Vrijdag 07/10/2022

AnalyseLopende zaken

Het mysterie van de verdwenen kabinetsmedewerkers: in de Wetstraat is het niet ver zoeken naar roddels

Affiches plakken in verkiezingstijd. Cabinetards inzetten voor kiescampagnes – denk aan minister Joëlle Milquet in 2014 –, gebeurt op zowat elk kabinet.   Beeld BELGA
Affiches plakken in verkiezingstijd. Cabinetards inzetten voor kiescampagnes – denk aan minister Joëlle Milquet in 2014 –, gebeurt op zowat elk kabinet.Beeld BELGA

Politieke partijen werden de voorbije jaren bijna slapend rijk door de gulle subsidies die ze zichzelf toebedeelden. Dat maakt het des te frappanter dat middelen van het parlement en de kabinetten onder de waterlijn worden afgewenteld om de partijpolitieke machine te laten draaien.

Stavros Kelepouris

Mochten de Belgische politieke partijen beslissen om voortaan aan één zeel te trekken, zouden ze prompt de lijst van meest vermogende Belgische families binnenkomen rond plaats 150. Uit de laatste jaarrekeningen valt af te leiden dat de partijen in de Kamer samen net geen 157 miljoen euro waard zijn. Of hoe politieke secretariaten stilaan vermogensbeheerders geworden zijn.

Het is makkelijk om daar cynisch over te doen, maar tot op zeker hoogte is een flinke betoelaging van partijen democratisch perfect verdedigbaar. Zonder oorlogskas is er als politicus geen beginnen aan. Partijen met geld zijn partijen die hun standpunten en voorstellen kunnen onderbouwen en tot bij de kiezer kunnen brengen, waardoor die kiezer een geïnformeerde keuze kan maken.

Lastiger is de vraag of partijen zo veel geld moeten hebben dat ze aan de slag kunnen als beleggers in vastgoed. Ook dat is, weliswaar met enige welwillendheid, nog te verdedigen. Als partijsubsidies op die manier maximaal renderen, vallen strategische beleggingen nog enigszins onder deugdelijk financieel beheer.

Het grotere schandaal is misschien beter elders te zoeken. Partijen hebben blijkbaar zo veel middelen op overschot dat ze het zich kunnen permitteren om het te investeren in vastgoed in plaats van het – waar het voor bedoeld is – uit te geven aan de politieke werking van dag tot dag, zoals de ondersteuning van politiek personeel of de uitbouw van een studiedienst. Om die politieke werking voluit te laten draaien, worden dan wel weer langs allerhande andere wegen publieke middelen gezocht die daar niet voor bedoeld zijn.

Die wegen hebben een naam: parlementaire medewerkers en cabinetards.

Belastinggeld

Het idee achter parlementaire medewerkers is eenvoudig: om de verkozenen des volks zo goed mogelijk hun grondwettelijk toegewezen controlefunctie te laten uitoefenen, krijgen volksvertegenwoordigers een persoonlijke medewerker die dossiers voorbereidt, hen administratieve beslommeringen uit handen neemt of parlementaire vragen opstelt. De medewerker staat ten dienste van de onafhankelijkheid van het parlement tegenover de uitvoerende macht.

Dat is alvast de theorie. In werkelijkheid is het bij zowat alle politieke partijen de logica zelve geworden dat parlementaire medewerkers onder het centraal partijbewind worden gebracht. Onder Conner Rousseau is bij Vooruit de oude usance nieuw leven ingeblazen waarbij parlementariërs geen eigen medewerkers meer hebben. Die mensen – hoewel betaald als parlementair medewerker – worden allemaal gesommeerd om de studiedienst of de politieke werking van de partij te versterken. Vanop die stoel kunnen ze dan natuurlijk wel nog meewerken aan dossiers die de volksvertegenwoordigers onder de aandacht willen brengen.

Bij nagenoeg iedere partij worden parlementaire medewerkers op die manier ten dienste van de partij ingezet. Het punt is dat ze daarvoor helemaal niet bedoeld zijn. Het is belastinggeld dat afgewenteld wordt naar de partijsecretariaten, die er al bijzonder warmpjes bij zitten.

Dezelfde vaststellingen gelden mutatis mutandis voor een aanzienlijk deel van het kabinetspersoneel. In de regel zijn zij er om het beleid te ondersteunen en mee vorm te geven, om erover te waken dat de politieke besluitvorming coherent en zorgvuldig wordt voorbereid en uitgewerkt. Maar ook hier lopen de partijpolitieke besognes al te vaak voor de voeten van de nochtans niet onbelangrijke taak om het land vooruit te helpen.

In 2014 kwam minister van Binnenlandse Zaken Joëlle Milquet (cdH) in opspraak omdat ze op haar kabinet een aantal medewerkers zou hebben aangenomen voor haar campagne. Een bijna lachwekkend feit – niet omdat het zo opzichtig gebeurde, maar wel omdat Milquet zich liet betrappen. De waarheid is dat wat Milquet deed, op élk kabinet gebeurt.

“Het drukste moment op de kabinetten zijn de tijden van de verkiezingen, dan gonst het van de activiteiten”, klinkt het in Wedervaren van een cabinetard, het tell-all-boek van Rudy Aernoudt dat hij schreef na zijn ontslag als kabinetschef van de liberale minister van Economie Fientje Moerman. Aernoudt beschrijft hoe het hele jaar door postzegels gekocht en gestockeerd werden, zodat later in de boekhouding niet zou opvallen dat ze voor de campagne moesten dienen. In de aanloop naar de verkiezingen worden kabinetsmedewerkers persoonlijke campagneloopjongens van de minister.

Nog niet zo lang geleden doken met de regelmaat van de klok verhalen op over de zogenaamde ‘spoken’ op een kabinet – mensen die officieel op de payroll stonden maar op het bewuste kabinet nooit gesignaleerd werden. Neen, de spoken bleven braaf in de gouw van de minister voor wat dan eufemistisch ‘lokaal dienstbetoon’ heette. In mensentaal: stemmen ronselen.

Nagenoeg iedere minister zet (een deel van) zijn personeel wel eens in voor klusjes die buiten de functieomschrijving vallen. In de Wet­straat is het niet ver zoeken naar roddels over cabinetards die schilderwerken in het huis van de minister uitvoeren of kinderoppas spelen. En de communicatiecel lijkt er tegenwoordig vooral te zijn om de populariteit van de minister te vergroten, en pas in tweede rang om het beleid helder te schetsen.

Ook hier gaat het om publieke middelen die afgeleid worden naar partijpolitieke doeleinden waar ze niet voor dienen. Maar de gevolgen voor de burgers gaan een stuk verder dan oneigenlijk gebruik van hun belastinggeld.

Parlementaire medewerkers en cabinetards zijn er om de kwaliteit van het parlement en het regeringswerk hoog te houden. Ze dienen in principe de res publica: ze zorgen er mee voor dat wetteksten steek houden, regeringsinitiatieven doorgerekend worden en slecht beleid door het parlement teruggefloten wordt.

Dat alles komt in het gedrang wanneer partijbelangen de bovenhand nemen. En het voedt een cultuur waarin het normaal gevonden wordt dat in de laatste fase van een legislatuur het beleid achteroverleunt en een regering niets meer gedaan krijgt omdat volop overgeschakeld wordt op campagnemodus.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234