Maandag 04/07/2022

InterviewJoshua Zirkzee

Voetballer Joshua Zirkzee: ‘Ik ben zelfverzekerd, maar niet arrogant. Veel mensen kennen het verschil niet’

null Beeld Geert Van de Velde
Beeld Geert Van de Velde

Twintig jaar is hij nog maar, maar toch heeft Joshua Zirkzee al een woelig parcours achter de rug. Op zijn zestiende trok hij de deur van het ouderlijke huis in Rotterdam achter zich dicht en gingen de poorten van Bayern München voor hem open. De Nederlandse spits won er de Champions League, de titel en de beker. Maar zo snel als zijn ster was gerezen, begon ze te tanen. De bank lonkte, spelen deed hij amper nog. Tot Vincent Kompany hem opbelde. Bij Anderlecht werd Zirkzee dit seizoen weer de voetballer van weleer.

Jan Hauspie

Zirkzee speelde zijn allereerste minuten voor Bayern in de Champions League, tegen Tottenham. Drie dagen later al volgde zijn eerste doelpunt. Meer goals volgden, waarna een wonderlijk halfjaar besloten werd met drie prijzen: de Champions League, de titel én de beker.

Joshua Zirkzee: “Het ging allemaal erg snel. Een jongensdroom die uitkwam. Pas later besef je hoe bijzonder die tijd was. Het mooist vond ik dat ik die Champions League-beker in de lucht mocht steken. Mijn eigen kleine exemplaar staat thuis op de kast: ik zie hem elke dag. Ik weet wel: ik heb er lang niet zoveel aan bijgedragen als Robert Lewandowski. Maar ik ga die trofee natuurlijk wel claimen. Iedereen in mijn positie zou dat doen. (lacht)

Je was amper achttien. Ben je toen niet beginnen te zweven?

“Ik ben nuchter gebleven. Mede dankzij mijn omgeving: mijn voetbalmaatjes, mijn vrienden thuis, mijn vader. Ook Bayern heeft me extreem goed geholpen om niet naast mijn schoenen te gaan lopen. De verleiding is groot, dat begrijp ik: je krijgt toch iets over je heen. De media-aandacht was extreem. En op straat werd ik, zeker dankzij mijn lange haren, plots herkend. Maar goed, maakt niet uit: het betekent gewoon dat ik ergens goed in ben. En aan media-aandacht hecht ik weinig waarde. Het enige voordeel is dat het me een platform heeft gegeven om mijn maatjes te helpen, met hun kledinglijn of zo.”

Dacht je ook aan al die mensen die je hoofdschuddend nastaarden toen je, als 16-jarige uit de opleiding van Feyenoord, naar München vertrok?

“Nee, hoor. Mensen mogen hun mening hebben. Maar het was mijn keuze.”

De norm in Nederland is om eerst in eigen land vlieguren te maken alvorens de stap naar het buitenland te zetten.

“Er zijn wel vaker Nederlandse talenten op jonge leeftijd naar buitenlandse clubs gegaan. Volgens mij was ik de eerste die naar Duitsland ging. Maar goed, dat boeide me niet: het was Bayern München, weet je wel. Stel tien miljoen kinderen de vraag wat ze zouden doen, en er zijn er misschien twee die neen zeggen tegen Bayern.”

Hoe zijn ze bij jou uitgekomen?

“Ik had een aardig seizoen achter de rug bij de U16 van Feyenoord. En ik zat bij het Nederlandse jeugdelftal. Daar ging het ook goed.”

Je trok weg uit Nederland, uitgerekend hét land waar jong talent speelkansen krijgt. Volgens de voormalige bondscoaches Frank de Boer en Marco van Basten was je sneller doorgebroken als je bij Feyenoord was gebleven.

“Ik begrijp hen: zij hebben het op die manier gedaan. Ik heb een andere route gevolgd. Ik had niet het gevoel dat er een plan voor mij klaarlag bij Feyenoord. Ik moest nog een jaar wachten en pas dan zouden ze bekijken of ik een contract kreeg. Bij Bayern kwamen ze wel meteen met een plan.”

Vond je het moeilijk om weg te gaan?

“Een beetje wel, ja. Feyenoord was toch mijn cluppie. Maar ik was de jongste en er liepen andere talenten rond in wie ze meer vertrouwen hadden. Ik had niet het gevoel dat het daar zou gaan gebeuren voor mij. Bij Bayern wel.”

Bayern München is de absolute top in Europa. Het is er vast moeilijk binnenkomen als je nog geen adelbrieven kunt voorleggen.

“Alles draait om zelfvertrouwen. Toen Bayern kwam, besloot ik om er voluit voor te gaan. Daar heb ik geen spijt van: ik heb er mijn debuut gemaakt, gescoord én prijzen gewonnen. Als je goed genoeg bent, komt het wel. Trouwens, wie zegt dat ik op achttien jaar mijn debuut zou hebben gemaakt bij Feyenoord? Wie weet had ik het ook daar niet gehaald.”

Op je zestien het ouderlijke nest verlaten ligt niet voor de hand.

“Het is een grote stap. Maar dat besef je pas als je er een tijdje alleen zit, zonder je ouders, en met alleen je teamgenoten aan de dis voor het avondeten. Dan kruipt het wel in je hoofd: heb ik écht die stap gemaakt? Ik zat op internaat, moest nieuwe vriendjes maken, een nieuwe taal leren. In Nederland ging ik elke zondag naar het pleintje. Ook dat veranderde: bij Bayern zat ik constant in de routine van het voetballer-zijn. Ik wist: nu is het voor het echie.”

En op een mooie dag deel je plots de kleedkamer met Robert Lewandowski, ’s werelds beste spits. Was je onder de indruk?

“Vooral in het begin. Nu, dat geldt voor de héle kleedkamer van Bayern. Al die toppers zien rondlopen, dat is echt een jongensdroom. Gaandeweg worden het meer je teamgenoten, maar het blijft een privilege. Neem nu Lewandowksi: dat is een béést. Je zíét waarom hij de beste spits ter wereld is. Elke training laat hij het zien. Ik heb geprobeerd zoveel mogelijk van hem op te pikken.”

Het cliché wil dat je, alleen al door samen te trainen met zulke vedetten, zelf een betere speler wordt. Volgens Pierre van Hooijdonk, een voormalige spits en Feyenoord-icoon, is dat niet zo: ‘Zulke supersterren trainen niet voluit, door de vele wedstrijden die ze moeten spelen’, zei hij naar aanleiding van jouw situatie.

“Daar ben ik het niet mee eens. Elke training bij Bayern was altijd van het hoogste niveau.”

Kun je zeggen dat je keuze voor Bayern goed heeft uitgepakt?

“Het kan altijd beter, maar ook slechter.”

Na de hype volgde al snel de ontnuchtering. Wat liep er mis?

“De club heeft Choupo-Moting binnengehaald. Ik moest de concurrentiestrijd met hem aangaan en dat is in zijn voordeel uitgedraaid. Plots was ik dérde spits. Ik ben wel aan dat seizoen begonnen met de gedachte meer minuten te maken, maar het tegenovergestelde gebeurde. Dat was moeilijk.”

Hansi Flick, je toenmalige coach, zou niet tevreden geweest zijn over je mentaliteit.

“Ik heb dat ook gelezen, maar er klopt niets van. Ik heb er met Hansi Flick over gesproken: ik trainde zoals altijd. Alleen is het moeilijk om te concurreren met Lewandowski én met Choupo-Moting. Mentaal deed dat iets met mij: ik voelde me niet meer betrokken en stapte weleens minder vrolijk het veld af. Dat is normaal, denk ik.”

null Beeld BELGAIMAGE
Beeld BELGAIMAGE

BYE BYE INSTAGRAM

Halfweg vorig seizoen werd je verhuurd aan Parma. Ook dat werd geen succes.

“Ik raakte geblesseerd aan mijn rechterknie: drie, vier maanden out. Los van die blessure heb ik een mooie tijd gehad in Parma. Maar makkelijk was het niet.”

Een volledig seizoen was de mist ingegaan. Waar stond je?

“Nog steeds met mijn voetjes op de grond. Vorig jaar ben ik niet op vakantie geweest: ik moest weer fit worden en heb keihard getraind. Toen kwam Anderlecht.”

Bij Bayern weer met het succes aanknopen was geen optie?

“Daar dacht ik niet aan, nee. Ik had er een goede voorbereiding achter de rug, maar door de aanwezigheid van Lewandowski zou ik weinig minuten maken. Ik wilde verhuurd worden – míjn beslissing. Ik was net twintig geworden en móést spelen, want dat had ik een jaar niet gedaan.”

Wat je situatie in München niet hielp, was die enorme misser in een oefenduel met Ajax toen je voor open doel niet wist te scoren, omdat je te laconiek de tijd nam bij het besluiten.

“Als je de hele wedstrijd bekijkt, zie je dat ik prima heb gespeeld. En ook mijn voorbereiding was goed geweest: dat was toch de feedback die ik van Bayern kreeg. Ik zat lekker in mijn vel.”

Die misser was koren op de molen van je critici, die je laks noemen.

“Mensen mogen vinden wat ze willen. Ik hoor dat al sinds mijn tien. Als het goed gaat, ziet het er makkelijk uit. Maar als het niet draait, ben ik te gemakzuchtig? Nou, ik besteed er geen aandacht meer aan. Ik weet wanneer ik iets beter had moeten doen. En als ik met de beste intenties iets probeer en het gaat fout, neem ik dat voor mijn rekening. Als mensen dat laconiek willen noemen, mogen ze dat van mij. Maar de enige van wie ik het aanneem, is de trainer. En die is – zoals alle trainers die ik heb gehad – meestal slim genoeg om te zien dat dit nu eenmaal de speler is die ik ben.”

Het etiket ‘arrogant’ is je ook al opgekleefd.

“Iedereen die denkt dat ik arrogant ben, zal zijn mening veranderen als hij mij leert kennen. Ik ben zelfverzekerd.”

De grens tussen zelfverzekerdheid en arrogantie is flinterdun.

“Sommige mensen kennen het verschil niet. Ik ga mezelf niet veranderen. Iedereen die mij kent, zal je vertellen dat ik niet arrogant ben.”

Na die misser tegen Ajax heb je je Instagram-account afgesloten.

(knikt) Ik kreeg een stroom aan berichten over me heen van mensen die geen leven hebben. Dat heb ik toen op pauze gezet. Die stilte beviel me zó goed dat ik het zo heb gelaten: alleen mensen die ik ken, kunnen mij nog een bericht sturen. Sociale media zijn een plek met rare mensen. Het kan me niet schelen wat zulke mensen denken, dus hoef ik hun reacties ook niet meer binnen te krijgen.”

null Beeld Geert Van de Velde
Beeld Geert Van de Velde

VRIEND NOA

Anderlecht is al enkele jaren op de dool, er lopen geen spelers meer rond die weten wat het is om prijzen te winnen. En de Belgische competitie staat sowieso niet hoog aangeschreven in Nederland: spookte dat door je hoofd toen Anderlecht zich meldde?

“Helemaal niet. Ik heb een goed gesprek gehad met Vincent Kompany, en met een maatje dat ook in België speelt. Ik wist er dus wel wat over, al moet ik eerlijk toegeven dat mijn voorkeur eigenlijk naar een ploeg uit de Bundesliga ging. Tot dat telefoontje met Peter Verbeke (CEO van Anderlecht, red.) en Kompany. Vanaf dat moment lag mijn focus helemaal bij Anderlecht. Kompany wist precies in welke situatie ik me bevond: dat ik moest spelen, dat het tijd was om te ontpoppen. En hij zou me daarbij helpen. Voor mij was dat het belangrijkste.”

Wist je ook waar je zou terechtkomen?

“Ja, in Brussel. (lacht) Ik wist wat me te doen stond: Lukas Nmecha doen vergeten. Die had hier een topseizoen achter de rug. Die hoge verwachtingen voelde ik dus. Ondertussen is de druk al iets minder, maar ik ben er nog niet klaar mee.”

Je kende een moeilijke start.

“In Europa moesten we direct aan de bak tegen Vitesse (een club uit de Nederlandse subtop, red.). Dat was een moeilijke binnenkomer, net als de wedstrijden erna – alles samen een stuk of zes. Daarna ging het redelijk.”

‘Ik wil aan Nederland bewijzen dat ik de juiste keuze heb gemaakt’, zei je toen.

“Heb ik dat zo gezegd? Volgens mij voelde ik die druk wel, ja. Het gerucht ging dat ik naar Feyenoord zou gaan. Toen ik voor Anderlecht koos, vonden ze dat onbegrijpelijk in Nederland.”

Jullie werden uitgeschakeld door Vitesse. Dat zorgde voor milde spot in Nederland, waar men niet wakker ligt van België: ook toen Noa Lang tweede werd in de Gouden Schoen, kreeg dat geen weerklank.

“Dat kan ik bevestigen. In Nederland gaat niets boven de eredivisie. Toen ik er nog woonde, was Anderlecht de enige Belgische club die ik kende. Maar goed, trainers en analisten weten wél wat er gebeurt in België. Als je goed bent, word je opgemerkt.”

Je verwees daarnet naar een maatje dat ook in België voetbalt: Noa Lang?

(knikt) Ik zat samen met hem bij Jong Oranje. Hij heeft me daar opgevangen. Maar we kenden elkaar al langer: we zijn allebei van Rotterdam en Nederland is klein, dan gaat het snel. We hebben best vaak contact.”

Ik zag jullie samen bij Soufiane Touzani, de Rotterdamse freestyler op YouTube. Waarom klikt het?

“Goeie vraag… Vrienden ben je of ben je niet. Noa is een erg open jongen: hij is wie hij is. Dat kan ik wel waarderen. Eigenlijk zijn we elkaars tegenpool, dat kun je goed zien in dat filmpje met Touzani. Misschien klikt het daarom wel zo goed tussen ons.”

Touzani omschreef jullie als ‘de twee ruwe diamanten van Nederland.’

“Mooi compliment.”

Noa verklapte er dat hij naar een psycholoog gaat: ‘De voetbalwereld is een vieze wereld. Er is heel veel druk, probeer daar maar eens mee om te gaan.’

“Mensen hebben het ook niet aan mij gezien dat ik het in die mindere periode niet naar mijn zin had. Dat heeft een tijdje geduurd. Soms is het lastig als voetballer. Gelukkig is het geen taboe meer: in zowat elke club heb je tegenwoordig een psycholoog.”

Denk jij veel na?

“Zoals iedereen, denk ik. Als we verloren hebben, neem ik dat mee naar huis.”

Ben je iemand bij wie de twijfel snel toeslaat?

“Nee, niet echt.”

Topvoetbal is hard. Twijfel wordt doorgaans niet op prijs gesteld.

“Klopt, je moet wel zeker zijn van je zaak. Dat ben ik.”

Waar ben je dit seizoen het meest tevreden over?

“Dat ik mezelf weer heb opgeraapt. En dat ik consistent ben. Ik ben vaak in de basis begonnen: daar ben ik blij mee. Trots, zelfs. Want het is niet makkelijk: er is veel concurrentie voorin met Kouamé, Bennie (Benito Raman, red.) en ik.”

Wat zit je nog dwars?

“Dat we vierde staan! Ik maak deel uit van een team. Als we vierde staan, wil dat zeggen dat ik daar iets aan had kunnen veranderen. We moeten winnen, ongeacht mijn persoonlijke statistieken – dat boeit niet meer. Winnen!”

Irriteert het je dat Vincent Kompany je vaker wisselt dan je lief is?

(lachje) Nee, hoor. De trainer legt het steeds goed uit. Maar dat blijft tussen ons. Iedereen wil 90 minuten spelen, hij maakt keuzes voor het team. Daar hebben wij ons bij neer te leggen. Gewoon doorgaan, dat moeten we doen.”

Je bent nog steeds van Bayern München, waar je na dit seizoen nog één jaar een contract hebt. Kun jij uitleggen waarom Parma je huurde met een aankoopoptie en Anderlecht die optie niet heeft?

“Nee, dat is een keuze van Bayern geweest. Maar het maakt niet uit wat er straks gebeurt: ik wil een goed seizoen draaien met Anderlecht. Daarna keer ik terug naar München en zie ik wel weer.”

null Beeld Geert Van de Velde
Beeld Geert Van de Velde

HOND KOBE

Waar droomde je van als kind?

“Champions League spelen en voor het Nederlandse elftal uitkomen.”

Dat eerste kun je al afvinken. Waarom dacht je dat het jou zou lukken en al die andere jongetjes met dezelfde droom niet?

“Zelfvertrouwen. En geluk. Mijn omgeving heeft mij – en later ook mijn broertje – altijd hard gepusht. Ik ben de eerste voetballer in mijn familie, mijn ouders hebben heel veel tijd in mij gestoken. Daar ben ik hun erg dankbaar voor. Ze zien hoeveel plezier wij in het spelletje hebben en staan voor 100 procent achter ons. Daarom ook willen mijn broertje en ik hen trots maken. Dat weten ze.”

Je broer Jordan heeft net als jij erg jong de stap naar Duitsland gezet, naar Leverkusen. Hoe goed is hij?

“Nou, hij kan voetballen. Maar nu gaan we over mijn broertje praten en dat wil ik niet.”

Heb je hem goede raad gegeven?

“Jazeker. Op zijn leeftijd nam ik het allemaal wat makkelijker op. Ik zag the bigger picture nog niet. Hoe je als profvoetballer hoort te leven, bijvoorbeeld. Daar waarschuw ik hem soms voor. Maar goed, het hoort bij zijn jeugd. Hij moet het zelf ontdekken.”

‘De ideale mix is een voetballer van een witte en een donkere ouder. Die heeft het perfecte voetballerslijf. Witte mensen zijn vaak lang, donkere mensen krachtig en snel.’ Aldus Errol Esajas, een Surinaams-Nederlandse atletiektrainer uit Rotterdam.

“Ik kan me er wel iets bij voorstellen: ik heb duidelijk de lengte van mijn vader en het atletisch vermogen van mijn moeder. Maar sterk worden kan iedereen, je hoeft er alleen maar voor te trainen.”

Je moeder komt uit Nigeria.

“Ik ben er een paar keer geweest en heb er mijn familie ontmoet. Wie weet ga ik er nog een keertje op vakantie.”

Weet je waarom ze naar Nederland gekomen is?

“Dat is privé.”

Wat heb je van haar meegekregen?

“Dankbaar zijn voor alles wat je hebt. Vooral dat, ja... Mijn moeder heeft een minder goed leven gehad in Nigeria.”

Ben je ooit racistisch bejegend?

“Nee. Natuurlijk lopen er gekken rond, maar ik ben niet makkelijk uit evenwicht te brengen.”

Op je eerste selectie voor Oranje is het nog wachten. Zolang die er niet is, kun je ook voor het Nigeriaanse elftal kiezen. Heb je dat al overwogen?

“Nee, maar het is ook niet iets wat ik uitsluit. Weet je, ik heb er nog niet over nagedacht. Ik weet alleen dat ik dat hoofdstuk nog niet heb afgesloten. Mijn droom is het Nederlandse elftal, dat mag iedereen weten. Maar het zou dom zijn het Nigeriaanse elftal nu al uit te sluiten. Je weet nooit wat er gebeurt.”

Wat is er nog naast het voetbal?

“Mijn hond. En mijn vriendin.”

De hond heet Kobe, naar Kobe Bryant.

“Mooie naam, vond ik. Makkelijk om te roepen ook. En Kobe Bryant is toch een legende. Ik kijk vaak naar basketbal en speel het ook vaak op PlayStation.”

Is er een goede basketbalspeler aan jou verloren gegaan?

“Nou, dan had ik toch iets groter mogen zijn. Met mijn 1,93 meter zou ik tussen al die gasten van 2,10 meter een van de kleinsten zijn. Nu, ik bén goed. (lacht) Ik ben er pas enkele jaren geleden mee begonnen. Toen Chris Richards in 2018 bij Bayern kwam, een Amerikaan met wie ik nog steeds goede maatjes ben. Samen met Taylor Booth, een andere Amerikaan die nu bij Utrecht speelt, en Alphonso Davies speelden we vaak basketbal. Zo heb ik me ontwikkeld.”

Je Duitse vriendin Celina is, anders dan jij, erg actief op de sociale media.

“Goed, toch? (lacht) Ze heeft veel volgers en is best bekend in Duitsland. Ze zit bij een modellenbureau en doet af en toe reclamedingetjes.”

Jij bent geen open boek. Meer een oester die moet worden opengewrikt.

“Nou, dat kan. Ik ben nogal gesloten, in het begin toch. Pas als ik me wat comfortabel voel, zie je wie ik echt ben. Dan ben ik een grappige jongen.”

Het cliché van de luidruchtige Rotterdammer met veel branie lijkt niet bij jou te passen.

(lachje) Ik ben iets rustiger. Maar niet zoveel, hoor. Ik bén ook geen pure Rotterdammer: ik kom uit Spijkenisse, een stadje in de buurt.”

Volgens één van je vroegere jeugdtrainers heb je wel altijd een eigen mening: ‘Hij was soms moeilijk te overtuigen.’

“Maar dat maakt van mij nog geen moeilijke jongen.”

Je bent geen man van grootse emoties.

“Iedereen heeft emoties. Ik denk alleen dat ik ze iets minder vaak laat zien.”

Ook je doelpunten vier je doorgaans ingetogen.

“Ja? Op training ben ik toch vaak anders. Daar juich ik meer dan tijdens wedstrijden.”

Had je idolen?

“Ja: Ronaldinho. Geen echte spits, dat klopt. Maar je hoeft toch niet altijd op je idool te lijken? De blijdschap die van hem afstraalde, hoe hij genoot van voetbal: dat sprak me enorm aan.”

Zijn eeuwige tandpastaglimlach ligt niet op jouw mond bestorven.

“Als je goed kijkt, zie je hem wel, hoor. (lacht)

Volgens de overlevering juichte je ook als kind niet.

“Ik heb het twee keer gedaan, met het tweede elftal van Bayern. Niet eens uitbundig, maar een soort cowboybeweging. Met een pistool en zo. Nou, toen werd er mij toch geadviseerd om iets anders te doen. Niet dat het me werd verboden, maar ik heb het wel gerespecteerd. Weet je, ik zal hem hier een keertje voor je doen. De volgende keer dat ik scoor, beloofd. (lacht)

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234