Dinsdag 09/08/2022

'Zelfhaat of boosheid helpt niemand'

Reporter Peter Wilson bracht in 2003 voor een aantal Australische kranten verslag uit van de Irakoorlog. In Bagdad raakte hij van dichtbij betrokken bij het lot van 'kleine Ali'.

Ali Ismail Abbas heeft meer redenen dan andere mensen om kwaad te zijn en aan zelfbeklag te doen. Op de avond van 30 maart 2003, toen de door de VS geleide invasie van Irak net een week bezig was, verloor hij zijn ouders, zijn broer en beide armen toen een Amerikaans projectiel insloeg op de kleine boerderij van het gezin net buiten Bagdad.

Ali was amper twaalf jaar oud.

Toen westerse reporters op hem stootten, had hij zware brandwonden en zat hij vast in een smerig ziekenhuis, belegerd door plunderaars. 'Kleine Ali' werd het bekendste symbool van de burgerslachtoffers die de oorlog maakte.

De jongen werd naar Koeweit overgebracht, waar hij een paar maanden chirurgie onderging. Daarna volgden jaren van pijnlijke operaties in Londen, waar hij nog altijd leeft, in een rustige buurt nabij Richmond Park.

Al elf jaar worstelt Ali met de dagelijkse frustraties van zijn handicap. Ontelbare uren maakte hij zich zorgen over de aanvallen op zijn sjiitische familie in Bagdad, waar sektarisch bloedvergieten tientallen vrienden en familieleden de dood in joeg.

Eenvoudige boeren

Toch staat Ali niet toe dat zijn verdriet omslaat in melancholie of wraakgevoelens jegens de Amerikanen of de soennitische Irakezen. "Zelfhaat of boosheid zouden mezelf of andere mensen echt niet helpen", zegt hij tijdens een wandeling in Richmond Park.

Hij probeert elke dag een lange wandeling te maken, om fit te blijven en even weg te zijn uit het kleine huis waar hij al een decennium woont. Hij deelt zijn huis met drie landgenoten, onder wie een neef die hem al die jaren verzorgd heeft.

"Ik probeer niet te veel te denken aan wat er gebeurd is en aan mijn eigen situatie. Maar ik herinner me alles heel helder. Soms denk je wel eens: 'Waarom moest mij dat overkomen? Het is zo oneerlijk.'"

"De Amerikanen hadden moeten weten dat we eenvoudige boeren waren, die in een gewoon huis woonden, met buiten schapen en koeien, ver weg van de militaire bases. Maar wat kun je eraan doen? Soms word ik boos, maar tegelijk moet ik voort met het leven.

"De invasie was fout en opende de deur voor al het geweld dat we nu zien in Irak, maar ik haat de Amerikanen niet. Ik haat wat ze gedaan hebben, maar ik haat het Amerikaanse volk niet. Je vindt overal slechte en goede mensen."

Hij laat een pauze vallen, en zegt dan met een schuldig lachje: "Nu... George Bush, die haat ik. Maar niet het Amerikaanse volk."

Weerstand bieden

Tal van politieke groeperingen in Irak en elders hebben geprobeerd hem voor hun kar te spannen voor campagnes tegen de Amerikaanse inmenging in Irak, of hem te betrekken bij de sektarische schermutselingen tussen sjiieten en soennieten, maar Ali heeft al die jaren stug weerstand geboden.

De Verenigde Staten kunnen geen positieve rol spelen in de regio, vindt hij. De toekomst van Irak als een natie moet stoelen op eendracht en gelijkheid tussen alle sekten en etnische groepen. Hij voelt weinig voor een heerschappij van zijn eigen sjiitische gemeenschap over de soennitische minderheid, die het voor het zeggen had in de jaren van Saddam Hoessein.

Ali bidt vijf keer per dag en zegt dat zijn sjiitische geloof hem helpt om zijn frustraties te bedwingen en bitterheid tegen te gaan. "Ik praat met God over zowat alles, en dat helpt. Ik zeg niet dat ik alles vergeet, want ik wil me mijn ouders en alles over hen blijven herinneren. Maar soms wil ik dat de herinneringen niet zo gedetailleerd zijn."

Reconstructie van een noodlottige lente

De hitte van de Iraakse lente nam snel af die laatste zondagavond van maart 2003, toen het gezin-Abbas gehaast hun auto leeghaalde in het dorp Zafaraniya aan de zuidelijke rand van Bagdad.

Ismail Abbas, een 50-jarige chauffeur en deeltijds boer, had zijn gezin naar de oude hoofdstad van Babylon gebracht om te ontkomen aan de Amerikaanse luchtaanvallen op Bagdad, maar na een paar dodelijke aanvallen van de westerse coalitie had hij beslist dat ze veiliger waren in hun eigen huis.

Terwijl hij en zijn twee vrouwen Layla abd Hamza en Azhar Ali het beddengoed en de kleren uit de auto haalden, renden de kinderen naar hun vrienden om over hun reis te vertellen. Hun huis lag genesteld tussen een tiental palmbomen aan de rand van een brede strook korenvelden, in een gehucht van tien woningen van betonblokken waarin vooral neven en verre familie woonden. De uitgebreide familie leefde al een paar generaties lang in de streek. Abbas had 20 jaar in het huis gewoond. Er waren twee slaapkamers, een kleine keuken en een badkamer.

De kleine kinderen waren opgewonden omdat ze hun speelkameraadjes terugzagen, maar toen de avond viel, werden ze binnen geroepen voor het avondeten. Om negen uur lag iedereen in bed.

Abbas sliep in een kamer met zijn jongere vrouw Azhar, die zeven maanden zwanger was, en hun twee zonen Ali (12) en Abbas (10). Hij was met Azhar, die 22 jaar jonger was, getrouwd nadat zijn eerste vrouw hem vier dochters had gegeven. Azhar beviel al snel van Ali, waardoor er eindelijk een man was om de jongere generatie te leiden.

Het hele gezin bleef onder hetzelfde dak wonen, wat de plaatselijke gewoonte is. Een jaar later kreeg Layla haar eigen zoon, Hamza, en daarna nog twee dochters. De jongste van hen, Maha, was 3 jaar toen de door Amerika geleide 'Shock and Awe'-bommencampagne begon.

Die nacht sliep Layla in de grote kamer, samen met zes van haar zeven kinderen. De achttienjarige Asma'a was al getrouwd en woonde in bij het gezin van haar man. Het was een koude nacht en dus dekte het gezin zich toe met zware acryldekens.

Brandend puin

Net voor middernacht viel een Amerikaanse bom op het gehucht. Acht huizen werden vernield, een brandende hoop puin belandde op de woning van Ismail Abbas. In de keuken ontplofte een gasfles toen de kleinste kamer in brand vloog. De dekens van Ismail, Layla en haar kinderen vatten vuur.

De andere kamer vloog niet in brand, een dakbalk hield het plafond grotendeels tegen op 45 centimeter afstand van de vloer, waardoor Layla en haar kinderen gespaard bleven.

Hana'a, 15, vertelde me enkele maanden later dat ze wakker werd en vastzat onder betonstenen en houten balken. Samen met haar zussen riep ze om hulp terwijl vlammen van 3 meter hoog wat overbleef van de andere kamer in bezit namen.

Terwijl buren de meisjes onder het puin vandaan begonnen te trekken, hoorde een potige boer, Karim Jassim Ahmed, de jonge Ali roepen: "Ik ben hier, ik ben hier." Zijn ouders en broer waren al dood, hun lichamen vreselijk verbrand. Ali huilde het uit van de pijn. Het enige deel van zijn lichaam dat ogenschijnlijk niet verbrand was, was zijn gezicht, dat niet bedekt was geweest door de deken.

Ahmed vertelde me later dat toen hij Ali bevrijdde, de rechterhand van de jongen "er voor mijn gezicht afviel".

Ali zegt dat hij zich die nacht heel duidelijk herinnert. "Ik werd wakker door een enorm geluid en voelde het huis instorten, met overal vuur. Ik hoorde ons gezin schreeuwen, mijn mama en papa. Mijn armen brandden, mijn lichaam brandde. Ik herinner me niet precies hoe lang ik in de brand zat. Mijn buurman haalde me vanonder het puin. Hij vertelde me later dat ik hem geroepen had, maar dat weet ik niet meer. Ik herinner me alleen de pijn."

Ahmed droeg Ali naar de straat en legde hem op de achterbank van de Toyota Corona van een buur. Die reed ijlings naar een van de grootste ziekenhuizen van Bagdad, Al-Kindi. De artsen daar waren zwaar aangedaan door zijn toestand en amputeerden snel wat nog overbleef van zijn armen.

Een reporter van Reuters zag hem toevallig in het ziekenhuis, en verhalen over de 'kleine Ali' gingen de wereld rond.

In Bagdad heerste ondertussen chaos. Het ziekenhuis werd belaagd door plunderaars. Na acht dagen werd Ali overgebracht naar een beveiligd ziekenhuis in Saddam City, een enorme sjiitische voorstad van Bagdad die snel de nieuwe naam Sadr City kreeg, naar een beroemde geestelijke.

Ik bracht verslag uit over de val van Bagdad voor een aantal Australische kranten en bezocht het ziekenhuis op 12 april met fotograaf John Feder en vertaler Stewart Innes. Ik wist dat Ali zich in het ziekenhuis bevond, maar op dat moment had hij al zo veel aandacht gekregen en beloften van buitenlandse hulp dat ik vond dat hij het enige slachtoffer van het conflict was dat geen nood had aan extra belangstelling.

Ik was veel meer geïnteresseerd in het feit dat lokale geestelijken hun eigen militie hadden gevormd om het ziekenhuis te beschermen tegen plunderaars, een belangrijke eerste stap in de bewapening en de organisatie van de sjiitische meerderheid in Bagdad.

Een arts drong erop aan dat we ons lieten rondleiden in het ziekenhuis en sommige patiënten zouden ontmoeten, onder wie Ali. De 32-jarige verpleegster van Ali, Fatim Mohsin Sharhan, was er zeker van dat hij zou sterven als hij niet naar een hygiënischer omgeving werd gebracht. "Op dit moment is hij stabiel, maar het ziekenhuis is niet steriel genoeg. Hij zal snel sterven aan bloedvergiftiging", zei Sharhan. "We zouden graag zien dat hij overgebracht wordt naar een speciale instelling in het buitenland om nog een kans te maken. Hier kunnen we hem elk ogenblik verliezen."

Om te verhinderen dat de tweede- en derdegraadsbrandwonden die 35 procent van zijn lichaam bedekten besmet zouden raken, hadden ze hem in een eenpersoonskamer gelegd, die allesbehalve proper was, laat staan steriel. Er mochten slechts twee mensen tegelijk in de kamer. Ze moesten een schort en witte rubberlaarzen dragen. Het leek logisch dat John binnen zou gaan om foto's te nemen en Stewart om vragen in het Arabisch te stellen. Terwijl ze zich aan het omkleden waren, zwaaide de deur open en keek ik recht op Ali, die mijn blik vasthield op een afstand van pakweg 8 meter.

Hij lag op zijn rug. Zijn hoofd en schouders staken uit boven iets wat leek op een kleine tent, maar wat eigenlijk een metalen geraamte was dat de deken van zijn lichaam weghield. Zijn gezicht was ongeschonden, zelfs mooi, maar zijn romp was een zwarte troep van verbrand vlees. Het oogcontact had me verrast en instinctief glimlachte ik, knikte hallo, wuifde even met mijn rechterhand.

Hij reageerde even instinctief, knikte terug en tilde de ingebonden stomp van zijn rechterarm op, die amper een paar centimeter lang was. Opnieuw geconfronteerd met zijn handicap wendde hij zijn blik naar het plafond. Ik voelde me als een idioot die de hand wilde schudden van iemand zonder armen.

John en Stewart verlieten zijn kamer met tranen in de ogen. Toen Stewart hem vragen stelde over zijn wonden, wilde Ali alleen praten over het verlies van zijn ouders en zijn broer. John liet me op het kleine schermpje van zijn toestel close-ups van Ali en zijn grote donkere ogen zien. Ik weende toen ik door de duistere gangen van het ziekenhuis liep.

Evacuatie

Toen we buitenkwamen op de zonovergoten koer van het ziekenhuis concentreerden we ons op de rit door een almaar meer ontregeld Bagdad om voor de avondklok in het hotel te geraken. We dachten dat we Ali nooit meer zouden terugzien.

De volgende dag ging mijn verslag vooral over de sjiitische militie, maar er stond ook een foto van Ali bij. Een rijke krantenlezer uit Perth was zo aangedaan door de foto van Feder dat hij contact opnam met de krant en geld aanbood om Ali te helpen. Ik stemde ermee in terug naar het ziekenhuis te gaan om uit te vissen hoe ik kon helpen, ook al was ik er zeker van dat de evacuatie van Ali inmiddels al geregeld was.

De lezer zou later zijn aanbod intrekken, maar zijn oproep zorgde er wel voor dat wij van nabij betrokken werden bij het lot van Ali. We waren geschokt toen we in het ziekenhuis vernamen dat niets in huis was gekomen van de vele aanbiedingen uit het buitenland. De artsen van Ali waren boos omdat hij nu zeker zou sterven in het ziekenhuis.

De directeur van het ziekenhuis, dokter Mowafak Gorea, zei dat het Amerikaanse leger geweigerd had Ali over te brengen naar een van hun hospitaalschepen, en dat hij een lange rit met de ambulance naar het buitenland nooit zou overleven. Toen ik suggereerde hem over te vliegen naar een steengoed ziekenhuis in Koeweit, stelde dr. Gorea dat dat onmogelijk was aangezien dat samenwerking vergde tussen de regering van Koeweit en een Amerikaanse militaire helikopter, en dat hij zelfs geen telefoon had, laat staan de nodige contacten.

Wij daarentegen hadden een satelliettelefoon en kogelvrije vesten om in de stad rond te rijden, en onze vertaler Stewart had contacten in Koeweit, waar hij voor de oorlog gewerkt had. Ali uit Bagdad krijgen werd zowat een missie.

Na stevige tegenwerking was de Amerikaanse luchtmachtofficier Ed Martin op 14 april bereid een helikopter te leveren als wij een ziekenhuis vonden in Koeweit en een familielid van Ali om hem te vergezellen, en de goedkeuring hadden van de sceptische geestelijken en de artsen in het ziekenhuis van Sadr City.

De volgende ochtend kwam commandant Kevin Moore, hoofdchirurg van de 1st US Marine Division, naar onze hotelkamer, waar we hem telefonisch in contact brachten met dr. Abdul Ridas Abbas van het ministerie van Gezondheid in Koeweit. Moore was gerustgesteld dat Koeweit Ali zou aanvaarden en behandelen, en gaf het bevel tot evacuatie met een militaire helikopter.

Toen het Amerikaanse leger benadrukte dat hij niet kon reizen zonder een oppas, stelde de familie een tante voor, maar de conservatieve geestelijken in het ziekenhuis verboden dat, vanuit de idee dat Irakezen hun vrouwen nooit 'exporteren' naar Koeweit. Een mannelijk familielid, Mohammed abd Hamzah al Sultani, een 37-jarige schrijnwerker, stelde zich kandidaat om zijn vrouw en vijf kinderen over te laten aan de hoede van familie en met Ali mee te reizen.

Om 17.30 uur arriveerde een Amerikaans militair ambulanceteam in het ziekenhuis om Ali op te halen. Het ergerde hen zichtbaar dat ze omringd waren door de gewapende sjiitische militie van het ziekenhuis. Het duurde meer dan een uur om Ali over te brengen naar de ziekenwagen. Ondertussen dromden zowat 200 mensen samen om zijn vertrek te vieren.

Toen het konvooi uiteindelijk naar de legerbasis racete, glimlachte Ali breed toen hij de wachtende Black Hawkhelikopter in het oog kreeg, de opwinding van een 12-jarige jongen die nooit eerder gevlogen had. "Ik wilde uit het venster kijken", herinnert hij zich lachend. "Ik zei: 'Schuif mijn draagberrie wat dichter tegen het raam, ik wil het vanuit de lucht bekijken.'"

Opnieuw hopen

Vier weken na zijn reis naar Koeweit kon Ali voor het eerst weer lopen. Therapeuten concentreerden zich op zijn huidtransplantaties, om scheuren en littekens te voorkomen. Anderen leerden hem dingen met zijn voeten te doen: schilderen, een vork vasthouden, zelfs een camera bedienen.

Uit Italië, Japan, Spanje en Canada kwamen aanbiedingen voor hulp, maar Ali's artsen en oppas besloten de steun te aanvaarden van de Britse Limbless Association, die een mediacampagne had gelanceerd om de nodige fondsen te werven.

Na vier maanden in Koeweit vlogen Ali en Hamzah naar Londen. De jongen kreeg gratis onderwijs in Hall School, een privéschool dicht bij huis. Ali moest meer dan een jaar een ongemakkelijk drukpak dragen om littekenvorming tegen te gaan. De Limbless Association bezorgde hem prothesen, maar hij vond die te onhandig en oncomfortabel, en koos ervoor zo vaak mogelijk zijn voeten te gebruiken.

Elk jaar keerde hij terug naar Bagdad om familie te bezoeken, maar in 2007-2008 ging zijn laatste jaar middelbaar verloren toen hij bijna een jaar in Irak verbleef om te wachten op een Brits visum voor Mohammed Ali Sultani, een neef die Hamzah had afgelost als oppas.

In 2010 werd Ali Ismail Abbas Brits staatsburger. De financiële steun van de Limbless Association is al een paar jaar stopgezet, en dus leven Ali en zijn oppas van een uitkering. "Sommige mensen denken dat ik een miljonair ben en vragen hoeveel geld ik van de Amerikanen kreeg als compensatie, maar ik heb niets gekregen. Ik vind ondertussen wel dat ik recht heb op compensatie, maar weet niet hoe ik die moet aanvragen. Als ik wat geld had, zou ik een auto willen aanpassen zodat ik kan leren rijden."

Ali is een zelfverzekerde jongeman met een zachte stem. Hij heeft een vrouw in Bagdad, dankzij een traditioneel huwelijk, gearrangeerd door zijn familie. Hij zegt dat hij haar graag zou overbrengen naar Londen, "hoewel dat heel moeilijk en duur is".

Als jonge tiener vertelde Ali me dat hij graag vertaler zou worden, maar nu denkt hij dat hij een carrière moet uitbouwen in liefdadigheidswerk om andere geamputeerden en oorlogsslachtoffers te helpen. "Ik zou graag mensen helpen die in dezelfde positie verkeren als ik."

Zijn grootste frustratie, zegt hij, "is wat momenteel aan het gebeuren is in Irak. Het is verschrikkelijk om zien." Elke dag belt hij bezorgd met familie in Bagdad en volgt hij urenlang het Iraakse satellietnieuws met verslagen over de extremistische soennitische groepering IS en haar moorddadige pogingen om een islamitische staat te stichten in Irak en Syrië.

"Een jaar geleden ging het de goede kant uit in Irak. Nu is het zo veel slechter geworden dat ik opnieuw de hele tijd zit te piekeren over mijn familie. Ik sprak onlangs met mijn kleine neef - hij is 5 jaar - en hij zei dat die terroristen 'ons allemaal gaan vermoorden'. Toen zei hij: 'Maar zelfs als ze me vermoorden, zal ik naar de hemel gaan.' Echt, zelfs de kleine kinderen denken aan sterven.

"Het belangrijkste nu is dat de soennieten en de sjiieten en zelfs de christenen in Irak allemaal bij het leger gaan om het land te verdedigen. Dat geeft me hoop."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234