Donderdag 29/09/2022

Wil de goede Ivoriaan dan nu opstaan?

Wat 22 dagen geleden in Ivoorkust begon als een rebellie van ontevreden soldaten, is intussen gedegenereerd tot een totale oorlog, die het land in tweeën hakt. Hoe was een dergelijke, danteske ontaarding mogelijk? Ahmed K., een naar België gevluchte Ivoriaanse ex-topmilitair, doet zijn exclusieve verhaal.

Catherine Vuylsteke

In de westerse media is de rebellie die het West-Afrikaanse Ivoorkust sinds 19 september in zijn greep houdt, vooral een verhaal gebleken van evacuatie van buitenlanders en stijgende cacaoprijzen. Over het wie, wat en waarom van deze revolte is nog maar weinig bekend. Zeker is alleen dat het land in tweeën is gehakt en dat de burgers het gelag betalen. De in België ondergedoken gewezen Ivoriaanse topmilitair Ahmed K. (schuilnaam) beseft maar al te goed waar dit conflict om draait. Hij was persoonlijk nauw betrokken bij de staatsgreep van generaal Gueï eind 1999, en het zijn sommige van zijn vroegere medestanders die nu als rebellenleider op westerse tv-stations opduiken. Voor de allereerste keer wil de 36-jarige man echt praten. Over zijn verhaal, en dat van zijn zo jammerlijk uiteenspattende vaderland. Een exclusieve getuige over een nebuleus conflict.

Het relaas van Ahmed K begint eigenlijk bij dat van zijn moeder, die uit de Westelijke Sahara komt. Bij zijn vader ook, een kolonel van de douane. Die schreef zijn elfde kind Ahmed in 1988 in aan de militaire school.

Ahmed was een buitenbeentje bij de elitaire Republikeinse Garde: geen etnische Baulé, zoals de president en het gros van zijn medestudenten, maar een métisse. 'Le touareg' noemden ze hem, of 'Khadaffi'. Hij had het altijd als een grapje gezien, hoewel zijn vader hem ervoor had gewaarschuwd dat hij in het leger minder fouten zou mogen maken dan de anderen. Het duurde tot aan de ondervragingen door de militaire inlichtingendienst in 1990 voor Ahmed begreep wat zijn vader daarmee had bedoeld. Tweeënzeventig uur lang werden hij en vier andere leerlingen uit gemengde huwelijken op de rooster gelegd.

Ahmed was geschokt, en zijn vader, de oorlogsveteraan, de gerespecteerde burger, had het er zo mogelijk nog moeilijker mee. Wat was er met zijn land aan de hand als zijn eigen zoon zich geen echte Ivoriaan meer kon voelen?

Het is in diezelfde periode dat zich de Algemene Muiterij voordoet, op een moment dat Ivoorkust economisch aan de grond zit. "President Felix Houphouet-Boigny (1960-1993) had de politie en de gendarmes altijd belangrijker gevonden dan het leger. Tegelijk wou hij in eigen land vermijden wat er in Burkina Faso was gebeurd: staatsgrepen door ontevreden topmilitairen. Daarom betaalde hij de hoge officieren royaal. De rest kreeg kruimels en werd van onder de knoet gehouden."

"De muiterij had met die derderangspositie te maken. Die werd onacceptabel, vooral nu militairen ingezet werden aan de grens met het in chaos verkerende Liberia en er sneuvelden. Daarnaast was er het probleem van de moeilijke toegang tot het leger. Van pakweg achthonderd dienstplichtigen werden er na twee jaar legerdienst nauwelijks twintig toegelaten als beroepsmilitairen. Mensen met connecties, behorend tot de goede etnie. Akan dus. Zij gingen het voordeel van een militaire carrière genieten: huisvesting, gratis openbaar vervoer voor de hele familie, bijna gratis gezondheidszorg en toegang tot goede scholen."

"Het is op dat moment dat de latere 'couppleger' generaal Gueï op het politieke toneel verschijnt. Hij slaagde erin om president Houphouet-Boigny uit te leggen wat er aan de hand was, met de dienstplichtigen toch. Er kwam een regeling: de muiters kregen amnestie, 3.200 dienstplichtigen werden in het leger opgenomen en de muiterij werd beëindigd. Dat bezorgde Gueï dubbele lof: van de president en van de muiters, die hem als een betrouwbaar en charismatisch figuur gingen beschouwen."

Een nieuwe muiterij, dit keer van de Revolutionaire Garde waartoe Ahmed K. behoorde, zou evenwel niet lang op zich laten wachten. De activiteiten van die elite-eenheid werden uitgebreid, maar een beter loon zat er niet in. En een brief naar Gueï haalde weinig uit. "De onmiddellijke aanleiding was het verzoek van een van mijn collega's om financiële bijstand wegens het overlijden van zijn ouders, een uitdrukkelijk in het reglement voorziene omstandigheid. Zijn superieuren weigerden. Een soortgelijk verzoek aan de Franse militairen die de Republikeinse Garde leidden, bracht evenwel aan het licht dat dergelijke fondsen wel degelijk werden uitgekeerd. Toen was duidelijk dat de op zich al vetgemeste, overbetaalde en onderpresterende topkaders ook die toelagen in hun eigen zakken stopten. Onze baas, kolonel Ekra, belegde een algemene vergadering, waarop we werden uitgefoeterd. Vervolgens hield hij er nog één, waarop alleen de Akan-militairen waren uitgenodigd. Dat ze goed moesten opletten, was de boodschap, aangezien de noorder- en westerlingen voor moeilijkheden zouden zorgen."

"Gelukkig heeft dat niet gewerkt: de solidariteit tussen collega's was groter dan het etnisch opgeklopte sentiment waar de kolonel op gokte. En aldus begon de muiterij. We omsingelden de residentie van de president, gijzelden diens drie zusters en dreigden de basiliek van Yamoussoukro op te blazen. Gueï bemiddelde andermaal, ik was een van de vier woordvoerders bij de president. Hij had begrip voor en trof maatregelen."

In datzelfde jaar stierf de stokoude Houphouet-Boigny en werd premier Alassane Ouattara, de ex-IMF-man die de economie moest redden en in wie gedoodverfde presidentiële opvolger Henry Konan-Bédié een rivaal herkende, aan de dijk gezet. Om de noorderling Ouattara echt politiek onschadelijk te maken, ontwikkelen Bédiés medestanders het concept van de 'ivoirité'. Alleen diegenen, zo gaat het, wier beide ouders in Ivoorkust zijn geboren, mogen zich echte Ivorianen noemen. Ouattara mag dan wel eerste minister zijn geweest, maar de onduidelijke, Burkinese achtergrond van zijn moeder maakt hem tot een non-burger.

"De invloed van dat concept wordt weldra ook binnen het leger voelbaar. De etnische zuiveringen vangen aan: alle militairen uit het noorden en westen van het land worden weggepromoveerd. Ze gelden als onbetrouwbaar en verdienen geen commando- of sleutelfuncties."

Ahmed K. is een van de twee enige noorderlingen die aan de zuiveringen ontsnapt. Hij wordt naar het militaire kabinet van de president gedetacheerd, waar hij binnen de militaire inlichtingencel terechtkomt. De vrijgekomen functies worden ondertussen opgevuld met vertrouwelingen van president Bédié. "Het zou nog geruime tijd duren voor we beseften dat niet alleen het leger maar het hele staatsapparaat werd gezuiverd. Ambtenaren, maar ook professoren, rechters. Al wie uit het noorden kwam, werd vissen gestuurd. En daar bleef het niet bij. Noorderlingen of zogenaamde 'immigranten' die hun identiteitspapieren moesten vernieuwen, bleken daar niet in te slagen. We kregen van de betrokken ambtenaren te horen dat het om instructies van hogerhand ging.

"Tegelijk was de atmosfeer erg slecht: je kon over die dingen niet openlijk praten, overal waren spionnen. Daarom hield ik me jarenlang afzijdig van elk 'controversieel' debat. Pas laat in 1998 begonnen we echt te overleggen om te zien wat we konden doen. De oppositie was gefnuikt en op de markten waren de prijzen dermate gestegen dat veel van mijn vrienden dachten dat er vanzelf wel een volksopstand zou ontstaan. Maar als je er met burgers over praatte, zeiden die: elk zijn werk, broeder, Bédié aanpakken is jullie taak, niet de onze."

'Toen kwam wat later bekend zou staan als de Kerstmiscoup (24 december 1999). Zo'n 200 Ivoriaanse militairen die in de Centraal-Afrikaanse Republiek hadden deelgenomen aan de VN-Minurca-vredesoperatie bleven onbetaald en ontketenden een muiterij. Ze omsingelden het presidentiële paleis, waar wij voor de veiligheid instonden. Ik stelde kolonel Konan Joseph voor met de muiters te gaan praten. Hij wilde dat ik met de leiders, Bopa Yapi en Ibrahim Koulibaly, ging onderhandelen. Toen ik ging informeren wat hun eisen waren, vroegen ze me of ik wist waarom de kolonel mij had gestuurd. Ze weten, vervolgden ze, dat je een noorderling bent, dat je niet bij hen hoort. Koulibaly wilde een onderhoud met president Bédié. Dat kwam er uiteindelijk. De eisen van de muiters waren duidelijk: uitbetaling van de lonen en vrijlating van alle noorderlingen die hun dagen om geen andere reden dan vermeend of echt RDR-lidmaatschap in militaire gevangenissen sleten. Op dat laatste punt was Bédié onwrikbaar. Hij dreigde met inzetting van troepen. Daarop zei de muiterijleider hem: 'Je bent geen staatshoofd meer'. Op dat moment heeft onze groep zich bij hem aangesloten. We namen het presidentieel paleis in, zetten Bédié af en vroegen generaal Gueï, die ons de geschiktste figuur leek, om de nieuwe president te worden.

"Zodra Gueï aan de macht was, creeërde hij een aantal speciale eenheden, commando's van 30 tot 40 mensen die de kern moesten vormen van de Nationale Raad voor de Redding van het Land. De generaal was een erg bang man: hij wilde een parallelle veiligheidsstructuur. Ik stond aan het hoofd van een van die eenheden, de Cosa Nostra, en moest inlichtingen inwinnen over de plannen van de afgezette president. Ondanks de internationale verontwaardiging over de coup, kwamen we met Franse en Amerikaanse hulp te weten dat Bédié een tegencoup plande. Daar staken we dus een stokje voor, alsook voor andere dergelijke pogingen. Die van Franse huurlingen, bijvoorbeeld. Dit alles leverde me veel krediet op bij Gueï, die nu tweewekelijkse rapporten wilde en me ook andere opdrachten gaf. Immers, het valt niet mee om als militair een land te runnen, wetende dat je op de zittende administratie niet kan rekenen. Dus zetten we cellen op van zogenaamde 'eerbare burgers'. Experts waren dat, die voor ons al die technische, bestuurlijke dossiers doornamen. Ze plozen uit hoeveel geld Bédié uit het Stabiliteitsfonds had gestolen bijvoorbeeld, en waar die centen naartoe waren.

"In juni 2000 gebeurde er evenwel iets vreemds. Duizend Akan-militairen ontketenden een muiterij in Daloa, de terugkeer van Bédié eisend. Gueï stuurde ons er met zijn zestigen naar toe. Dat we de muiters van het eerste uur waren, zei hij, en dat we hen moesten overreden. Zestig man tegen duizend, raar, niet? Toen snapten we dat Gueï zich van ons wou ontdoen. Daarna verslechterden onze contacten met Papa Romeo, zoals we hem noemden, erg snel. Tegelijk kregen we van zijn medewerkers de opdracht om journalisten te intimideren en om de leiders van alle politieke partijen onder druk te zetten.

"Toen ging het pas goed mis. Tijdens individuele ontmoetingen met de generaal kregen we te horen dat hij de presidentsverkiezingen die hij na de coup in het verschiet had gesteld, zelf wilde winnen. Wij, de commandohoofden, zeiden hem dat we tegen waren: dat was nooit de bedoeling van de staatsgreep. Alle politieke leiders moesten sereen kunnen deelnemen. Gueï belegde een tweede, collectief onderhoud, waarop we er zonder meer van werden beschuldigd handlangers te zijn van Ouattara. Van een man, zo stelde hij onomwonden, die niet zou mogen deelnemen aan de stembusgang aangezien hij geen echte Ivoriaan was. Vervolgens werden we op non-actief gesteld.

"Gueï was evenwel vergeten hoe rancuneus Bedié wel was. Die plande een nieuwe muiterij, op 4 en 5 juli 2000. Onmiddellijk werden we gesommeerd om die rebellie te bedwingen. Dat lukte, maar ik raakte gewond, een kogel in mijn been. In het ziekenhuis kreeg ik twee keer bezoek van Gueï, en tussendoor ook van Ouattara, zij het geheel toevallig. Toen Gueï daarachter kwam, was het hek echt van de dam.

"Ik werd bang, wilde weg. Op 1 september werd ik uit het ziekenhuis ontslagen. Hoewel ik zelfs slecht uit de voeten kon, werd ik diezelfde middag bij Gueï gesommeerd. Hij wist alles over me, zei hij, hij had een dossier waaruit bleek dat ik een coup voorbereidde. Die nacht werd ik aangehouden door de gendarmes, samen met zes anderen. We werden naar het kamp van Agban gebracht, waar ik een bloeding kreeg. Commandoleider Boka Yapi had voor zijn arrestatie gelukkig nog de pers kunnen waarschuwen, wat ons leven redde. Gueï wist dat hij zich als presidentskandidaat geen executies kon permitteren."

'Op 15 september werd ik vrijgelaten, maar ik merkte dat ik werd gevolgd. Twee dagen later werd de residentie van Gueï aangevallen, het huis lag in puin en zijn paard werd overhoop geknald. Op de televisie zei de generaal luttele tijd later dat zes militairen voor de aanslag verantwoordelijk waren. Ik kon onderduiken aan de kust, maar ze gijzelden mijn schoonmoeder en bemachtigden mijn mobilofoonnummer. Ik heb me toen overgegeven en werd naar 'la Poudrière' gebracht, waar al 26 militairen gevangen zaten. Ze waren er verschrikkelijk aan toe. Zeven mensen, vier militairen en drie lukraak opgepakte 'Burkinese' burgers, werden daar voor onze ogen levend verbrand. En mevrouw Gueï stuurde de beulen champagne en felicitaties omdat ze haar familie zulke goede diensten bewezen. Na tien dagen werd ik onder druk van de arts vrijgelaten. De anderen zaten er maanden vast."

Eind oktober werden de verkiezingen gehouden: Gueï verloor, maar eiste de overwinning op, de aanhangers van FPI-leider Laurent Gbagbo kwamen de straat op en uiteindelijk claimde hij de zege. "Wij maakten van die gelegenheid gebruik om onze kameraden uit la Poudrière te bevrijden, een actie waarbij commandant Remarque is omgekomen.

"Met het aantreden van president Gbagbo dachten we dat de problemen van de baan waren, maar in november 2000 werd ik door de minister van Defensie ontboden. Ik meende dat hij een onderzoek zou beloven naar de gebeurtenissen in la Poudrière. Maar nee. Dat Gueï hem een lijst had nagelaten, begon hij, die aantoont dat ik een gevaarlijk aanhanger van Ouattara's RDR ben. Vervolgens werd ik zijn kantoor uit gegooid.

"Toen wist ik dat er nooit een einde zou komen aan de moeilijkheden. Ik wilde een nieuw leven, als niet-militair, en werd - wonder boven wonder - gecontacteerd door de hoofdredacteur van het Franse blad Jeune Afrique, die me vroeg over la Poudrière te schrijven. Dat artikel sloeg in als een bom, en de man wilde me in Dakar ontmoeten. Tijdens mijn verblijf daar gaf de defensieminister opnieuw opdracht me te arresteren, als vermeend coupleider.

"Ik werd in Senegal als politiek vluchteling erkend en reisde vandaar naar Mauretanië, waar ik met een Amerikaanse mensenrechtenorganisatie in contact kwam, die me een bijkomende opleiding voorstelde in de mensenrechtenproblematiek. Na nog een verblijf van enige maanden in Senegal ben ik begin dit jaar naar België gekomen. Ik voelde me in Afrika niet langer veilig, vreesde te worden vermoord. Verder wilde ik hier de 150 Ivorianen bijstaan die in België onder de genocidewet klacht hadden ingediend wegens het bloedbad van Yopougon (oktober 2000), waarbij zestig burgers werden vermoord door gendarmes, louter omdat ze 'buitenlander' waren.

"Sindsdien heb ik hier geprobeerd een nieuw leven op te bouwen. Geen sinecure, neem dat van me aan. Overleven lukt wel: ik fungeer als tussenpersoon voor handelstransacties met Mauretanië en Senegal. Export van melkpoeder, bijvoorbeeld, en van Belgische auto's. Maar het verleden achtervolgt me, en sinds de huidige rebellie op 19 september begon, slaap ik niet meer. Ik leef de gebeurtenissen zonder er deel van uit te maken. Niets wil ik nog met legers, geweld of revoltes te maken hebben. Dat betekent niet dat ik niet achter hun eisen sta: opheldering voor alle terechtstellingen van noorderlingen, een onderzoek naar la Poudrière, terugkeer van alle militaire ballingen. En bovenal: een einde aan het bewind van president Gbagbo, die de politiek van ivoirité en uitsluiting van het hele noorden van het land alleen maar heeft voortgezet.

"Laat er overigens geen twijfel over bestaan: geweld en staatsgrepen kunnen de problemen van geen enkel land oplossen. Alleen hoort de internationale gemeenschap, en vooral dan het Westen, die lesgever in democratie, zich de vraag te stellen waarom ze in ontwikkelingslanden als Ivoorkust zo vaak voorkomen. Met andere woorden: ze moeten zich afvragen hoe het zover kan komen en of er, in een situatie waarin de oppositie volstrekt monddood is gemaakt, nog wel alternatieven zijn voor geweld."

de beulen champagne en felicitaties omdat ze haar familie zulke goede diensten bewezen'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234