Vrijdag 22/10/2021

AchtergrondPsychologie

Ons brein is gemaakt om te dwalen

null Beeld Thinkstock
Beeld Thinkstock

Een groot deel van de tijd zijn onze gedachten ergens anders. Ze dwalen. Dat is lang gezien als een probleem, een risico, maar de wetenschap ontdekt nu hoe belangrijk dat dwalen is.

Hoe spannend het boek ook is, de gedachten dwarrelen weg, zo nu en dan. Waar gaan ze heen? En wat heeft het dwalen in beweging gezet? Was het iets in de tekst of had het met het boek niets te maken? Myrthe Faber wil het uitzoeken. De jonge onderzoeker heeft verschillende studies op stapel staan naar dwalende gedachten tijdens het lezen. De Nederlandse, die haar tijd verdeelt tussen Tilburg Universiteit en het Donders Instituut voor Brein, Cognitie en Gedrag in Nijmegen, kreeg hier onlangs van onderzoeksfinancier NWO subsidie voor, en is er de komende jaren druk mee in de weer.

De term ‘dwalende gedachten’ roept vooral negatieve associaties op. Verlies van concentratie, wegdromen. In de klas kun je er een uitbrander voor krijgen, omdat je niet oplet en de les mist. In de auto kan het tot ongelukken leiden, omdat het je reactiesnelheid vermindert.

Waarom doen we het?

Er wordt veel onderzoek gedaan naar die negatieve gevolgen van dwalende gedachten (zie kader), en naar middelen om die effecten te beperken, zegt Faber. “Maar mijn vraag is meer: waarom doen we dit eigenlijk? Wat kan de functie zijn van dwalende gedachten? Want we doen het heel veel; tijdens lezen zijn onze gedachten gemiddeld 20 procent van de tijd ergens anders.”

Faber komt uit de taalwetenschap, ze studeerde Nederlands, voor ze in de cognitiewetenschap belandde. “Ik ben altijd gefascineerd geweest door de vraag hoe mensen verhalen begrijpen. Hoe kan een boek verschillende mensen dezelfde ervaring geven? En is die wel precies hetzelfde? Hoe vormt een tekst zich tot een voorstelling in je hoofd, een mentaal model, zoals dat heet? Als ik jou vraag of je piano wilt spelen, dan is dat een heel andere piano dan wanneer ik je vraag een piano te verhuizen. Die piano’s wonen ook in verschillende delen van je hersenen. Wanneer we lezen, selecteren we de relevante eigenschappen voor de context waarin we de piano tegenkomen.”

Proefpersonen gaan de komende maanden teksten lezen

Faber laat de komende maanden verschillende groepen proefpersonen teksten lezen, steeds een uur lang, om te zien wanneer en waarom hun gedachten afdwalen.

Maar hoe kom je daarachter? Door het de proefpersonen te vragen, zegt Faber. Maar zijn die wel nauwkeurig in wat ze over zichzelf rapporteren? “Nee, mensen zijn niet heel precies. En als je van tevoren zegt dat je het dwalen van gedachten wilt gaan meten, dan gaan ze er extra op letten. Dus dat moet je inkleden. En je kunt mensen achteraf vragen op welke momenten hun gedachten afdwaalden, maar je kunt ze ook regelmatig even storen met de vraag: waar denk je nu aan? En verder meten we hoe goed mensen een tekst hebben begrepen. Ook dat is een indicatie voor gedachtendwalen.”

Myrthe Faber. Beeld Erik van 't Hullenaar
Myrthe Faber.Beeld Erik van 't Hullenaar

De wetenschapper is niet totaal afhankelijk van wat proefpersonen zelf zeggen. In eerder onderzoek heeft ze aangetoond dat er nog een manier is om dwalende gedachten te volgen: oogbewegingen meten.

“Lezen is een heel regelmatig proces, we weten precies hoelang het oog bij een zelfstandig naamwoord of een lidwoord blijft. Als gedachten afdwalen, wordt dat patroon onregelmatiger; het oog blijft te lang hangen bij een lidwoord, of de ogen gaan terug in de tekst, en weer vooruit. Wat we meten aan oogbewegingen kunnen we verbinden aan wat proefpersonen zelf rapporteren.”

Oogbeweging en hersenactiviteit

Oogbewegingen kunnen ook verraden waarom gedachten afdwalen, zegt Faber: “Als gedachten gaan dwalen door iets wat helemaal niet met de tekst te maken heeft – je denkt tijdens het lezen ineens aan de boodschappen die je nog moet doen of aan iemands verjaardag – dan worden oogbewegingen heel onregelmatig. Veel onregelmatiger dan wanneer gedachten gaan dwalen door iets in de tekst of door een associatie die de tekst oproept.” Het is het verschil tussen loslopende gedachten, die niet helpen bij de taak van dat moment (lezen), en geëngageerd dwalen, dat lezen en tekstbegrip juist kan versterken.

In het komende onderzoek gaat Faber niet alleen oogbewegingen meten, maar ook hersenactiviteit. “We hebben in eerder onderzoek al wel gekeken naar verschillende gebiedjes in de hersenen. Je kunt bij mensen die een tekst lezen zien dat woorden die te maken hebben met beweging de motorische centra in de hersenen doen oplichten, en emotionele woorden weer andere gebieden in de hersenen. Zo kun je dwalende gedachten ook proberen te volgen. Maar ik wil nu ook gaan kijken naar netwerken in de hersenen.”

Faber is in het bijzonder geïnteresseerd in het zogenoemde default netwerk, dat zo’n veertien jaar geleden in beeld kwam, dankzij nieuwe scantechnieken. Het default netwerk is actief als de eigenaar van de hersenen rust. Faber: “In dat default netwerk zitten gebieden die belangrijk zijn voor spontane herinneringen, dagdromen, mentale beeldvorming. Het is ook actief bij dwalende gedachten, dat is bekend, maar ik wil weten hoe het interacteert met andere netwerken in ons brein.”

Alleen bij de mens?

Zijn ze typisch menselijk, die dwalende gedachten, of komen ze ook bij dieren voor? Faber: “Dat weten we niet precies. Het is ook lastig te onderzoeken, want je kunt het dieren niet vragen. Iedereen heeft weleens een hondje gezien dat in zijn mand onrustig lag te dromen. Spontane hersenactiviteit komt bij dieren voor. Je ziet het ook bij octopussen die van kleur kunnen veranderen door spontane activiteit in de hersenen. Dus dwalende gedachten zullen dieren ook wel hebben, maar of ze zo tastbaar zijn als bij de mens betwijfel ik.”

Het brengt Faber terug bij haar oorspronkelijk vakgebied: taal. “De ontwikkeling van de hersenen heeft de mens in staat gesteld een taalsysteem te ontwikkelen, gebouwd op symbolen, waarmee informatie kan worden overgedragen en de mens over veel meer kennis kan beschikken dan er in één hoofd past. Rudimentaire vormen daarvan vind je ook bij dieren, maar het taalsysteem is nergens zo ontwikkeld als bij de mens.”

Daarmee is het vermogen van de mens om associaties te maken groter, zegt Faber, en dus ook het talent om geëngageerd de gedachten te laten dwalen.

Jonathan Smallwood. Beeld Smallwood
Jonathan Smallwood.Beeld Smallwood

Meer dan een breinpauze

Veel wetenschappers dachten aanvankelijk dat dwalende gedachten niet meer waren dan een onderbreking, een pauze die het brein even nam na een inspannende klus. En dan is het logisch om te verwachten dat dwalende gedachten toenemen naarmate je ouder wordt. Maar hoe de wetenschappers ook zochten, dát was niet wat ze vonden. Integendeel: het gedachtendwalen wordt juist minder als je ouder wordt.

“Dat heeft veel van die onderzoekers verbaasd. Maar hun uitgangspunt klopte niet”, zegt Jonathan Smallwood, een leidende onderzoeker op dit gebied. Smallwood is een Schotse psycholoog die nu verbonden is aan Queen’s University in Ontario, Canada. Vele jaren van onderzoek naar dwalende gedachten hebben hem wars gemaakt van simpele verklaringen en modellen. “Ik heb nooit gedacht dat dwalende gedachten slechts een breinpauze zijn. Ze zijn een integraal deel van onze cognitie, en net zo belangrijk voor hoe we omgaan met de eisen die onze omgeving stelt. Ons brein is gemaakt om te dwalen. We zouden deze mensensoort niet zijn als we dit niet zouden kunnen.”

Met dat uitgangspunt wordt het begrijpelijk, zegt Smallwood, dat dwalende gedachten niet toenemen met de leeftijd maar juist minder worden. “Als je jong bent, wil je van alles en nog wat. Je bent ambitieus, gaat voor goud. Ouderen weten dat er meer blinkt dan alleen goud. Ze hoeven zich minder druk te maken. De capaciteiten van hun brein zijn misschien minder, maar ze zijn wijzer.”

Voor het jonge brein dat zo druk is, zijn dwalende gedachten belangrijker dan voor het oudere brein. Daarom zie je in werkelijkheid precies het omgekeerde van wat je zou verwachten: ouder dwaalt niet meer, maar minder.

Dit sluit aan bij een vermoeden dat door verschillende wetenschappelijke studies wordt ondersteund: het vermoeden dat gedachten gaan dwalen omdat het brein gebruik maakt van reservecapaciteit van het werkgeheugen. In verscheidene experimenten is aangetoond dat gedachten meer gaan dwalen tijdens eenvoudig routinewerk dan tijdens een pittige opdracht. Zo is in cockpits gemeten dat de piloot minder dwalende gedachten heeft dan de co-piloot.

“Bij een gemakkelijke taak is denken weinig zinvol, maar als je voor een moeilijke taak staat, moet je je hoofd erbij houden, anders gaat het mis of blijft je beloning uit”, zegt Smallwood. “Je instrueert je brein als het ware dat het bij die taak moet blijven, terwijl bij dwalende gedachten het brein zichzelf instrueert.”

De Schotse psycholoog heeft in het verleden ook onderzoek gedaan naar lezen, net als Myrthe Faber (zie hoofdverhaal). Smallwood liet mensen een detectiveverhaal lezen, en wilde, net als Faber, testen hoe goed mensen die tekst hadden begrepen. Met die detective was dat mooi te doen, want de oplettende lezer kon voor het eind van het verhaal de misdaad oplossen.

Mensen wier gedachten waren gaan dwalen zonder dat zij zich daar op dat moment van bewust waren, misten vaak de clou in het misdaadverhaal. Maar proefpersonen die zich bewust waren geweest van het dwalen van hun gedachten, losten de misdaad vaak wel op. Dwalende gedachten kunnen lezen en tekstbegrip storen, maar ook versterken. Het ene dwalen is het andere niet.

Er is in het verleden, ook door Smallwood, veel gekeken naar de nadelen en risico’s van dwalende gedachten. Daarmee leek gedachtendwalen vooral een probleem en in veel gevallen fout. Een etiket dat Smallwood nu niet meer wil gebruiken: “Omdat het zo’n integraal deel is van onze cognitie, is het filosofisch onzinnig om te zeggen of gedachtendwalen goed of fout is, en wat de kosten en baten zijn. Als een student tijdens een college afdwaalt, kun je zeggen: die volgt de les niet meer, en dat levert kosten op. Maar voor de student hoeven die dwalende gedachten geen kosten te zijn; misschien heeft die wel een prachtige reis beleefd.”

Daarom is het ook onzin, zegt Smallwood, gedachtendwalen te allen tijde te willen tegengaan. Dat kan achter het stuur van een vliegtuig of het stuur van een auto heel goed zijn, maar in andere gevallen juist niet. Wetenschappers die zochten naar middelen om gedachtendwalen te beperken, kwamen onder meer uit bij mindfulness. Ze zagen dat mensen die getraind zijn in mindfulness en meditatie hun gedachten meer in de hand hadden. Smallwood: “Zij kunnen discipline opbrengen en focus houden, omdat ze getraind zijn om in het moment te leven, zoals dat heet. Maar denk nu niet dat in het moment leven altijd de beste optie is.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234