Zondag 16/01/2022

AchtergrondWielrennen

Elke wielerkoers krijgt de winnaar die zij verdient. Behalve Parijs-Roubaix

Als je goed luistert, hoor je in het Bos van Wallers de echo’s van het gekletter van staal en carbon en wanhopig geschreeuw. Beeld Jelle Vermeersch
Als je goed luistert, hoor je in het Bos van Wallers de echo’s van het gekletter van staal en carbon en wanhopig geschreeuw.Beeld Jelle Vermeersch

Elke wielerkoers krijgt de winnaar die zij verdient. Behalve Parijs-Roubaix. De Hel van het Noorden, dit weekendop het programma, is buiten categorie. ‘Een oneerlijke wedstrijd voor renners én kijkers die niet goed bij hun hoofd zijn.’

Frank Heinen & Jelle Vermeersch

De bestuurder van de bezemwagen kijkt een beetje meewarig. Een paar meter voor hem rijdt een renner in het hemelsblauw van het minuscule ploegje Delko-Marseille, een team dat slechts eens per jaar, tijdens Parijs-Roubaix, op televisie komt.

Als het meezit, tenminste.

Het is nog een kleine veertig kilometer tot de streep. Toeschouwers klappen hun stoeltjes in, vouwen hun vlaggen op en pakken de koelbox die zich in de klei van de akkers heeft vastgezogen. In het spoor van het busje, achter het aanhangwagentje met daarop de fietsen van eerder afgestapte renners, begint het gewone leven zich alweer te ontvouwen. Het gewone leven op de wegen van Parijs-Roubaix is dat van stilte, van wind en lage, grijze luchten. Auto’s rijden nooit over de kasseistroken, slechts af en toe een tractor.

Il ne veut pas s’arreter”, legt de bestuurder uit. Nog meer dan dertig kilometer tot de wielerbaan, waar wereldkampioen Peter Sagan zojuist zijn eerste Parijs-Roubaix heeft gewonnen. Heeft het zin om door te rijden? Hoelang doe je nog mee aan een wedstrijd die al afgelopen is? “Als je in Parijs-Roubaix achteropraakt, rijd je een woestijn binnen”, zei Fabian Cancellara ooit.

De renner in het blauw heet Evaldas Šiškevičius. Hij is een Litouwer, maar woont al jaren in landen waar de eerbied voor Parijs-Roubaix verankerd ligt in de cultuur.

Voor een wedstrijd die volledig over Frans grondgebied trekt, is Parijs-Roubaix trouwens behoorlijk Vlaams. En hoewel de koers in de hele wereld bekeken en bewonderd wordt, tot in Australië aan toe, waar ze zelfs een Melburn-Roobaix-race organiseren (‘De hel van de Noordkust’), wordt langs de route voornamelijk Nederlands gesproken. Op de erelijst klotsen de Vlaamse winnaars tegen de plinten.

Evaldas Šiškevičius, die in de editie van 2018 vlak voor de bezemwagen uit reed, heeft een lekke band en haalt zelf een reservewiel uit de ploegleiderswagen. Beeld rv
Evaldas Šiškevičius, die in de editie van 2018 vlak voor de bezemwagen uit reed, heeft een lekke band en haalt zelf een reservewiel uit de ploegleiderswagen.Beeld rv

En Evaldas Šiškevičius fietst maar door, door grijze dorpjes, langs grijze akkers en grijze mensen die zich afvragen wie daar rijdt en vooral: waarom. Wanneer hij op een van de laatste kasseistroken pech krijgt, lijkt Šiškevičius’ wedstrijd voorbij. Gadegeslagen door enkele tientallen wielerfans, klimt hij op een aanhanger waarop de ploegleiderswagen van zijn team naar de finish wordt gebracht, opent het portier, komt tevoorschijn met een nieuw wiel, prutst het in zijn frame en vertrekt weer.

Il est fou”, mompelt de man achter het stuur. “Il est fou.”

Dat was een juiste observatie van de bestuurder van de bezemwagen, in die Sporza-reportage uit 2018. Evaldas Šiškevičius was gek. Gek dat hij wilde doorrijden en per se wilde finishen, ook al was de wedstrijd al lang en breed voorbij. Gek dat hij überhaupt gestart was, zoals al zijn collega’s gek waren dat ze gestart waren, gek zoals de mensen langs de kant die in die open velden uren stonden te vernikkelen van de kou in afwachting van een paar passerende coureurs, gek als de organisatie, gek als de verslaggevers die de schoonheid van de wedstrijd bezongen, gek als de kijkers thuis die dat jubelend beaamden.

Desolate smoezeligheid

Vrij naar Judith Herzberg: doorrijden is een vorm van gekte, opgeven ook. Van Parijs-Roubaix houden is een vorm van gekte, er niet van houden ook. Iedereen die van wielrennen houdt, is dol op Parijs-Roubaix (behalve Bernard Hinault), en tegelijk staat Parijs-Roubaix in het wielrennen volkomen alleen, hoe populair grindstroken in het wegwielrennen ook nog mogen worden.

Als het een beetje tegenzit, sluiten de spoorbomen om de sneltrein van Doornik naar Rijsel door te laten. Beeld Jelle Vermeersch
Als het een beetje tegenzit, sluiten de spoorbomen om de sneltrein van Doornik naar Rijsel door te laten.Beeld Jelle Vermeersch

De race is een monument, maar niet op de wijze waarop de Ronde van Vlaanderen, Luik-Bastenaken-Luik, Milaan–San Remo en de Ronde van Lombardije monumenten zijn. Die wedstrijden zijn de climaxen, de wereldkampioenschappen in een specifieke wielerdiscipline, de hoogtepunten uit een bepaald genre. Parijs-Roubaix is, in alle opzichten, een geval apart. Nergens anders zijn de wegen zo abominabel, nergens anders is het decor zo schitterend in al zijn desolate smoezeligheid, nergens anders is de wereld zo vlak dat je de bolling van de aarde meent te kunnen zien, nergens anders tref je renners aan die fietsen, nee, léven voor die ene wedstrijd.

Nergens anders wil elke renner hoe dan ook de finish halen, ook al bladdert de verf al jaren van het velodroom van Roubaix, en zijn de betonnen, naar oud-winnaars vernoemde douches er primitief en ook al word je na het sluiten van de tijdslimiet niet eens meer opgenomen in de uitslag, omdat de officials naar huis wilden, wat in elke andere wedstrijd het soort vernedering zou betekenen dat je jezelf als professioneel coureur tegen elke prijs wil besparen.

Nergens anders ook lijkt het gevaar vanzelfsprekender te worden geaccepteerd dan daar. Terwijl de sport zich tracht te moderniseren, en grote ongelukken op allerlei manieren probeert te voorkomen, is het hoogtepunt van het seizoen een wedstrijd waarin valpartijen en gewonden volstrekt vanzelfsprekend zijn. Zondag, als de regen over het boerenland vlaagt en de renners voor het eerst in twintig jaar doorweekt, worden de keien spekglad, wordt het zand modder en vullen de gaten langs de weg zich met water en veranderen in plassen die het gevaar verhullen. Levensgevaarlijk, en geen renner die ertegen protesteert, geen fan die zich er niet gretig mee verzoent.

'Als je in Parijs-Roubaix achteropraakt, rijd je een woestijn binnen', zei Fabian Cancellara ooit.
 Beeld Klaas Jan van der Weij
'Als je in Parijs-Roubaix achteropraakt, rijd je een woestijn binnen', zei Fabian Cancellara ooit.Beeld Klaas Jan van der Weij

Kurt-Asle Arvesen reed eens twintig kilometer lang zonder zadel over de kasseien, in de hoop langs de kant een reserve te vinden en alsnog te kunnen finishen. En toen Roger Swerts in 1975, terwijl hij in de de kopgroep reed, op zijn hoofd viel, buiten bewustzijn raakte en minuten later pas bijkwam, was het eerste wat zijn ploegleider Rik Van Looy riep: ‘Rijden!’ En Swerts reed, terwijl het bloed uit zijn hoofd gutste.

In elke andere situatie zou dit als een vorm van mishandeling gelden, maar in Parijs-Roubaix kijkt niemand ervan op. Alleen daar kan er in het parkoers op tien kilometer voor de streep plots een spoorwegovergang opduiken, waarvan de automatische spoorbomen, als het een beetje tegenzit, exact bij de doorkomst van de eerste renners sluiten om de sneltrein van Doornik naar Rijsel door te laten.

In de editie van 2006 schoten de achtervolgers onder de zakkende bomen door, terwijl de trein naderde. Stoned van de vermoeidheid gleden Vladimir Goesev en Peter Van Petegem net voor de aanstormende intercity langs. Alle seinen voor een verschrikkelijk ongeluk, live uitgezonden in 120 landen, stonden op groen. Het was aan niets anders dan een hoop geluk te danken dat het niet zo ver kwam. In elke andere koers zou zo’n valreep-moment aanleiding zijn om het parkoers voortaan lichtjes om te leiden, maar niet in Parijs-Roubaix, waar alleen de starttijd een beetje werd verlaat. Voor Parijs-Roubaix gelden andere wetten. Tijdens Parijs-Roubaix is iedereen een dag lang gek.

Uit een helikopter gegooid

Er was een tijd dat de race tussen Parijs en Roubaix helemaal niet uitzonderlijk zwaar was, of over voor fietsen ongeschikte wegen voerde. Vóór de wereldoorlogen waren de meeste wegen immers niet erg geschikt voor fietsen. In de jaren 50 en 60 veranderde Parijs-Roubaix snel van karakter – met een razendsnelle editie van 1964 (winnaar: Peter Post) tot gevolg.

Pas toen oud-renner Albert Bouvet zich na het einde van zijn loopbaan met de organisatie ging bemoeien, werd Parijs-Roubaix de wedstrijd die ze nu is. Bouvet begreep wat de kasseienwegen konden betekenen voor het wedstrijdverloop en ging er speciaal voor op expeditie door de Noord-Franse akkers, waar de keienstraatjes uit de tijd van Napoleon III door gebrek aan verkeer aan de asfalteringsdrift ontkomen waren.

De strook van Wallers-Arenberg.  Beeld Jelle Vermeersch
De strook van Wallers-Arenberg.Beeld Jelle Vermeersch

Bouvet ontving zijn tips van lokale helden als Édouard Delberghe, knecht en jachtvriend van Jan Janssen, en het was met dank aan renner en oud-mijnwerker Jean Stablinski dat in 1968 het Bos van Wallers in het parkoers werd opgenomen. Een langs groezelig geboomte voerend pad achter de mijnschacht van Arenberg, een pad waarop de keien uitzonderlijk schots en scheef lagen alsof ze door de Romeinen uit een helikopter gegooid waren (© Tim Krabbé) en waar, bij regenval, aan één stuk door renners onderuit slipten en de frames en spaken net zo eenvoudig braken als de botten van de achtergeblevenen. Hier brak Johan Museeuw zijn knieschijf om vervolgens bijna zonder linkerbeen door het leven te moeten.

In het Bos benaderde de overdrachtelijke Hel die de wedstrijd moet zijn onze voorstelling van die plek het meest: geschreeuw, gekraak, gehuil en gejoel van fans die in de veronderstelling verkeerden dat het zo hoorde. Tegenwoordig liggen de kasseien er in Arenberg iets minder beroerd bij, en blijft het aantal doodsmakken bij een gemiddelde doortocht beperkt. Toch spookt het nog altijd in het bos, als je goed luistert, hoor je de echo’s van het gekletter van staal en carbon, wanhopig geschreeuw en een zacht, maar doordringend ‘Ro-da-ni-aaaaaa’.

Er is die fotoreeks van fotograaf Jelle Vermeersch. Er staan coureurs op die zojuist zijn gefinisht in Roubaix. Zwarte vegen, beslagen tanden, resten modder op de wang. Over het voorhoofd van Greg Van Avermaet kronkelt een frons die een grimas op zichzelf lijkt. Faces of Death heet die serie.

De fotoreeks 'Faces of Death' van Jelle Vermeersch spreekt boekdelen over wat Parijs-Roubaix met renners doet. Beeld Jelle Vermeersch
De fotoreeks 'Faces of Death' van Jelle Vermeersch spreekt boekdelen over wat Parijs-Roubaix met renners doet.Beeld Jelle Vermeersch

De dood komt in de Hel ogenschijnlijk vaak dichtbij, maar slaat zelden toe. Tot 8 april 2018, de dag dat Michael Goolaerts, een jonge knecht van Wout van Aert, een hartaanval kreeg, in de berm stortte en overleed. Via de oortjes hoorden zijn ploegmaats ploegleider Michiel Elijzen roepen: “Michael, hoor je ons? Michael, zeg iets.” Ze dachten dat Goolaerts’ communicatie was uitgevallen.

Ga hard en rijd soepel

Albert Bouvet overleed een paar jaar geleden op hoge leeftijd. Zijn geest leeft voort in de ‘Amis de Paris-Roubaix’, een groep vrijwilligers die jaarlijks de kasseien schoonmaakt en opnieuw herschikt.

Dit uitzonderlijke jaar hebben de Amis vooral flink moeten schoffelen, samen met scholieren uit de buurt, om al het gras van de zomer uit de geulen te wieden.

De enige kasseien die ik regelmatig befiets, worden niet door onkruid geteisterd. Ze liggen er ook net wat beter bij dan in Arenberg. Ze bevinden zich aan de rand van Utrecht, waar ik woon, in een aparte, fortachtige uitstulping aan de stadsrand. Mijn tandarts houdt daar praktijk. De strook is ongeveer tweehonderd meter, en afgaande op de talloze foto’s van kasseistroken die ik in mijn leven heb bestudeerd, zou je hem het beste kunnen vergelijken met de slotstrook uit de koers, die vernoemd is naar Charles Crupelandt en die het in de sterrenverdeling van de wedstrijdorganisatie al jaren met één schamel sterretje moet doen. Ik vrees dat het niet eens echte kasseien zijn, geen nukkige, puntige Napoleon III-keien, maar keurige kubusjes van steen. Toch voel ik me, op weg naar de halfjaarlijkse controle, altijd een minuut of wat coureur in Parijs-Roubaix.

Wie over kasseien rijdt, zelfs als de keien keurig in het gelid liggen, met gelijkmatige tussenruimtes en zonder geulen en gaten omdat er niet dag in, dag uit zwaar landbouwmaterieel overheen komt gedenderd dat de stenen uit elkaar trilt, ervaart bijna automatisch de drang om harder te gaan, om er sneller vanaf te zijn, maar ook omdat kasseistroken bedoeld lijken om hard en soepel overheen te rijden.

Het is niet alleen een geestelijke kwestie, echt niet. Toen oud-winnaar Servais Knaven in een reportage van het programma Holland Sport aan presentator Wilfried de Jong probeerde uit te leggen hoe je het best over kasseien kon rijden, vatte hij zijn tips als volgt samen: “Het is gewoon veel makkelijker om met 40 kilometer over de kasseien te gaan dan met 30.”

Elke strook is levende geschiedenis, in elke put is iemand lek gereden, elke plek langs de route heeft ooit betekenis gehad.  Beeld Jelle Vermeersch
Elke strook is levende geschiedenis, in elke put is iemand lek gereden, elke plek langs de route heeft ooit betekenis gehad. Beeld Jelle Vermeersch

Rijd hard, ga harder, dat is de boodschap. En rijd soepel. Het is, zo merkte schrijver Herman Chevrolet ooit op, een wijdverbreid misverstand dat Parijs-Roubaix een race is voor wroetende, harkende, hengstende kobolden en knokenpakketten, voor mensen die de kracht uit hun lichaam wringen, voor flandriens kortom. Alles in Parijs-Roubaix straalt een gebrek aan soepelheid uit, behalve de uitblinker in de koers: die is opvallend vaak een atleet met een perfect geproportioneerd lijf, lang, robuust en toch slank, glijdend, zoevend over de kasseien. Nergens ben je met elegantie zo in het voordeel als daar waar er in de verste verte geen elegantie te vinden lijkt.

En daar ga ik, richting tandarts: handen losjes op het stuur, kracht uit de rug halend, zware versnelling en geven maar. Net echt. En elke keer dat ik er terugkeer, denk ik, al dokkerend: toch in elk geval twee sterren, op z’n minst.

Maar waarom toch is Parijs-Roubaix voor iedereen die van wielrennen houdt een jaarlijks hoogtepunt? Waarom is het zo ontzettend dat er zo lang geen vrouweneditie van was, en zo geruststellend dat die er dit jaar eindelijk wel is? Waarom zwalken er elke editie nog tientallen renners ver na het einde van de wedstrijd over het parkoers, alleen om te kunnen vertellen dat ze ooit gefinisht zijn, alsof het een prestatietocht betreft?

Mensen zeggen: het is de meest eerlijke koers. Ze zeggen: het is de meest harde koers. ‘Hard’ en ‘eerlijk’ zijn ingewikkelde begrippen: een fikse bergrit in de Vuelta is voor de helft van het peloton veel zwaarder, en eerlijk, tja… Ik vind het geen aanbeveling, en het lijkt me eigenlijk ook onzin: nergens is het voordeel van een brede (lees: rijke) ploeg met veel steun en het beste materiaal groter, nergens ook is de willekeur waarmee lekke banden en ander ongerief over de renners worden verdeeld groter. En bovendien: in de eerlijke edities demarreert de sterkste renner in koers op een kilometer of vijftig van de streep, om solo met grote voorsprong aan te komen. Rechtvaardig, maar ook: vreselijk saai. Nee, doe mij maar oneerlijk.

Johan Museeuw na zijn vieze val in het bos van Wallers in 1998. Zijn knie is kapot, en er komt een bloedvergiftiging aan.  Beeld ISOSPORT
Johan Museeuw na zijn vieze val in het bos van Wallers in 1998. Zijn knie is kapot, en er komt een bloedvergiftiging aan.Beeld ISOSPORT

Mogelijk wordt met die eerlijkheid bedoeld dat de aanhouder wint. Dat klopt. In geen enkele andere wedstrijd loont het meer de moeite om te blijven proberen, om te blijven terugkeren, na elke panne opnieuw en elk jaar opnieuw. Museeuw brak zijn knie, ging bijna dood, kwam terug en won, wijzend op zijn knie die hem haast de kop had gekost. Gilbert Duclos-Lassalle was bijna 40 toen hij voor het eerst de wedstrijd van zijn dromen won. Mathew Hayman: idem dito. Onwrikbaar doorzetten wordt beloond.

Museeuw won twee jaar na zijn zware val de Helleklassieker. Met dank aan zijn herstelde knie. Beeld AFP
Museeuw won twee jaar na zijn zware val de Helleklassieker. Met dank aan zijn herstelde knie.Beeld AFP

Misschien is dat het woord waar een deel van de aantrekkingskracht in schuilt. Onwrikbaarheid. De kasseien liggen er al zolang het wielrennen bestaat, zolang de koers er is. Uit die stenen stijgt de geschiedenis als het ware vanzelf op. ‘De kassei moet wel een soort versteende oersoep zijn’, merkte schrijver en uitgever Henk Pröpper ooit op in wielertijdschrift De Muur, ‘om zoveel verhaal, zoveel leven, zoveel wil te kunnen samenballen.’

Elke strook is levende geschiedenis, in elke put is iemand lek gereden, elke plek langs de route heeft ooit betekenis gehad. Dáár, daar raakte het wiel van Leif Hoste verstrikt in een Vlaamse vlag, en daar, bij die put, verloor George Hincapie zijn stuur. Daar demarreerde Tchmil, daar vertrok De Vlaeminck, daar sprintte Guesdon, daar vertrok De Vlaeminck nog eens, daar Boonen, daar kregen Bortolami en Tafi te horen dat ze Museeuw moesten laten winnen, in die berm stond Hennie Kuiper te klappen om een nieuw wiel. ‘O’, riep verslaggever Mart Smeets, ‘o!’ Wat moest ie anders zeggen?

Onaangeroerd

Jules Verne schreef: ‘Alles wat een mens kan verzinnen, kunnen andere mensen werkelijkheid maken.’ Volgens die logica is Parijs-Roubaix geworden wat het nu is. Tijdens de allereerste editie van de koers was Verne in zijn woonplaats Amiens trouwens aandachtig toeschouwer. Destijds was elke koers nog een ontdekkingsreis richting onbekende oorden, precies zoals de schrijver zijn reizen en zijn verhalen het liefste had. Die wereld waarin iedere wielerwedstrijd een aaneenschakeling is van onzekerheden en vreemde gevaren bestaat niet meer, maar op de zondag van Parijs-Roubaix keert ie voor even terug.

Nergens anders oogt de wereld meer onaangeroerd als op de kasseien tussen Compiègne en Roubaix. Nergens anders lijkt een hele regio alleen maar te bestaan als er een koers doorheen komt.

Laisse-moi”, roept de uitgetelde renner en versnelt nog een laatste maal.

Uiteindelijk moet ook de bezemwagen Šiškevičius op die aprilzondag in 2018 achterlaten. Moederziel alleen vervolgt de Litouwer zijn weg. De horizon leunt zwaar op het land.

Eenmaal bij het velodroom aangekomen, blijken de poorten gesloten. Een suppoost opent de deuren, zodat de renner de noodzakelijke anderhalve ronde kan voltooien.

Een jaar later, tijdens wat de laatste editie in tweeëneenhalf jaar tijd zal zijn, zal Evaldas Šiškevičius aan de start staan, en negende worden. Doorgaan, altijd doorgaan. En ook tijdens de aflevering van 2021 zal hij opnieuw starten, omdat hij weet dat nergens de aanhouder zo vaak wint als in Roubaix.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234