Maandag 03/10/2022

Wakker in droomritme, ver van je bed

Als hij pastorale hymnen schrijft, wat hij ook wel doet, zijn die van de ontwrichtende soort; zijn welhaast animistische, zeer zintuiglijke poëzie lijkt vaak op het spreken van een deels gestoorde, deels geniale geest. Les Murray, 'hersenboer', is inmiddels internationaal de meest gevierde Australische dichter, door velen op één lijn gezet met Derek Walcott en Seamus Heaney. Onlangs verscheen in een uitstekende vertaling De slabonenpreek, een representatieve selectie uit het werk van deze boers visionaire backstreet boy en ironische universalist: de ideale kennismaking met een Nobelprijskandidaat.

Stefan Hertmans

Laat ik beginnen met een van de eerste gedichten die ik van Les Murray onder ogen kreeg, en dat me er meteen toe deed besluiten dat ik van deze man méér wilde lezen. Dit was nu eens poëzie waarin de dichter er ècht in is geslaagd een koe te worden:

Alle ik staan op voer. De hemel straalt. Alle ik zijn net gemolken. De spenen tintelen nog na van het droge tandeloze gezuig van die kille monden die luid in- in- inslokken en nimmer uitademen. Alle ik die op voer staan, bewegen het voer door me heen. (...) Ik op het volgezeken erf. Opeens steekt een stok uit de mens en knalt, als de zweep. Ik siddert en valt neer terwijl het vreselijke, het bloed van ik, achter een oor naar buiten komt. Ik, die andere ik, ligt neer, droomt op het kale erf. Alle ik komen aangerend. (...) (...) Het is bezig in de hals van ik En het vreselijke stroomt naar buiten, zompig en schuimend. Alle ik doen de Brul. (...)

Het gedicht heet 'De koeien op slachtdag'. Door het oeverloze ik-gevoel van de ene koe gelijk te schakelen met alle andere 'ikken' (die net zo goed welgemutst naar de slachtbank gaan), ontstaat iets wonderlijks: Murray schaft het individuatieprincipe af, duikt onder de menselijke ervaringsgrens heen, zakt dieper door een bepaalde, zeer moeilijk te doorgronden onbewustzijnslaag en licht daar een heel klein tipje van een loodzware sluier op. En wat hij daar ziet is een door helder zonlicht beschenen gruwel van iets onkenbaars, dat tegelijk bemoedigend oplicht en volstrekt betekenisloos lijkt. En toch is dat maar de halve waarheid. Want het gedicht heeft ook iets hymnisch, het lijkt een soort loflied van een boer, geschilderd met het licht van Emile Claus (maar dan alle verhoudingen in het kwadraat: het gaat over Australië). En juist deze dubbelheid tussen hymne en ontwrichting, waar je moeilijk vat op krijgt, deed me nieuwsgierig worden naar meer.

Toevallig was ik enkele weken later in Australië, en kocht daar zowel de Collected Poems als enkele andere dingen van Murray, die inmiddels internationaal de meest gevierde Australische dichter is geworden, onderscheiden met de Petrarcaprijs en de T.S. Eliotprijs, door velen op één lijn gezet met Derek Walcott en Seamus Heaney.

Les Murray, die zichzelf ironisch een hersenboer noemt, werd een van de dichters die me het meest sprakeloos konden maken. Deze gezellig ogende Australische dikkerd met het imago van een robuuste backstreet boy slaagde er gedurende decennia in de verbluffendste vanzelfsprekendheden te produceren in een open, spontane en tegelijk buitengewoon poëtische taal. Het lijkt vaak op het spreken van een deels gestoorde, deels geniale geest, die met een volstrekt onverwacht aanvallende achteloosheid dingen kan oproepen die in de stadspoëzie van de grote westerse landen ondenkbaar waren geworden. Als het niet zo pijnlijk was, zou je zeggen dat Murray soms spreekt met de poëtische gave van een autist (hij heeft zelf een autistische zoon, over wie hij in zijn laatste bundel een aangrijpend gedicht schreef: "Een eerste gesprekje, met één woord: Audo. - Ja, auto! Goed zo schat! - Audo. Hij vergeet niets en herinnert zich het specifieke karakter van elke ervaring").

Murray is concreet aanwezig in elk woord dat hij schrijft, met overweldigend fysieke details, maar hij is tegelijk ook aalglad, soms onverwacht ironisch - en hij heeft bijna altijd iets universeels. Tegels, prikkeldraad, Australische korte broeken, grottenduikers, wurgvijgen, Harley Davidsons, mollusken, varkens, emoes, olifanten, een regenwatertank: Murray heeft er iets omheen gebreid, iets vagelijks animistisch, waardoor je weer voor het eerst voelt en kijkt; een beetje het werk van een goede schilder, maar dan met donkere ondertonen, die meegebracht worden door zijn retoriek.

In 'Midzomerijs' herinnert hij zich hoe hij als jongen de ijsvoorraad naar boven bracht:

Herinner je je hoe ik vroeger altijd ijs vanaf de straat naar huis droeg voor de ijskist, half rennend, met in mijn blote handen die witte rechthoek geklemd de enige uiterste kou in al die zomervelden?

Het contrast tussen de zomer en de verkilling in de handen van de dragende jongen wordt steeds pijnlijker, terwijl het hem vervult met deze herinnering:

Ik at zo graag stukjes van dat ijs, bikte het uit met een stalen mes. Het stopte het bederf van goede waren en had binnenin een vreemde kam een versplinterde horizon vol nulparels. Maar je herinnert je het niet meer. Een stoeptree van verstijfd beekwater met de kleur van tranen maar je herinnert je het niet meer. Ik zal moeten sterven voordat jij je het herinnert.

Zo wordt het gedicht over midzomerijs een gedicht over de dood van zijn moeder, achteloos verglijdend, zonder gelamenteer, gewoon paradoxaal als het dragen van het ijs in de hitte en vandaar juist aangrijpend. Maar natuurlijk is de dichter in mij vooral getroffen door die twee schitterende omschrijvingen van het ijs: die horizon vol nulparels en die stoeptree van verstijfd beekwater, twee zienswijzen die aan kinderervaringen doen denken, maar ook zo feilloos onheil spellend in hun schijnbare onschuld.

Die schijnbare onschuld, misschien is dat de grootste charme van Murrays poëzie. In zijn beste gedichten zit ook altijd iets van de banaliteit van voorsteden, hete kale landjes, van fantasieloze grote boerderijen en oude, gammele vrachtwagens. Die mengeling maakt zijn beste gedichten onweerstaanbaar en eigentijds. In het gedicht 'De smaragdduif' vliegen als één kluwen energie een wilde duif en een roofvogel erachteraan het huis in: "Eén zigzagde voort door verdere deuren, de ander, / in paniek om die verkeerde rechthoekige struiken, remde / als een kogel in bloed, met dwars spattende vleugels, / als een hooggeschouderde polsstokspringer (...)". Dergelijke van energie barstende observaties gaan hand in hand met dieperliggende ervaringen die voor Murray van steeds groter moreel belang zijn geworden: de transparantie van het plattelandse leven, de oude waarden van de aan hun grond gebonden families, zijn afkeer van de grote steden en de moderne cultuur, zijn ecologische bezorgdheid en interesse voor de verdwijnende cultuur van de aborigines. Toch lijkt dat telkens ook weer te wijken en is hij veroordeeld zich thuisloos te voelen tussen de dingen die hij beschrijft. Het gedicht over de smaragdduif eindigt hiermee:

waar de behoefte om het schone te bezitten, ermee te paren of het te eten achter ons lag als armoe en we onbegrijpelijk waren, in onze uitputting, gekoesterd, toegekoerd, en dan stil alleen gelaten tussen reusachtige kreukels, loodrechte vlakken, lichtbrekende lucht, onze weg naar huis door spiegels versperd, onze pracht voor onszelf onzichtbaar nu, een kleine wilde persoon, zonder enig idee van vrede.

Door die verknoping van het concrete voorval met een morele pointe is Murray steeds meer een ouderwets soort ambachtsman gaan lijken, die zich er ook niet voor geneert zo nu en dan met een haast priesterlijke stem uit te varen tegen de ondergang van de huidige waarden in de hedendaagse Australische samenleving en vandaar in de westerse cultuur in het algemeen. In het virtuoze huzarenstukje The Boys who Stole the Funeral heeft hij een soortement drama in 140 sonnetten gegoten - hij noemt het een novel sequence. In een breed uitwaaierende stijl waarin typisch voorstedelijke en landelijke taferelen, filosofische reflecties, banaal ogende dialogen en morele uitroepen door elkaar warrelen, probeert hij en passant veel meer varianten van het sonnet uit dan je ooit bij elkaar hebt gezien. Het gedicht is sterk filmisch, maar de visionaire kwaliteiten krijgen ook steeds meer morele boventonen.

Stilaan heeft dan ook een vorm van religie de overhand gekregen, en aangezien Murray in 1964 expliciet katholiek bleek te zijn geworden, begon men zijn poëzie te vergelijken met de hymnische, al even eigenaardige gedichten van de negentiende-eeuwse Engelse priester-dichter Gerald Manley Hopkins, waarin ook een vreemd soort incarnatie van de wereld voelbaar wordt. Poëzie is religie, zegt Murray ergens, maar tegelijk kan hij uit de losse pols gedichten schrijven als 'The International Poetry Festivals Thing'. Blijkbaar gaat het toch niet om een eenduidige godsdienstige ervaring.

In het gedicht 'Satis passio' klinkt het zo: "By these measures, most knowlegde / in our heads is poetry, / varied crystals of detail, chosen / by dream-interest, and poured spirally / from version to myth, with spillage, / from theory to history." Wanneer deze constellatie van droomtijd en detailkristal aanwezig is, zien we Murray op zijn grootst. Het is het punt waar het religieuze principe van de incarnatie op profane wijze wordt getoond.

Maar het spreekt vanzelf dat juist deze waarden hem onvermijdelijk voorbestemden om een soort Poet Laureate te worden, een spreekbuis voor de poëzieadept die van dichters Grote Waarheden over zijn Eigen Leven verwacht. Murray is daar iets te gretig op ingegaan, en de theoretische aspecten van zijn dichterschap behoren voor mij tot de minst aantrekkelijke. Het zijn het soort gratuite gedachten als: alle grote ideologieën zijn gedichten, maar het gedicht van de dichter is de laatste ideologie. Ik denk dat ik wel weet wat Murray bedoelt - dat alle 'vertogen' eigenlijk beeldclusters zijn en dat poëzie dat het scherpst laat zien. Maar dat kan hij veel beter zeggen in de beelden van zijn gedichten zelf.

In 1996 publiceerde Murray Subhuman Redneck Poems, een bundel met nog vreemder uitwaaierende gedichten waarin hij onder meer ingaat op het kinderleed van het eenzame boerse dikkerdje dat hij ooit was, afkomstig uit een "white, rural, working-class Australian family". Op het toppunt van zijn roem, bijna zestig jaar oud, kwam hij dus met een bundel waarin hij de outcast in hemzelf in ere wilde herstellen, en waarin hij een beschuldigende vinger uitstak naar de blasé middenklasse van de grootsteedse mediafiguren, die de 'ware' Australiërs, die het land kennen, altijd hebben geminacht. Daarmee vereffende hij een oude rekening: die tussen de bush en de city. Toen hij begon te studeren wou Australië de wereld alleen maar laten zien hoe geavanceerd het als continent was, en werden mensen uit de bush, zoals hijzelf, met hun oude, onmodieuze waarheden, letterlijk verdrongen.

Die herinnering maakt hem hier en daar net iets te geprikkeld. Vijanden zijn voor Murray daarbij altijd makkelijk te kwalificeren: vijanden zijn nazi's. Met een Australisch aplomb dat je weleens tenenkrommende gêne bezorgt, steekt hij beschuldigende vingers uit en lijkt opzettelijk 'Rednecks' te willen spreken. Bovendien kom je voor de paradox te staan dat Murray, door zich weer als verschoppeling te profileren, voor vele Australiërs precies weer de archetypische Australiër symboliseert.

Het is hem niet overal in dank afgenomen. De criticus John Redmond noemt enkele van die gedichten onverholen cafépraat zoals Larkin die ook wel kon schrijven. Hoe goedbedoeld ook, zegt Redmond, in stereotypen willen schrijven blijft een riskant procédé, en het enige wat het oplevert is een soort simplisme waar je dan hard voor hebt moeten knokken. En vooral, zegt Redmond, weigert Murray nog langer "te verbinden" - die verpletterende kracht uit zijn beste gedichten, de kracht om in een dertigtal regels de hele wereld van mensen en dingen wonderlijk op elkaar aan te sluiten.

Persoonlijk vind ik dit oordeel te hard. Het is een feit dat Murray in die laatste gedichten soms iets te moreel simplistisch van stapel loopt en dat zijn denkbeelden het nu soms meer van het algemene dan van het concrete moeten hebben, maar ook hier komen gedichten voor die de grote magie van zijn geest nog ten volle tonen. Het gedicht over de Harleys bijvoorbeeld is adembenemend:

Geblaat aangetrapt tot brullen geeft de hoofdstraat ontiegelijk z'n vet met inwrijvingen van Sven Vorkbaard aan de kop van een donderwolk Harleys, Mo Sneeuwwitbaard en Possum Borstelbaard en hun lady's, gas pompend met geperste lippen één compacte lederen spier aan de rol, aan de haal, een complete school helse Sinterklazen (...)

Ik denk dat Murray eigenlijk gewoon weer onder die 'Poetry Festival Thing'-toestand uit wil, terug naar de afgelegen outback die hij beschreef en beleeft, dat hij aan zijn steeds weer uitgestelde publicatie met aboriginesteksten wil werken, en zelf weet dat het visionaire in zijn gedichten eigenlijk nooit een ideologie of exportmiddel had mogen worden. Inmiddels is een aantal prozateksten van zijn hand verzameld, waaronder een lang autobiografisch verhaal, 'In a Working Forest'.

In het Nederlands is nu een selectie van Murrays gedichten beschikbaar onder de titel De slabonenpreek. Hoewel het maar over een vijftigtal gedichten gaat, is de selectie chronologisch ruim opgevat, en al krijg je niet echt veel van de bundels uit de jaren zeventig en tachtig te zien, de algemene indruk die je uit de keuze kunt opdoen is zeker representatief. Ik vind de vertaling bovendien zeer geslaagd, meeslepend en overtuigend. Een ideale gelegenheid dus om kennis te maken met een dichter van wie we een van de komende jaren best nog eens konden horen dat ze daar in Stockholm besloten hebben hem de Nobelprijs te geven. Want hij maakt een goede kans, zoveel is zeker.

Alvast deze uitsmijter:

Wie leest er poëzie? Onze intellectuelen niet: die willen haar beheersen. Minnaars niet, strijdlustigen noch examenkandidaten. Ook zij bladeren vluchtig, voor goede sier en magische troeven. De arme scholieren niet die heimelijk zitten te ruften terwijl ze er immuun tegen worden gemaakt. Poëzie wordt gelezen door de liefhebbers van poëzie en gehoord door een paar anderen die zich laten meetronen naar café of stadsbibliotheek voor een dubbelfocuslezing. Er zijn misschien een miljoen liefhebbers van poëzie Op de hele wereld. Minder dan beoefenaars van het canasta. Wat hen bekoort is een nooit moorddadig distillaat, voornamelijk in verzen, en in vervulling zwevend aan de oppervlakte van het papier. De rest van de poëzie waar dit ooit deel van was regeert nog continenten, als vanouds. Nu echter op voorwaarde dat niemand haar ware naam uitspreekt. Deze wilde poëzie, van rationaliteit het tegendeel maar ook het geheim, wie leest dat? Ah, de minnaars, de scholieren, de redenaars, generaals, bendeleiders, iedereen leest het: Porsche, lancering, Gaia, proletariaat, Celebes. (...) Wakker in droomritme ademen en ver van je bed, dat is de gave. Tragisch zijn met een boek op je hoofd.

Les Murray, De slabonenpreek, Meulenhoff, Amsterdam, samenstelling, vertaling en nawoord van Maarten Elzinga, 125 p., 500 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234