Donderdag 19/05/2022

AchtergrondEcologie

De Britten willen een windmolen bouwen op de Zuidpool, maar wat doet dat met de vogels?

Een Antarctische aalscholver met een zendertje om zijn poot. Beeld Ruben Fijn/Bureau Waardenburg
Een Antarctische aalscholver met een zendertje om zijn poot.Beeld Ruben Fijn/Bureau Waardenburg

Om in de elektriciteitsbehoefte van hun onderzoeksstation te voorzien, willen de Britten een windmolen op Antarctica plaatsen. Een Nederlandse ecoloog onderzoekt wat dat met de vogels doet, zo’n potentiële sta-in-de-weg.

Rob Buiter

Buiten is het min 5. Binnen zit Ruben Fijn. Hoewel het hoogzomer is op Antarctica, zit bellen in de buitenlucht er even niet in voor de Nederlandse ecoloog. Zelfs de zomerwind snijdt vandaag overal doorheen en bovendien moet Fijn een beetje dicht bij de internetverbinding zitten. “De meeste mensen op het onderzoeksstation zitten nu aan de lunch, dus dan is de verbinding wel stabiel genoeg voor internetbellen”, zo schat hij in.

Fijn is als ecoloog van het Culemborgse ecologisch adviesbureau Waardenburg te gast op het Britse onderzoeksstation op Rothera Point. Het ligt halverwege Adelaide Island, het schiereiland dat van Antarctica naar het puntje van Zuid-Amerika wijst. Voor zijn afstudeerstage als bioloog, in 2006, zat hij ook al eens vijf maanden op een Zuidpoolstation van de British Antarctic Survey, toen om de voedselecologie van sneeuwstormvogels te bestuderen. Tegenwoordig doet hij veel onderzoek naar de effecten van windturbines op zeevogels in de Noordzee. Dankzij die combinatie van ervaringen kreeg hij vorig jaar een verzoek van de Britten: of hij niet wilde helpen bij het onderzoek naar de mogelijke effecten van een windmolen op Antarctica, op de broedende vogels.

Knooppunt in de Antarctische logistiek

“Rothera Research Station is een bijzondere plek op Antarctica”, legt Fijn uit. “Het is een van de weinige plekken waar vliegtuigjes kunnen landen en daarmee een echt ‘knooppunt’ in de Antarctische logistiek.” Zolang het weer niet te extreem is, is het een relatief goed bereikbare plek waar ecologen, maar ook meteorologen, oceanografen, glaciologen en andere wetenschappers onderzoek kunnen doen naar het leven, het klimaat, de gletsjers en de zee rond Antarctica. In de zomer wonen en werken er ruim honderd wetenschappers, in de winter valt veel van het onderzoek stil en beschermen twintig mensen de faciliteiten tegen de elementen.

“Al die activiteiten hebben veel elektriciteit nodig”, aldus Fijn. “Die wordt nu geleverd door generatoren die draaien op brandstof die weer met schepen moet worden aangevoerd. Die scheepsbewegingen kosten zelf veel energie en zijn tot op zekere hoogte ook riskant in zo’n kwetsbaar milieu. Onder andere daarom wil de British Antarctic Survey graag een paar windmolens van een meter of dertig hoog rond het station plaatsen. De vraag is natuurlijk wat die voor effect zullen hebben op de vogels die hier vliegen.”

Kinbandpinguïns

Door zijn focus op de vliegende vogels kan Fijn de visitekaartjes van de Zuidpool, de vele pinguïns, negeren. Dat wil zeggen: voor zijn onderzoek. “Op het station zelf zijn ze niet te negeren”, vertelt hij lachend. “Je zou nog kunnen denken dat lopende vogels bang kunnen worden van zo’n hoge mast met zwaaiende wieken, maar bijvoorbeeld de kinbandpinguïns die je hier veel hebt, lopen gewoon tussen de mensen en de sneeuwscooters door op het station. Die zullen zich dan ook niets aantrekken van de windturbines.”

Heel anders zou dat kunnen zijn voor de schuwere Antarctische aalscholvers of de zuidpooljagers die rond het station broeden. Naast de kans op aanvaringen, kunnen zij ook verstoord worden tijdens het broeden, of ze kunnen plaatsen met turbines mijden. Daarom heeft Fijn dertig aalscholvers gevangen en ze een zendertje omgedaan. Met die zenders bestudeert hij het ruimtegebruik van de vogels, te land, ter zee én in de lucht.

Het Britse onderzoeksstation op Rothera Point. Beeld Ruben Fijn/Bureau Waardenburg
Het Britse onderzoeksstation op Rothera Point.Beeld Ruben Fijn/Bureau Waardenburg

“Ze slaan de posities tot op enkele decimeters nauwkeurig op en sturen die naar een speciale antenne die we in de kolonie hebben gezet geplaatst. De meeste zenders slaan elke vijf minuten een gps-positie op en werken dan ongeveer drie weken. Dan is de batterij leeg. Een deel van de zenders werkt veel frequenter. Van deze vogels kunnen we in veel groter detail meten hoe ze het luchtruim rond de basis gebruiken en dus ook of en zo ja wáár ze last zouden kunnen hebben van een windmolen.”

Naast de zenders heeft Fijn ook een speciale vogelradar meegenomen naar Antarctica, net als een geavanceerde verrekijker met ingebouwde laser. Daarmee kan hij tot op de meter nauwkeurig vlieghoogtes meten. “De combinatie van zendergegevens van individuele vogels en de vliegpaden en vlieghoogtes van álle vogels ter plaatste, geeft een zo compleet mogelijk 3D-beeld van vliegbewegingen rond de basis”, stelt hij.

Overzomeren

De tweede vogelsoort die Fijn onderzoekt is de zuidpooljager, een ‘roofmeeuw’ die af en toe zelf zijn voedsel zoekt, maar er ook zijn vleugel niet voor omdraait om prooien te jatten van andere meeuwen, aalscholvers of stormvogels. De zuidpooljagers zijn extreme trekvogels. Als het op het zuidelijk halfrond winter wordt, trekken ze helemaal naar Canada om daar te ‘overzomeren’.

Rond Adelaide Island broeden relatief veel van deze jagers. Met ongeveer tien procent van de wereldpopulatie is het gebied wettelijk ook bestempeld als Important Bird Area, waarmee de bescherming ook binnen het internationale Antarctisch verdrag juridisch is bekrachtigd. “Ook van deze vogels willen we het ruimtegebruik heel nauwkeurig in kaart brengen, om te zien wat de potentiële invloed van een windmolen zou kunnen zijn.”

Aalscholvers duiken liefst 85 meter diep

Behalve de mogelijke effecten van de windmolens, is Fijn ook zeker geïnteresseerd in de biologie van de vogels. “Het is natuurlijk al heel bijzonder dat we deze vogels op deze manier kunnen volgen. Er zit bijvoorbeeld ook een drukmeter op de zenders van de aalscholvers, waardoor ze de diepte onder water kunnen vastleggen. We hebben al kunnen zien dat de vogels tot maar liefst 85 meter diep duiken op jacht naar vis. Van pinguïns waren dit soort diepten al wel bekend, maar voor vliegende vogels is dat echt ongekend diep. We hopen ook nog te ontdekken waar deze vogels naartoe trekken in de Antarctische winter, want dat is tot nu toe nog onduidelijk.”

Iets eerder dan gehoopt moet Fijn alweer terug naar Nederland. “Er komt over een paar dagen een groot bevoorradingsschip aan de kade liggen en zolang dat schip er ligt, kunnen er geen vliegtuigjes opstijgen of landen. Ik moet dus helaas weg zijn, voor dat schip aankomt.” Gelukkig voor Fijn worden de gegevens van de zenders automatisch binnengehaald en doorgestuurd. “Aan het eind van het broedseizoen zouden we dus een goede indruk moeten kunnen hebben waar windmolens het minste kwaad kunnen. Want dat het de moeite waard is om het brandstofgebruik voor de generatoren en daarmee de milieu-impact van de aanwezigheid op Antarctica drastisch te beperken, daar is iedereen het wel over eens.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234