Zondag 25/09/2022

Ze blijven geheimzinnig doen over onze goudvoorraad. En met reden

Donderdag meldde de Nationale Bank dat ze 30 ton goud heeft verkocht. De Belgische goudreserve, klonk het, 'is nu verminderd tot 228 ton'. 228 ton. Kunnen we die ergens bekijken? No way, zegt de bank. Adolf Hitler stal in 1941 al eens een derde van de Belgische goudvoorraad en dat zal de Nationale Bank geen tweede keer overkomen. Douglas De Coninck ging op zoek naar de Belgische goudvoorraad.

Tot vandaag circuleren in Brussel urban legends over de grootste schat van de natie. In de kelders van de Nationale Bank, wellicht, nabij de Sint-Michielskathedraal. Of in die van de vroegere Generale Bank. Is het niet opvallend hoe de metro ter hoogte van het Warandepark een bocht rond de bank maakt? Is het niet vreemd dat tijdens de metrowerken in de jaren zestig alleen daar en nergens anders werd gekozen voor een techniek waarbij geen straten werden opengebroken, maar een mechanische mol de tunnel groef buiten het zicht van alles en iedereen?

"Dat gebeurde omdat de grondsoort steviger was", zegt Leo Camerlinck, jarenlang woordvoerder en allesweter over het ondergrondse net bij de vervoersmaatschappij MIVB. "Eerlijk, ik heb geen herinnering aan een mededeling als: 'Daar mogen jullie niet boren want daar liggen de nationale goudreserves.' Waar die liggen, zo is mij altijd verteld, is een goed bewaard geheim."

"Het enige wat ik u kan zeggen", zegt woordvoerster Kristin Bosman van de Nationale Bank van België (NBB), "is dat die 228 ton goud niet in België ligt. De voorraad is verspreid over verschillende locaties, alle in het buitenland. Waar precies, kunnen we niet meedelen. Veiligheidsredenen."

Tot in 1940 was de Nationale Bank bij wet verplicht om permanent het equivalent van minstens een derde van de totale hoeveelheid Belgische franken ter beschikking te hebben in goud. Er waren maar zoveel franken in omloop als er goud in de kluizen lag. Net voor de oorlog was België het laatste land in Europa waar je een bank kon binnenstappen en roepen: "Ik wil al mijn geld nu ruilen voor goud!" Dus, zei de wet, moest dat goud in België blijven.

"Die wet heeft de zaken tijdens de oorlog erg gecompliceerd", zegt Walter Pluym, ambtenaar op rust bij de Nationale Bank en auteur van een van de eerder zeldzame publicaties over de trieste gebeurtenissen van toen. In 2000 schreef schreef hij een uitgebreid artikel getiteld 'De odyssee van het NBB-goud - De nazi's roven het goud van de Bank tijdens WO II'. Geen bandiet of terrorist die wijzer wordt van de wetenschap dat zestig jaar geleden met ons goud tot in de Westelijke Sahara is gesjouwd, maar toch verscheen het artikel in een publicatie die enkel voor NBB-personeel was bestemd.

Dat was ook zo met die publicatie van P. Kauch, gewezen hoofd van de studiedienst van de NBB. In zijn in 1956 in het personeelsblad verschenen 'Le vol d'or de la Banque Nationale par les nazis' staat: "Het ware verloop van de gebeurtenissen kan nog niet tot in detail worden beschreven. Bepaalde punten zullen ongetwijfeld later opgehelderd worden, dankzij documenten die nog niet toegankelijk zijn."

De goudvoorraad, zegt Walter Pluym, was vroeger dan ook in de meest letterlijke zin het kapitaal van de natie. "Het is normaal dat de Nationale Bank een traditie behield om zorgzaam om te gaan met die informatie."

Al halfweg de jaren dertig is de Belgische regering ongerust over de opkomst van het nazisme. Om de voorraad in geval van nood snel te kunnen evacueren, begint de NBB in 1933 alle goudstaven in kisten op te bergen. In 1938, wanneer de hele goudreserve, goed voor zo'n 700 ton, zich nog in België bevindt, wordt een programma van 'geografische verdeling van de goudreserves' uitgewerkt.

Walter Pluym: "Op 8 mei 1939 was dat programma voltooid. Een derde van het goud was met vliegtuigjes van Sabena naar Amerika en Canada overgevlogen, een ander derde vanuit Oostende met mailboten naar Londen gebracht, naar de kluizen van de Bank of England. Er ging ook een deel naar Zuid-Afrika. Dat goud zat veilig. Het probleem was dat resterende derde."

Oostendenaren bemerken halfweg de jaren dertig omvangrijke werkzaamheden in (en vooral onder) de lokale zetel van de Nationale Bank in de Kaaistraat. "Daar zijn reusachtige kelders gebouwd die eruitzagen als bunkers", weet erestadsbibliothecaris Omer Vilain nog. "Het duurde niet lang of iedereen begreep: er komt oorlog, want ze brengen al het Belgische goud naar hier."

Het moet een grote kluis zijn geweest. In totaal is 234,4 ton goud naar Oostende overgebracht. Hoe omslachtig dat in zijn werk gegaan moet zijn, is af te leiden uit een fotodocumentaire die wordt bewaard in de archieven van het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij. De foto's laten een transport in de haven van Antwerpen zien in 1935. Daar is een stoomboot vol Belgisch goud gearriveerd uit New York.

Uit de laadruimte worden 46 kisten met telkens tien tonnetjes van 75 kilo omhoog gehesen. Onder de keurende blikken van veel talrijkere ambtenaren en politieagenten laden mannetjes in stofjassen de tonnetjes in bestelwagens. Op een tweede reeks foto's, die dateren uit 1938, de periode van de exodus, is te zien hoe in de kelders van het oude gebouw van de NBB de tonnetjes worden geopend en een stroom goudkorrels te voorschijn komt. Een volgende reeks beelden toont hoe de mannetjes aan het eind lange rijen karretjes vol goudstaven voor zich uitduwen.

Walter Pluym: "Het goud werd in staven gesmolten omdat dat makkelijker te transporteren was. Tegen september 1939 bevond al het resterende goud zich in Oostende. Er lag nog een zeer beperkte hoeveelheid in Brussel, en op 11 en 12 mei 1940, meteen na de Duitse invasie, zijn onze mensen erin geslaagd om ook die in veiligheid te brengen."

Minister van Financiën Camille Gutt en gouverneur van de Nationale Bank Georges Janssen wachten niet tot 10 mei 1940. Bankiers zijnde, zijn zij zich bewust van Hitlers goudkoorts. In de kelders van de Reichsbank in Berlijn ligt in 1937 amper 25 ton goud. Honderd keer minder dan in Parijs, dertig keer minder dan in Brussel. In Brussel valt te vrezen dat de Duitsers niet zijn vergeten hoe door het Verdrag van Versailles, na de Eerste Wereldoorlog, de Oostkantons bij België zijn gevoegd. In die jaren werd - ten onrechte, bleek later - gedacht dat daar volop goud in de grond zat.

Op 9 november 1939, twee maanden nadat Hitler Polen binnen is gevallen en zowel Groot-Brittannië als Frankrijk Duitsland de oorlog hebben verklaard, besluiten Gutt en Janssen dat - wet of geen wet - alvast 120 ton goud het land uit moet. Met twee zwaar bewaakte vrachttreinen gaat het van Oostende, over Bergen en Parijs, naar Bordeaux en Libourne. In beide steden wordt het Belgische goud opgeborgen in kluizen van de Banque de France (BdF). Begin 1940 zullen nog transporten volgen. In ruil voor de goede zorgen staat België 46 ton goud af aan de Fransen. Wat uiteindelijk in de kluizen van Bordeaux en Libourne terechtkomt is 198,4 ton goud, verpakt in 4.944 kisten van 40 kilo.

Walter Pluym: "De regering had het goud het liefst via Frankrijk naar Londen of, beter nog, Amerika willen transporteren, maar werd gepakt in snelheid. U moet zich dat ook proberen voor te stellen: twee volle treinen, alleen al om die 120 ton tot in Bordeaux en Libourne te krijgen. Dat waren immense vrachten. De oorlogssituatie veranderde van dag tot dag. Het bleek niet meer mogelijk om een dergelijk transport over zee georganiseerd, laat staan verzekerd, te krijgen. Dus dienden wij te vertrouwen op de Fransen."

Een misrekening, zo zou blijken.

Voor ze de regering achterna vlucht richting Londen, vergadert het directiecomité van de Nationale Bank op 17 mei 1940 nog een laatste keer in Oostende. De bankiers kunnen niet meer dan hopen dat het de Fransen zal lukken om het goud van het oude continent weg te krijgen. Op 7 juni worden in Angoulême 31 treinwagons vol Belgisch goud gekoppeld aan vijf wagons gevuld met goud dat een jaar eerder is geëvacueerd uit de kluizen van de Poolse Nationale Bank en volgens dezelfde logica naar Frankrijk is overgebracht. De goudtrein rijdt naar de Bretonse havenstad Lorient, waar de lading wordt bewaakt door de Franse marine. De operatie is zo geheim dat zelfs hoge omes bij de Nationale Bank op zeker moment niet meer weten waar hun goud zit.

Op 17 en 18 juni 1940 vinden in Bordeaux nog besprekingen plaats tussen gouverneur Janssen en zijn Franse collega Fournier. Frankrijk wordt nu ook onder de voet gelopen en wil een ultieme poging wagen om zijn eigen, nog veel grotere goudvoorraden naar New York te verschepen. In een moeite kan het Belgisch-Poolse goud mee. Maar het is te laat. De Duitse troepen naderen snel en in de ochtend van 17 juni geeft een admiraal van de Franse marine zijn matrozen opdracht om de 4.944 Belgische en 1.208 Poolse kisten aan boord te brengen van de bananenboot Victor Schoelcher.

Op 18 juni gooit die gelijktijdig met drie met (Frans) goud beladen hulpkruisers de trossen los en zet koers richting Casablanca. In de Noord-Afrikaanse havenstad aangekomen komt het bericht dat de Duitsers in Frankrijk toch alweer sneller zijn gevorderd dan verwacht. De marine krijgt nieuwe orders: het goud moet naar Dakar.

Dakar wordt in die warrige dagen belegerd door de Britten, maar Franse troepen weren zich manhaftig en weten de schat over te brengen naar een militair kamp in Thiès, landinwaarts. Uiteindelijk trekken Fransen met hun goud naar Kayès, een stad 800 kilometer diep in de Sahara. Daar wordt het Belgisch-Poolse goud, samen met het Franse, opgeborgen in de vroegere ambtswoning van de Franse gouverneur van Senegal, die tot een versterkt fort is verbouwd.

West-Afrika ligt dan wel ver buiten bereik van de nazi's, in Frankrijk is het collaborerende Vichy-regime aan het bewind gekomen. In ruil voor wat Duitse toegevingen (vrijlating van Franse krijgsgevangenen) valt wel iets te regelen. In november 1940 wordt een eerste lading van 93 kisten Belgisch goud met vliegtuigen van Air France via Algiers naar Marseille overgevlogen. Tegen oktober 1941 ligt al het Belgische goud in de kluizen van de Reichsbank in Berlijn. In naam van de NBB spannen twee in New York wonende Belgen een proces aan tegen de Banque de France. Ze krijgen de sheriff van New York zover dat die op 25 april 1941 beslag gaat leggen op alle activa van de BdF in de Verenigde Staten, maar dat neemt niet weg dat België een derde van zijn goud kwijt is.

Het is april 1945 als Amerikaanse troepen in een zoutmijn vlak bij het Thüringse stadje Merkers de schatkamer van de nazi's ontdekken: 2.007 containers vol goud en andere kostbaarheden. In de zoutmijn wordt een deel van het Belgische goud teruggevonden en, zowaar, de hele administratie van de Reichsbank. "Aan de hand van die documenten konden de Amerikanen de lotgevallen van negentig procent van het geroofde Belgische goud vaststellen", zegt Pluym. "De Duitsers hebben het gebruikt om aan harde, vooral Zwitserse valuta te geraken en kochten er grondstoffen mee voor de wapenindustrie."

2.776 kilo gestolen Belgisch goud blijkt te zijn omgesmolten in Pruisische Staatsmünze, waar valselijk de jaartallen 1936 en 1937 in zijn gestempeld. Na de oorlog raken de meeste van die munten zoek.

In zijn in 1979 verschenen boek Operation Fish somt de Britse auteur Alfred Draper de heldendaden op van soldaten en burgers in diverse landen die bij het uitbreken van de oorlog hun levens op het spel zetten om koninklijke families, kroonjuwelen en goudvoorraden net op tijd het land uit te krijgen. Eén land komt niet aan bod. "België was met Nederland het land waaruit de Duitsers het meeste goud wegsleepten", zegt Walter Pluym. "En ja, dat is een les geweest voor de toekomst. De Nationale Bank is bewust een politiek blijven voeren om ons goud zoveel mogelijk in het buitenland onder te brengen."

Via een royale naoorlogse schadevergoeding van de BdF en de Tripartite Commission for the Restitution of Monetary Gold zal België het geroofde goud uiteindelijk tot de laatste gram recupereren, maar nog tot in 1998 blijft de commissie door de nazi's geroofde goudklompen ontdekken en speuren naar de eigenaars. In 1996 duiken in Londen nog twee staven Belgisch goud op, samen goed voor 23 kilo. Het zijn staven die in 1939 aan een kleine wereldreis zijn begonnen in Oostende, tot diep in de Sahara zijn verstopt en na de oorlog in een Oost-Duitse bankkluis terecht zijn gekomen.

Na de oorlog blijft de Belgische staat driftig goud oppotten. De reserve loopt eind jaren tachtig op tot een recordhoeveelheid van 1.185 ton. Volgens het jaarverslag van de NBB van 1988 wordt op dat ogenblik niet meer dan 656 kilo goud bewaard in eigen land. Een symbolische hoeveelheid waarover woordvoerster Kristin Bosman net nog kwijt wil dat die opgeslagen lag in de kluizen van de NBB in Brussel en van het bijkantoor aan de Leopoldplaats in Antwerpen. "Maar dat is toch alweer enkele tientallen jaren geleden en het betrof eerder een symbolische hoeveelheid."

Onze nationale goudvoorraad is al jaren zijn feitelijke bestaansreden kwijt. Het is een appeltje voor de dorst, handig om de begroting af en toe een handje te helpen en de federale schuldenberg af te bouwen. "In 1971 koppelde de Amerikaanse president Nixon de dollar los van zijn goudvoorraad", legt Pluym uit. "Wat later volgde een wijziging van de statuten van het Internationaal Monetair Fonds en overal in de wereld kreeg je vlottende munten, met wisselkoersen ten opzichte van elkaar en niet opzichte van de prijs van het goud. In België is die hele operatie in 1988 beëindigd."

Sindsdien treffen we om de zoveel tijd van die merkwaardige berichten aan in de krant: 'Nationale Bank verkoopt goud'. De kopers zijn altijd buitenlandse - al of niet centrale - banken. Een eerste 127 ton goud wordt van de hand gedaan in maart 1989. Daarna volgen verkopen van 202 ton in juni 1992, 175 ton in april 1995, 203 ton in maart 1996 en 299 ton in maart 1998. Er schoot nog 258 ton goud over en sinds deze week blijkt die berg geslonken tot 228 ton. Ongeveer dezelfde hoeveelheid als die waar eind jaren dertig twee vrachttreinen voor nodig waren.

Maar waar ligt al dat goud? 119,1 ton werd begin jaren negentig ondergebracht bij het Europees Monetair Instituut in Frankfurt, ter voorbereiding van de Europese centrale bank. Volgens niet bevestigd te krijgen berichten ligt het grootste deel van de overige 109 ton vandaag nog steeds in de kelders van de Federal Reserve Bank in New York, waarover de NBB sinds 1939 nooit klachten had. Ook bij de Bank of England zou nog wat liggen. Over een ander deel vallen wel eens de naam van de semi-militaire basis van Fort Knox, Kentucky, of een bank in het Zwitserse Bern.

"Ik ga ook niet telkens met ja of nee antwoorden", grijnst Kristin Bosman (NBB). "Het is beter voor iedereen als niet geweten is waar ons goud ligt. Maar wees gerust, het is in veilige handen."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234