Woensdag 26/01/2022

InterviewZoë Demoustier

Zoë, dochter van cameraman Daniël Demoustier: ‘Ik zocht naar een manier om mijn vader te begrijpen’

Daniël en Zoë Demoustier Beeld Bob Van Mol
Daniël en Zoë DemoustierBeeld Bob Van Mol

Op haar zevende vond ze haar taal: Zoë Demoustier zou dansen, gulzig dansen. Twee decennia later is ze choreograaf, docent, en vooral: danser. Voor Unfolding an Archive – de eerste voorstelling die helemaal van háár is, zegt ze – ging ze wroeten in het archief van haar vader Daniël, die als cameraman 25 jaar lang van burgeroorlog naar wereldbrand holde.

Jeroen Maris

Zoë Demoustier: “Ik ben gefascineerd door het lichaam als archief – hoe er in onze lijven gebeurtenissen en emoties opgeslagen zitten. Als danser kan ik daaruit putten, en in Unfolding an Archive kom ik daarbij heel dicht bij mezelf. De voorstelling is dus gebaseerd op het archief van mijn vader, en dat is ook het archief van mijn kindertijd: ons gezin leefde op het ritme van de grote gebeurtenissen in de wereld. Zodra er ergens iets gebeurde, vertrok papa – en werd de dynamiek in ons gezin anders. En wanneer hij terugkwam, bracht hij ook de beelden en geluiden van die wereldactualiteit ons huis binnen. Dat heeft een grote indruk nagelaten. Het is niets traumatisch, hoor. Maar al die dingen waren wel heel bepalend voor mij. Die zitten in mijn lijf.

“In Unfolding an Archive onderzoek ik wat nieuws is, hoe journalistiek werkt, hoe je met beelden de werkelijkheid in een bepaald frame onderbrengt. Maar er is ook een tweede, veel persoonlijker spoor: wat heeft die bijzondere baan van mijn vader met mij gedaan? Het heeft lang geduurd voor ik ook dát in de voorstelling durfde te stoppen. Op een bepaald moment besefte ik dat ik die vraag niet kon ontlopen. En dat die schijnbaar heel persoonlijke onderwerpen – hoe ons gezin functioneerde, de vader-dochterrelatie, de vraag hoe aanwezig een ouder moet zijn – net heel universeel zijn: iedereen krijgt ermee te maken.”

Unfolding an Archive begint met een opgenomen telefoongesprek tussen jou en je vader.

“Hij wist niet dat ik dat gesprek had opgenomen. Dat heb ik hem, euh, vrij kort voor de eerste voorstelling verteld. (lacht) Ik geloof dat het een goeie opener is: de kijker voelt meteen de timide kwetsbaarheid in dat gesprek tussen vader en dochter.

“Ik belde papa terwijl hij op weg was naar de luchthaven, naar alweer een nieuwe opdracht in het buitenland, en vroeg hem of hij nog weet hoe het komt dat de oorlog in Kosovo, eind vorige eeuw, één van mijn vroegste herinneringen is. En we probeerden om de tijdlijn verder te reconstrueren: al die conflicten waar hij naartoe was gevlogen, en wat er ondertussen thuis gebeurde.

“In dat gesprek voel je heel duidelijk mijn nieuwsgierigheid naar de job van mijn vader. Ik heb zelf voor een ander medium gekozen – ik draag geen camera op mijn schouder – maar de basis is wel hetzelfde. Nieuwsgierigheid: het verlangen om de wereld te leren kennen, en de mensen die er rondlopen te ontmoeten. Ik doe iets fundamenteel anders dan papa, en toch zet ik zijn werk voort.”

Zou jij een oorlogsjournalist kunnen zijn?

“Dat betwijfel ik. Ik zou worstelen met de afstand tussen de camera en de mensen die ik zou filmen. Letterlijk, maar vooral figuurlijk: als je verslag doet van een oorlog, moet je onthecht zijn van de pijn die je filmt. Je moet jezelf pantseren. Ik denk niet dat ik dat kan.

“Om een goeie cameraman in oorlogsgebied te kunnen zijn, heeft papa een muurtje moeten bouwen. Onvermijdelijk zit dat muurtje ook in onze relatie: hij zal me nooit vertellen wat al die wreedheid en ellende met hém gedaan hebben. (peinzend) Ik zou graag ooit naar alle plekken reizen waar mijn vader gefilmd heeft. Die mensen opzoeken, en samen met hen iets maken.”

Probeer je in je voorstelling het muurtje te slechten, of bezondig ik me nu aan beschonken amateurpsychologie?

“Tijdens mijn research heb ik alle beelden uit het archief van papa doorgenomen: ik keek letterlijk door zijn ogen. En de voorstelling is natuurlijk een reconstructie van belangrijke wereldgebeurtenissen uit de afgelopen 25 jaar, maar ook van de reis die hij afgelegd heeft. Dus ja, het zou flauw zijn om niet te erkennen dat Unfolding an Archive mijn zoektocht naar hem is. Het project is trouwens beginnen te kiemen toen mijn vader kanker had, en ik naar een manier zocht om hem beter te begrijpen.”

De voorstelling gaat over aanwezigheid – en dus ook over de periodieke afwezigheid van je vader. Voelde je als kind al gemis? Of is dat sentiment pas later gekomen, bij het terugblikken op je jeugd?

(denkt na) Het was er toen al, geloof ik. We wisten nooit precies wanneer hij weer thuis zou komen. Dat hing af van de gebeurtenissen ter plaatse, en van wat zijn opdrachtgever besliste. Vaak was zijn thuiskomst een verrassing. Dan zag ik de auto op de oprit staan of struikelde ik in het berghok over zijn tassen met cameramateriaal, en wist ik: hij is terug. Ik herinner me dat er toch altijd een verlangen was naar dat moment.

“Als kind begreep ik soms niet goed waarom mijn vader andere kinderen en vrouwen ging filmen, andere gezinnen. Want mama en ik waren er toch? En later ook mijn broer en zus?»

De grote wereld riep altijd weer, maar tegelijk trok zijn eigen kleine wereld ook aan hem?

(knikt) Precies. Het moet schizofreen gevoeld hebben voor papa: dan was er voor zijn lens een stuk geschiedenis geschreven, en kwam hij vervolgens thuis in een kleine wereld die gewoon verder was blijven draaien. In 2003 keerde hij terug uit Irak, waar hij iets verschrikkelijks had meegemaakt: in Basra zat hij in een auto die onder vuur genomen werd. Zijn twee collega’s – zeg gerust: vrienden – stierven, zelf overleefde hij het gelukkig. Dat was een monumentale, tragische gebeurtenis voor hem, iets heftigs en wezenlijks, maar thuis trof hij een dochter aan die in de ban was van Survivor, de plaat van Destiny’s Child, en eigenlijk niet zo geïnteresseerd was in zijn verhaal. De gelijknamige single zit trouwens in Unfolding an Archive: dat kon ik niet laten liggen.

“Ik vraag me af of je als oorlogsjournalist wel tegelijk in de grote én de kleine geschiedenis kunt leven.”

Moest je vader bij thuiskomst je vertrouwen weer winnen? Of idealiseerde je hem net omdat hij vaak lang en ver weg was?

“Ik had de innigste band met mijn moeder, net zoals mijn broer en mijn zus, omdat zij altijd dichtbij was. Met iemand die weggaat en terugkeert moet je toch telkens weer een beetje opnieuw beginnen. (ferm) Maar zet me alsjeblieft niet weg als het arme kuiken dat altijd achtergelaten werd. Er zat zelfs iets heel moois aan die aparte situatie: de afwezigheid van mijn vader betekende de aanwezigheid van mijn moeder.”

Juist: we praten nu al de hele tijd over je vader, maar wat voor iemand is je moeder?

“Een ontzettend intelligente, wereldse, liefdevolle vrouw. Ze heeft me geholpen bij de research voor Unfolding an Archive, en daardoor ben ik pas gaan beseffen hoe hard het voor háár geweest is. Er is zoveel dat ik me op het moment zelf niet realiseerde, simpelweg omdat ik nog te jong was. Dat vreemde gegeven van een relatie waarin op de achtergrond de wereldactualiteit voortdurend ratelde. De angst die ze gevoeld moet hebben. Het moment waarop ze door een satelliettelefoon aan mijn vader in Kosovo vertelde dat ze zwanger was van mijn broer.

“Door met mama samen te werken, heb ik een kant van haar ontdekt die ik nog niet goed kende. Ik zie nu in hoe ze zich altijd moedig overeind heeft gehouden. Want er straalde nooit iets van angst af op ons, de kinderen: wij kregen nauwelijks iets mee van het risico dat papa’s vak inhield.”

Je moeder was een internationaal gewaardeerd expert op het vlak van e-learning. Ze had een drukke baan, moest óók vaak reizen. Dat schroefde ze terug zodra ze moeder was. Mooi, maar tegelijk ook stereotiep: de vrouw die op het nest neerdaalde, de man die mocht blijven vliegen.

“Da’s juist, ja. Ik ben blij dat dat allemaal wat aan het kantelen is, dat er aan de vanzelfsprekendheid van dat soort stereotypen geknaagd wordt.

(denkt na) Weet je, mijn mama schrijft heel goed. En ik heb nu deze voorstelling gemaakt, maar eigenlijk vind ik dat zij over die tijd zou moeten schrijven. Maar daar is ze te bescheiden voor, geloof ik: mama heeft zich altijd wat weggecijferd. Terwijl ze haar kinderen net geleerd heeft om te doen wat je wilt doen. Niet verlegen zijn, was haar boodschap, nooit bang worden. En altijd je passie achternahollen.”

In ‘Unfolding an Archive’ Beeld rv
In ‘Unfolding an Archive’Beeld rv

DE EERSTE DANS

Je was pas zeven toen je op jouw passie liep: dansen.

“Ik ging bij een vriendinnetje spelen, en zij zou aan een workshop dans deelnemen – eigenlijk was het een verdoken auditie. Maar dat vriendinnetje durfde plots niet meer, en ik ging in haar plaats. Ik herinner me die dag nog heel helder, het gevoel dat dat dansen me gaf: daar moest ik mee voort.

“Het is een luxe om al zo vroeg te weten wat je wilt doen. Mijn zus zit nu in het vijfde middelbaar, en er zijn heel veel verschillende dingen waar ze goed in is. Ze heeft nog geen idee van haar toekomst. Dat is ook perfect normaal, maar de maatschappij schijnt wel te verwachten dat je in je tienerjaren al weet wat je van het leven wilt.”

Dans je elke dag?

“Eigenlijk wel. Als ik niet zelf aan het repeteren ben, geef ik les of werk ik mee aan de projecten van anderen. En haast altijd ga ik dan zelf tussen de dansers staan – ik moet kunnen bewegen.

“Toen ik studeerde in Nederland zat ik vaak in de trein tussen Amsterdam en Brussel. Als ik dan een choreografie probeerde te bedenken, liet ik mijn handen die dansen. Dat leverde veel verwonderde blikken op. Ik zag mensen denken: is ze een dirigente of gewoon gek? (lacht) Tegenwoordig lukt het maken ook gewoon in mijn hoofd. Maar toch: op een bepaalde manier ben ik altijd aan het bewegen.”

Wat betekent dansen voor je?

“Aanvankelijk betekende het vrijheid. Mama vertelt nog vaak hoe ik zo’n typisch kind was dat aan moeders rokken hing, en wat te bedeesd was voor de grote wereld. Ook daarom moedigde ze me heel erg aan in dat dansen. En het werkte: dansen leerde me om die verlegenheid tijdelijk te verliezen, en me helemaal vrij te voelen in mijn eigen lichaam.

“Intussen is er al wat romantiek verdwenen. Dat is een logisch gevolg van dat intensieve dansen: je leert zoveel technieken, je denkt zoveel na. Metier verdringt de intuïtie een beetje. Nu betekent dansen voor mij: iets vertellen. Ik heb een ongelooflijke fascinatie voor mensen die goed zijn met woorden. Mijn opa is een schrijver, mijn tante en oom zijn heel talig, van mijn moeder zei ik al dat ze zo goed schrijft. Maar zelf heb ik dat talent niet. Mijn woorden zitten in mijn lijf. Dansend vertel ik mijn verhaal.”

Vind je het niet jammer dat je dat verhaal maar aan een beperkt aantal mensen kunt vertellen? Moderne dans heeft een heel betrokken publiek maar...

“... volle voetbalstadions lok je er niet mee, nee. Ik worstel daar wel een beetje mee. Ik merk dat veel kunstenaars naar elkaars voorstellingen gaan, en dan met een heel analytische blik kijken. Maar dat is niet hoe ik wil dat mijn werk gelezen wordt. Ik wil de niche graag ontstijgen. Dingen maken die voor veel mensen iets betekenen, niet alleen voor mijn collega’s.”

Je zei net dat je heel verlegen bent. Dat verbaast me, want je maakt een zelfbewuste indruk.

“Op school in Amsterdam móést ik wel een manier vinden om met die verlegenheid om te gaan, om die onzekerheid aan de kant te schuiven. En dat is behoorlijk gelukt, maar helemaal weg zal het nooit zijn. Je zult mij bijvoorbeeld nooit zien dansen op een feestje of in een club: doodeng vind ik dat.”

Maar… je bént een danseres, Zoë.

“Ik weet het, ik weet het. En op een podium voel ik niets van schaamte. Maar in zo’n club bekruipt me telkens weer het gevoel dat iedereen naar me staat te kijken. In een zaal weet ik ten minste dat het publiek moet blijven zitten, en dat niemand zal rechtspringen, druk wijzend naar me: ‘Kijk hoe potsierlijk zij danst!’ (lacht)

Ondanks die verlegenheid ben je heel ondernemend. Na die studie in Amsterdam haalde je nog een diploma – regie aan het RITCS, en nu ben je bezig aan culturele studies aan de KU Leuven – en in je professioneel leven ben je danser, choreograaf, assistent-choreograaf en docent. Je bent niet het type dat zich het leven laat overkomen, toch?

“Klopt. Ik voel heel erg de drang om dingen te dóén. Ik geloof niet in het romantische idee van het genie dat in een anoniem kamertje z’n ding doet, en dan wel opgepikt zal worden. Nee, je moet hard werken. Ik doe dat ook graag. Ik vind het tof om een tegenslag te overwinnen, om te puzzelen, op iets te wroeten.

Unfolding an Archive voelt als een kantelmoment. Het is de eerste volwaardige productie waar ik volop mijn stempel op kan drukken. Er zit iets in waarvan je kunt zeggen: ‘Dit is van Zoë.’ Het is allemaal nog heel broos, natuurlijk. Ik ga nu weer nieuwe dingen maken, en dat is spannend.

“Onlangs had ik een gesprek met Ultima Vez (het dansgezelschap in Molenbeek gesticht door Wim Vandekeybus, red.): bij hen zal ik mijn volgende producties maken. Dat dwingt me om vooruit te denken, want het vraagt tijd om zo’n voorstelling – van projectdossier tot kaartjesverkoop – op poten te zetten. Dat voelt best vreemd: als ik zit na te denken over wat ik over vijf jaar wil maken, besef ik dat ik dan dertig zal zijn, terwijl dat nog zo ver weg voelt.

“Er is nog een reden waarom ik zo vol dadendrang zit, waarom ik zoveel wil: je tijd als danser is beperkt. Ik denk vaak: het moet nú, want anders is mijn kans verkeken. Je ziet niet veel oudere mensen op het podium staan, hè.”

Komt dat louter door het afmattende regime dat een danser zijn of haar lichaam oplegt?

“Dat is een belangrijke factor, ja. Ik geef vaak les aan dansers die tien jaar jonger zijn dan ik. Die hebben een strakheid die ik niet meer heb.”

Aldus sprak de oude taart van 26.

(lacht) Het is echt waar! Dansen is goed voor je mentale gezondheid, want je maakt er een hoop gelukshormonen mee aan. Maar voor je fysieke gestel is het géén aanrader. Eigenlijk is het topsport, en topsport is niet gezond.

“Maar goed, je stuurt terecht op nog iets anders aan: in de danswereld is lang het ideaal van het jonge, onbeschadigde lichaam gecultiveerd. Dat is gelukkig aan het verschuiven. Je ziet almaar meer oudere dansers op het podium. Virtuositeit hoeft niet samen te hangen met een gaaf lichaam.”

null Beeld Carmen De Vos
Beeld Carmen De Vos

VERGÉÉT HET, VADER

In De Standaard Weekblad antwoordde je met drie termen op de vraag hoe je herinnerd wilt worden. De eerste: ‘onverschrokken’.

“Dat probéér ik te zijn – ik durf niet te beweren dat het me altijd lukt. Maar inderdaad: ik vind het belangrijk dat ik durf te springen, dat ik niet bang ben van mijn eigen dromen en ambities.

“Weet je, ik ben in wezen heel gevoelig, en de grote en kleine horden van het leven hebben vaak een grote emotionele impact op me. Maar telkens komt er dan ook iets strijdlustigs over me. Ik ben een vechter. En ik wil vooral geen spijt hebben van dingen. Dat is mijn grootste angst: terugblikken en spijt hebben.”

Betekent dat dat je gelooft dat je de regie over je leven helemaal zelf in handen hebt?

“Ik geloof best wel in de maakbaarheid van dingen, ja. Ik heb het gevoel dat ik zelf veel kan beslissen. Nu goed, ik ben me tegelijk wel bewust van mijn privilege. Dat ik in dit comfortabele stukje van de wereld geboren ben, met ouders die me nieuwsgierigheid en zelfvertrouwen cadeau deden, heeft me een formidabele startpositie bezorgd. Net daarom wil ik het ook goed doen, de dingen niet verkwanselen. En ja, dat leidt weleens tot stress. Net omdat ik geloof dat elke keuze grote, concrete gevolgen heeft, overdenk ik alles grondig. Soms zou ik wel wat nonchalanter in het leven willen staan. Me wat meer overgeven aan de dingen. Loslaten, in het nu leven, de dingen eens gewoon laten gebeuren.

(abrupt) Wat was mijn tweede antwoord op die vraag naar hoe ik herinnerd wil worden?”

‘Genereus.’

“Juist. Ik hou van warmte, van samen zijn. En ik bots soms op de vaststelling dat ik in een behoorlijk eenzaam vak zit. Dat klinkt misschien gek, want als danser ben je voortdurend met andere mensen aan het werken, op een heel lichamelijke manier bovendien. En dat is inderdaad intens, maar tegelijk vluchtig: na een project zwermt iedereen weer uit. Het is moeilijk om grote, diepe vriendschappen te onderhouden. Iedereen zit ook aan z’n eigen droom te werken – ik mis soms de verbinding tussen de makers.

“Zelf moet ik in m’n privéleven misschien ook wat genereuzer worden. Ik heb de neiging om mijn dagen helemaal vol te plannen. Het is mooi, zo’n tot aan de rand gevuld leven, maar het gaat soms ten koste van de mensen om me heen. Gulzigheid is goed, maar ze mag niet ten koste gaan van anderen.”

De derde term: ‘vooral niet saai’. Dat moet ook wel lukken als je een beetje op je vader lijkt. Toen hij in zijn jonge jaren met The Neon Judgement optrok, omschreef hij zichzelf zo: ‘Lichtman, tourmanager, groupieversierder, drugszoeker en algehele pretaanstoker.’

“En hij zei er niet bij dat hij de uitvinder is van de stroboscoop? Vreemd, want dat blijft hij hardnekkig beweren. (lacht)

“Ik ben heel vrij opgevoed, in een omgeving waarin er niet veel taboes waren en de rock-’n-roll gecultiveerd werd. Maar zelf ben ik nooit tegendraads geweest, zelfs niet in m’n puberteit. Ik ben het cliché van het verantwoordelijke oudste kind, vrees ik. En ik heb veel van m’n vader, maar dus niet dat wilde.”

Toch was het vooral je moeder die je aanmoedigde om dans te gaan studeren. Je vader zag meer in rechten of economie.

“Klopt, ja. Ik begrijp het ook niet goed. (denkt na) Misschien is dát wel mijn rebellie geweest: koppig vasthouden aan m’n plan. Fors zeggen: ‘Vergéét het dat ik rechten ga studeren.’ Voor mij is dat ook echt nooit een optie geweest. Dansen was zó vanzelfsprekend voor me. Toen op de middelbare school een leerkracht opwierp dat dat toch een onzekere keuze was, dat er misschien wat weinig realiteitszin uit die droom sprak, was ik oprecht verbaasd. En dat papa me ook liever voor voorzichtigheid zag kiezen, tja… Dat zal wel een liefdevolle reflex geweest zijn: ik geloof dat hij zich lang zorgen heeft gemaakt of het allemaal wel zou lukken.”

Wat vindt hij eigenlijk van Unfolding an Archive?

“Geen idee. Hij kwam vooral met technisch commentaar. Dat ik de audio uit zijn archief goed in de voorstelling geïntegreerd had, bijvoorbeeld. (glimlacht) Ik zei het je toch al: hij laat zich niet makkelijk lezen.”

null Beeld Carmen De Vos
Beeld Carmen De Vos

ACH JA, EEN KOGEL

Je volgende voorstelling zal ondermeer over dementie gaan, las ik.

“Ja. Als het lichaam een archief is, hoe voelt het dan als volledige lades plots leeg blijken? Dat vergetende lichaam wil ik onderzoeken. De bedoeling zou zijn om met oudere professionele dansers te werken, en daar kinderen van een jaar of zeven tegenover te plaatsen. En dan kijken: wat zijn de raakvlakken? Wanneer keren de rollen van kinderen en volwassenen om? Hoe neemt iemand met dementie de energie van een kind over, en hoe neemt dat kind het zorgen op zich? Want dat is wat dementie doet, natuurlijk: het herschikt heel drastisch de rollen.

(verontschuldigend) Nee, voor vrolijke thema’s moet je niet echt bij mij zijn. Maar ik probeer wel altijd de schoonheid in het donkere te zoeken.”

Zanger en muzikant Kris De Bruyne, de vader van je vriend, stierf begin dit jaar aan de ziekte van Alzheimer.

“Ik heb hem nog enkele jaren gekend, maar toen was hij al ziek. En helemaal onmenselijk werd het toen de coronacrisis losbarstte. Ik begrijp veel maatregelen die uitgevaardigd werden, maar zieke mensen hun laatste meters alleen laten lopen, nee, dat vind ik van een onvergeeflijke wreedheid. Contact is dan zo belangrijk, zéker bij mensen die aan alzheimer lijden.

“Ik vond het allemaal heel confronterend, net omdat ik zelf zo bezig ben met herinneringen, met wat het lichaam onthoudt. En omdat ik zag hoe Kris z’n dierbaarste bezit – die taligheid – brutaal werd afgenomen.

(peinzend) Ik ben best veel bezig met de gedachte aan de dood.”

Dat behoort anders niet tot de basisuitrusting van een 26-jarige.

“Het is niet zozeer de dood zelf die me benauwt, wel de gedachte dat we zo verdomd weinig tijd hebben. Als ik straks te horen krijg dat ik nog maar kort te leven heb, zit het al helemaal in mijn hoofd welke voorstellingen ik nog wil maken. En dan zou ik ervoor zorgen dat die uitgevoerd worden na mijn dood. Dat klinkt misschien wat egoïstisch, maar aan de andere kant: ik zie nu hoeveel moois Kris heeft achtergelaten, hoe zijn muziek en zijn woorden voor zoveel troost zorgen. Een erfenis willen nalaten is niet alleen ijdeltuiterij, het is ook een daad van schoonheid.”

Was het de eerste keer dat de dood zo dichtbij kwam?

“Ja. Of nee: toen papa kanker kreeg, heb ik voor het eerst beseft dat hij kan doodgaan. Ik was heel bang om hem te verliezen.

“Zelf koos hij voor de totale ontkenning. Kanker? Nee hoor, het leven ging vrolijk voort. Barbecues organiseren voor vrienden en familie! Feest! Dat was verwarrend voor mij, want het maakte het moeilijk om erover te praten. Maar het was zijn overlevingsinstinct dat sprak, besef ik nu. Het oprechte geloof dat als je beschoten wordt in een auto en dat als enige inzittende overleeft, je later niet domweg doodgaat aan kanker. Absurd, natuurlijk, maar die gedachte maakte dat hij zich recht kon houden. En uiteindelijk genas hij.

“Papa had eens een ontsteking aan zijn rug. Bleek er nog een stukje van een kogel in te zitten! ‘Ach ja,’ zei hij, en hij haalde zijn schouders op. Dat typeert hem. En sinds die kanker vraag ik me af of dát misschien de manier is waarop hij al die jaren van oorlog en geweld doorstaan heeft. Ik ben emotioneel, de dingen blijven aan me kleven. Maar een goeie oorlogsreporter moet onkruid zijn. En papa ís onkruid.”

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234