de Russische hardrijder Ekimov, de winnaar, had niet half zoveel indruk gemaakt dan die jonge Amerikaanse belofte.

Vanaf de eerste dag was Armstrong geliefd, zo niet populair. Hij belichaamde no-nonsense op pedalen: wielrennen is hard trappen, en aanvallen. Zo werd hij al het jaar daarop de jongste na-oorlogse winnaar van een Tour-etappe (in Verdun, 1993), en een paar maanden later in Oslo al de jongste wereldkampioen aller tijden. Hij was toen amper 21 jaar.

De jonge Amerikaan loopt ook blutsen op in het ruwe Europese circuit. In 1994 verzamelt wereldkampioen Armstrong wel ereplaatsen, maar kan hij geen belangrijke wedstrijd winnen. In 1995 loopt het opnieuw beter, tot die noodlottige Tour-etappe waarin Armstrongs ploegmaat Fabio Casartelli verongelukt. De dag nadien staat Lance Armstrong, de roodgehuilde ogen verborgen achter een donkere zonnebril, centraal op alle foto's die de wereld rondgaan. Tussen Tarbes en Pau rouwt het peloton, en mogen de Motorola-maats, allen met een zwarte band om de arm, samen als eerste de streep overschrijden. Dat was de eerbetuiging van het peloton en de ploeg. Twee dagen later zorgt Armstrong voor zijn persoonlijke eresaluut. In de rit naar Limoges rijdt hij een indrukwekkende solo. Aan de aankomst heft hij zijn beide handen naar de hemel: 'For you, Fabio'. Die geste ontroert de ene, irriteert een andere. Die vonden het te overdreven, te gemakkelijk, ja, te Amerikaans. Toen al.

Het onbegrip tussen Frankrijk en Amerika krijgt nog een tweede hoofdstuk. Einde 1996 stopt Motorola met een wielerploeg en verhuist Armstrong zowaar naar Cofidis, een Franse ploeg. Hij beleeft er de zwartste ervaring uit zijn leven. Als bij hem kanker ontdekt wordt, geeft de kredietmakelaar blijk van beroepsmisvorming. Het bedrijf springt nu eenmaal niet zachtjes om met mensen die het geïnvesteerde geld niet volgens plan kunnen inlossen. Armstrong was voor Cofidis een pure verliespost, en die schrijven ze daar zo snel mogelijk af. Dat was de Franse mentaliteit die Armstrong leerde kennen, terwijl hij zijn eenzame strijd tegen de kanker uitvocht. Hij moest er niets van hebben.

Kortom, er waren al een paar haren in de boter toen Armstrong zijn eerste Tour won. En omdat het Noodlot altijd goed mept als het toeslaat, komt daarbij dat net toen het Franse eergevoel wel bijzonder erg gekwetst was. De Festina-affaire had namelijk in Frankrijk diepe wonden geslagen. Terwijl in dat land vroeger véél mogelijk was bij dopingcontroles, gooide de regering-Jospin na het Festina-schandaal het roer compleet om. Dopingbeleid is in handen van de communistische Marie-France Buffet, en die grijpt in met de strakke hand die eigen is aan haar politieke familie. Frankrijk nam de kop in het dopingbeleid. Het land werd ineens 'zuiver'.

Maar tegelijk beleefde Frankrijk een wissel van generaties. De tenoren van de jaren negentig - Virenque en Jalabert - werden een dag ouder, en er stonden niet meteen even goede opvolgers klaar. Dat is een fenomeen dat ieder land van tijd tot tijd meemaakt, en leuk is dat nooit. Maar in het Franse geval was ditmaal de uitleg meteen klaar: "Onze renners rijden zuiver, maar de buitenlanders zitten nog altijd aan het spul." En als er dan een buitenlander wint die zopas van kanker genas, een ziekte die niet anders te genezen valt dan met hopen chemicaliën, is de verdenking snel gemaakt.

Al in zijn allereerste Tour kreeg Armstrong al dat verwijt te horen, maar toen nog geïsoleerd. Op zijn afsluitende persconferentie te Futuroscope bijt hij stevig van zich af tegen wie vermoedens rondstrooit van dopinggebruik. Maar het zet geen zoden aan de dijk. Integendeel.

Het jaar erop werd het alleen erger. In 2000 startte een Tour met een zeldzaam kransje favorieten. Drie oud-winnaars stonden aan de start, alledrie waren ze van plan opnieuw het geel te veroveren. Marco Pantani (winnaar 1998) was de echte outsider: hij stond voor de klimmer die met zijn raids vernieling kon zaaien. Lance Armstrong (winnaar 1999) was eigenlijk de challenger: hij had gewonnen in een jaar van afwezigen, hij moest bevestigen. De echte favoriet heette Jan Ullrich (winnaar 1997): sterke Duitser, kon overal de grote molen ronddraaien. En daarmee, wisten kenners, zou hij Armstrong verstikken.

Zoals bekend draaide het anders uit. Het was Armstrong die Ullrich doldraaide. Een klap in de bergrit naar Hautacam, een tweede klap in de bergrit naar de Mont-Ventoux, een derde overwinning in de prestigieuze tijdrit tussen Freiburg en Mulhouse. Meteen stonden alle wetten in het wielrennen op hun kop.

Op één na: de 'wetenschap' dat renners die winnen, altijd slikken. Het hek was helemaal van de dam toen bleek dat Armstrong tegen een zitvlakwonde een zalf had gebruikt met daarin corticoïden. Ook al was dat toegestaan, ook al bedroeg de waarde van de corticoïdesporen in zijn urine 0,4 bij een toegelaten grens van 5, er was geen houden meer aan. Het duurde tot een Franse journalist, tijdens een massaal bijgewoonde persconferentie, door Armstrong zelf werd aangepakt: "Mister Le Monde, do you say I'm a liar?" Want ook dat was iets relatief nieuw: een wielrenner die niet geïmponeerd raakt door een stel universitairen.

Zeker nu Armstrong zijn derde Tour op rij aan het winnen is, is heel Frankrijk de Amerikaan liever kwijt dan rijk. En toegegeven, Armstrong heeft een aantal fouten gemaakt. De zwaarste fout - en daarover is in deze krant al voldoende verschenen - is zijn samenwerking met de Italiaanse 'dopingarts' Ferrari. Armstrong heeft groot gelijk dat hij stelt dat hij bij talloze dopingcontroles nog nooit is gepakt, maar als tweevoudig Tour-winnaar heeft hij hoe dan ook een voorbeeldfunctie, zeker in een sport met een ongelooflijk slecht imago. Armstrong had het voorbeeld van een zuivere sport kunnen zijn, maar gooit nu deels zijn eigen ruiten in. Twee: zijn comedia dell'arte in de eerste bergrit, toen hij op de col de la Madeleine een slechte dag veinsde. Het was een flauwiteit, en het deed afbreuk aan een renner die ooit naam maakte door de ontwapenende eerlijkheid waarmee hij zijn wedstrijden reed. Drie: het omkijken tijdens de aanval naar L'Alpe d'Huez. Achteraf zei Armstrong dat hij de tegenstand wilde inschatten, maar het kwam over als superarrogant. Vier: de vedettenallures bij start en aankomst, met bodyguards die hem naar en van de bus begeleiden (Al moeten we toegeven dat dat ook lijfsbehoud is: het publiek zou gewoon zijn kleren van zijn lijf rukken. Overdreven? Bovenop Chamrousse zagen we met eigen ogen hoe Luis Perez, een Spanjaard die bij Festina rijdt, nipt een stevige kwak kon vermijden toen twee pubers graaiden naar zijn drinkbus in zijn houder - alleen was Perez nog aan het fietsen. Als dat met een nobele inconnu als Perez gebeurt, hoe zouden ze Armstrong niet aanvliegen?

Maar dat is nu eenmaal het publiek. De aanvallen die hij vanuit het Franse wielermilieu ondervindt, kunnen pas tellen. In Le Journal de Dimanche liet Tour-directeur Jean-Marie Leblanc zich niet bepaald lovend uit over de Amerikaan: te weinig begaan met de Fransen, en dat past eigenlijk niet. In geen jaren is nog een gele trui zo afgekamd door een Tour-directeur dan Lance Armstrong. Was Leblanc nog een beetje hoffelijk in zijn formulering, dan was dat al veel minder het geval met Laurent Jalabert, de enig overgebleven chou-chou van de Fransen.

De dag nadat Lance Armstrong heel Frankrijk deed huilen door Jalabert aan het einde van de koninginnenrit door de Pyreneeën voorbij te snellen in de slotklim naar Plat d'Adet, trapte Jalabert in L'Equipe flink na. Armstrong is "pas très sympatique", want anders dan Miguel Indurain "laat hij niets over aan de andere renners", en "heeft hij geen mededogen voor de zwakkeren". Tijdens het gesprek kleuren interviewer en geïnterviewde groen van chagrijn tegen de gele trui.

En zijn gelukkig ook andere geluiden. Neem het geheim van zijn kleine versnelling, waarvan heel Frankrijk uitgaat dat het in een spuit of infuus te vinden is. Domo-manager Patrick Lefevere heeft een andere mening. "Wij proberen jonge renners nu ook te trainen op het ontwikkelen van zoveel mogelijk omwentelingen per minuut. Alleen is er bijna niemand die het volhoudt. Het is veel gemakkelijker om kracht te trainen met een grote molen, dan telkens te botsen op de grenzen van jezelf in het ontwikkelen van een hallucinant ritme. Reken maar dat Armstrong het dikwijls zwart voor de ogen krijgt als hij aanvalt. Maar hij verbijt pijn en toont karakter, en dat is natuurlijk een voorwaarde om een van de allergrootsten te worden." En inderdaad, ook in L'Equipe zegt Jan Ullrich dat hij in de winter even heeft geprobeerd om op de kleine versnelling over te schakelen, maar dat hij snel 'inzag' dat dat aan hem niet besteed was.

En zolang Armstrong die miniversnelling ronddraait, weten zijn tegenstanders waaraan ze zich mogen verwachten: met de kleine molen hakt Armstrong de concurrentie fijn. Om het begrijpbaar te maken voor Jalabert en de andere Fransen, in julienne. Een zomers soepje, dat zoveel Fransen maar niet willen lusten.

Tour-directeur Jean-Marie Leblanc liet zich niet bepaald lovend uit over de Amerikaan. In geen jaren is een gele trui nog zo afgekamd door een Tour-directeur dan Lance Armstrong

'Reken maar dat Armstrong het dikwijls zwart voor de ogen krijgt als hij aanvalt. Maar hij verbijt pijn en toont karakter'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234