Donderdag 29/09/2022

Voor op zijn tijd

Jean Prouvé was zijn tijd ver vooruit. En werd daarom misprezen door collega's. Tegenwoordig tellen verzamelaars fortuinen neer voor zijn bewust onesthetische meubels.

jesse brouns

Prouvé was niet geïnteresseerd in schoonheid: misschien lijken zijn meubels en gebouwen daarom zo tijdeloos. Zijn dédain voor de regels van de esthetiek is volgens de Parijse galeriehouder Philippe Jousse het belangrijkste verschil met een andere designreus van de twintigste eeuw, Charles Eames. "Eames en Prouvé zijn er allebei in geslaagd een aantal meubels op grote schaal te laten produceren - iets wat het Bauhaus nooit is gelukt. Maar Charles Eames zocht altijd naar schoonheid, terwijl het Prouvé om iets anders te doen was."

De esthetiek van Prouvé is een esthetiek van de weerstand. Jean Nouvel, de gereputeerde Franse architect van het Institut du Monde Arabe en van de Fondation Cartier, noemt Prouvé een pragmaticus, een realist, "een soort Sint-Thomas van het moderne design".

Prouvé was een autodidact, maar van goede familie. Zijn vader was de kunstenaar Victor Prouvé. Zijn peetvader was Emile Gallé, de glasblazer, keramist, meubelontwerper en oprichter, in 1902, van de School van Nancy, een gereputeerde art-nouveaubeweging die kunst en industrie trachtte te verzoenen. Zelf moest hij door gezondheidsproblemen en later de doem van de Eerste Wereldoorlog aan een degelijke opleiding verzaken. Prouvé ging van school af en werd metaalbewerker. In 1918 kreeg hij zijn eerste eigen opdracht en in 1923 begon hij met de financiële hulp van zijn vader zijn eigen atelier. Hij had er toen tweeëneenhalf jaar legerdienst opzitten, bij de cavalerie. In zijn atelier werden lampen, luchters, grilles en liftkokers van gesmeed ijzer vervaardigd.

Maar Prouvé experimenteerde graag. Hij ontwierp zijn eerste eigen meubels, en een fameuze deur voor de moderne architect Mallet-Stevens. In 1930 was hij mede-oprichter van de Union des Artistes Modernes (U.A.M.), waarvan ook Le Corbusier, Pierre Jeanneret, Robert Mallet-Stevens en Pierre Chareau lid waren.

Pouvé zei: "Ik ben opgegroeid in een wereld van kunstenaars en academici, een wereld waarin ik mijn hersenen heb gevoed. Maar ik was een arbeider en dus had ik een perfecte kennis van het metier en van materialen."

Hij was gepassioneerd door de ideeën van het constructivisme. In 1931 kocht hij een machine waarmee hij metaal kon plooien: hij kon zijn experimenten vorm geven.

Zijn dochter, Catherine, herinnert zich een zomer van 1946, toen het gezin voor dat seizoen van Nancy naar Bretagne was getrokken. En daar in enkele dagen tijds een geprefabriceerd huis neerzette. Kinderen en meubilair kwamen per vrachtwagen, het huis per trein. Een huis voor één zomer, op een gehuurd terrein. "Het stormde de hele zomer. We vlogen bijna weg. Het was Buster Keaton in het echt."

Elementen van dat zomerhuis en van andere geprefabriceerde woningen en barakken staan nu in Parijs tentoongesteld als moderne kunstwerken. Hij wilde huizen bouwen als auto's. En meubilair voor de massa. Prouvé zag een expressieve kracht in gebogen metaal. Hij had een afkeer van de metalen buisstructuren van de Bauhaus-kunstenaars, vond gebogen ijzer veel dynamischer dan buizen. "Prouvé wordt soms de anti-Mies Van der Rohe genoemd", zegt Jousse, "maar eigenlijk was hij dat niet echt."

Prouvé zelf had een favoriete uitdrukking: 'Pliée, emboutie, nervurée puis soudée'. Dynamiek, zei hij, zit in de beweging.

Hij ontwierp meubilair en gebouwen en beweerde graag dat een stoel en een huis eigenlijk hetzelfde waren: een stoel is gemaakt van vier poten en een dak. Het volstaat de dimensies te veranderen. Meubilair is structuur en structuur is architectuur. De symmetrie tussen architectuur en meubelontwerp wordt duidelijk als je de ijzeren structuur van een van zijn barakken naast een van zijn tafels ziet. Maar de redenering werkt ook omgekeerd: zijn architectuur is verwant met meubilair. Prouvé ontwierp draagbare huizen, ontmantelbare modules. Hij was een pionier van de moderne nomadische architectuur. En zijn architectuur was economisch verantwoord. Economie van materialen en van middelen. La modernité pour tous!

"Andere moderne architecten werkten vooral in opdracht van weldoeners," zegt Jousse. "Prouvé werkte vooral voor openbare instellingen. Voor de massa." Hij ontwierp stoelen en banken voor scholen, vestiaires voor de Cité Universitaire van de voorstad Anthony. Meubels voor het Maison du Mexique en het Maison de la Tunisie in de Cité Universitaire van het veertiende arrondissement van Parijs, een openluchtmuseum van de moderne architectuur.

In de ateliers van Prouvé maakte Charlotte Perriand een aantal van de meest begerenswaardige meubels van de twintigste eeuw - zoals het beroemde houten boekenrek in primaire kleuren, dat in honderdduizend woninginrichtingreportages acte de présence geeft.

Een functionalist, Prouvé? "Ja, als ik iets maak, dan heb ik graag dat het functioneert," grapte hij. "De moderne architectuur van die periode is bijna zonder uitzondering kubistisch," aldus Jousse. "De vormen zijn rechtlijnig, hoekig, geometrisch. Maar niet bij Prouvé."

Norman Foster, de beroemdste Britse achitect van ons fin de siècle, meent dat Prouvé nooit gevangen zat in het kubistisch formalisme waardoor zoveel avant-gardearchitecten van de jaren dertig geobsedeerd waren - "ondanks al hun uitspraken voor de goede zaak van het functionalisme".

Prouvé bouwde zijn oeuvre op de pijlers van het verleden. Hij was niet geïnteresseerd in vroeger. Niet in de klassieke architectuur, maar ook niet in art nouveau of in art deco.

In de grauwe provinciestad Nancy, waar hij zijn ateliers had, bouwde Prouvé halverwege de jaren vijftig een privéwoning die kan worden vergeleken met het huis van Charles en Ray Eames in Los Angeles, al is er natuurlijk een verschil tussen de heuvels van L.A. en het Ardense landschap rond Nancy. Eerder had hij samen met Pierre Jeanneret enkele ingenieuze geprefabriceerde barakken ontworpen, alsook, in samenwerking met zijn broer, de kantoren van een fabriek in Nancy: een gedeelte ervan werd heropgebouwd in de galerie Jousse Seguin in Parijs, maar van destijds blijven alleen wazige, vergeelde foto's over.

Prouvé had zijn atelier door de Tweede Wereldoorlog geloodst door het vervaardigen van fietsen en snelkookpannen. Was bij het verzet gegaan en na de oorlog tot burgemeester benoemd. Maar hij stelde zich nooit kandidaat bij daaropvolgende verkeizingen en hij keerde terug naar zijn fabriek, waar hij de fameuze barakken voor de vluchtelingen bedacht (Pavillon des sinistrés, zes meter op zes groot). Prouvé liet daarna sporen achter in Afrika, waar hij Air France als opdrachtgever had. Maar hij bedacht ook prototypes voor een Maison Saharienne en een Maison Tropicale - instant-bungalows met karakter. In het zuiden van Frankrijk bouwde hij in het begin van de jaren vijftig een paar adembenenemende bungalows (het Maison Lopez en het Maison Dollander). Prouvé ontwierp voor de Manufacture des Tabacs in Marseille aluminium zonneblinden die school hebben gemaakt - ze dateren van 1954, maar kunnen zo op een gebouw van Nouvel of Foster.

In 1947 was Prouvé met de financiële steun van l'Aluminium français een fabriek begonnen die was toegespitst op grootschalige aluminiumconstructies. De fabriek was 25.000 vierkante meter groot en er werkten 200 arbeiders. Prouvé werkte samen met zijn broers Henri (architect) en Pierre (verantwoordelijk voor werven en prototypes). Charlotte Perriand, pas terug van een lang verblijf in Japan, kwam de afdeling meubilair versterken. Busladingen Franse en buitenlandse architecten bezochten de fabriek. Le Corbusier was volgens de overlevering bijzonder geïnteresseerd. De fabriek was een succes, maar door het succes verloor Prouvé zijn werkinstrument. De aluminiumproducenten, die geld roken, wilden steeds meer betrokken geraken bij de werking van de fabriek. Prouvé weigerde echter om uitsluitend als ideeëndoos te dienen, in een studiebureau, ver van de machines. "Wat hem hielp te functioneren was de weg van de gedachte naar de fabricatie en vice versa," aldus Jousse. "In de fabriek van Maxeville voelde hij zich op den duur onbegrepen. Er was een gebrek aan communicatie met de investeerders. In 1953 verliet hij de fabriek."

Het afscheid was bruusk. Van de ene dag op de andere liet Prouvé alles achter. Plannen, brevetten, ideeën, en gedurende korte periode zelfs zijn eigen naam. Les Ateliers Jean Prouvé waren immers niet zijn eigendom.

Zijn carrière duurde nog dertig jaar. Hij bouwde eindelijk dat eigen huis waarvan eerder sprake, gedeeltelijk met gerecupereerde panelen die hij in zijn eigen fabriek moest gaan kopen.

Prouvé werkte na 1953 vaak mee aan plannen van andere architecten: een prachtige buvette voor La source Cachat in Evian, uit 1956. Of het C.N.I.T., het immense Centre National des Industries et des Techniques, een van de oudste attributen van de Parijse zakenwijk La Défense - met 's werelds grootste betonnen dak (midden jaren vijftig). Prouvé bouwde ook mee aan het Franse paviljoen op de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel.

In 1957 trad hij in dienst van de Compagnie Industrielle de Matériel de Transport (C.I.M.T.), gespecialiseerd in het ontwerpen van treinen. Maar Prouvé paste de transporttechnieken toe op gewone architectuur - de gevels van het hoofdkwartier van de C.I.M.T. in Neuilly-sur-Seine (1963) en het Institut de l'Environnement in Parijs (1969) zijn duidelijk verwant aan de gestroomlijnde wagons van de Trans Europe Express, die sinds de lancering van de Thalys van het traject Brussel-Parijs zijn gehaald.

Voor het C.I.M.T. was hij als raadgever betrokken bij menig project - een expositiepaleis voor Grenoble, scholen in Bagnols-sur-Ceze, Cachan, Sarcelles, Grenoble, Saint-Egreve Faverges, de gevel van de luchthaven van Orly, en de prachtige Tour Nobel van La Défense (een ontwerp van de architect de Mailly, uit 1967).

In 1968 verliet hij de maatschappij en vestigde zich als zelfstandig adviseur in de Rue des Blancs Manteaux, in de Parijse Marais. Hij gaf zijn advies voor de zetel van de Parti Communiste (gebouw van Oscar Niemeyer, 1970) en maakte plannen voor een standaard-benzinestation in opdracht van Total. In 1971 werd hij voorzitter van de jury die een architect moest kiezen voor het giganteske cultureel centrum dat het Centre Georges Pompidou zou worden. ZIjn laatste project was een studie voor een televisietoren in Ouessant. Hij overleed in Nancy, in 1984.

Jean Prouvé zei: "Ik heb er een hekel aan om iets te tekenen zonder het ook te maken. In mijn ateliers werd een idee altijd onmiddellijk uitgevoerd, of het nu om een huis ging of om een meubel. Als ik bijvoorbeeld een idee had voor een stoel ging ik mijn broer Pierre opzoeken in het prototype-atelier. Ik zei hem: 'Maak mij deze stoel'. En dan keek hij eens naar mij, en ik voegde er aan toe: 'Tegen morgenvroeg'. En de volgende ochtend had ik mijn stoel en konden we aan de correctiewerken beginnen. Maar we brachten geen maanden door met het testen van een goed getekende stoel, dat is nergens goed voor. Les choses, il faut les faire..."

'Jean Prouvé', tot eind juli bij Galerie Jousse Seguin, 5, rue des Taillandiers, Parijs. Bij de tentoonstelling hoort een interessant boek, uitgegeven door Galerie Jousse Seguin en Galerie Enrico Navarra, ISBN 2-909187-04-7.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234