Woensdag 05/10/2022

InterviewAmélie Nothomb

Amélie Nothomb: ‘Mijn vader moest eerst sterven voor ik over hem kon schrijven’

null Beeld Pascalito
Beeld Pascalito

In Bloedlijn brengt Amélie Nothomb een hommage aan haar vader, de diplomaat Patrick Nothomb, die ooit het leven van 1.500 gijzelaars redde in Congo én op de eerste dag van de lockdown overleed. ‘Ik moest zijn gevoelens verzinnen, want daar zweeg hij over.’

Dirk Leyman

“Ik weet het, het wordt hier almaar erger en erger”, roept Amélie Nothomb (56) verontschuldigend uit wanneer ze me haar beroemde bureau binnenleidt. Ze ploft een stapel non-descripte papieren op de grond, zodat ik me als een slangenmens op een stoel kan wurmen. Twintig jaar lang al betrekt de schrijfdiva een hoogsteigen kantoor bij haar Parijse uitgever Albin Michel. Maar dat raakt voller en voller, de muren vol met opgeprikte kaartjes, invitaties en parafernalia, met centraal een sensueel portret van Louise Brooks. Achter mij helt een torenhoge stapel boeken vervaarlijk voorover: “Om journalisten een gevoel van onveiligheid te geven”, grapt ze. Ooit moeten deze vierkante meters levende literatuurgeschiedenis in een museum belanden. “Ja,” vindt ze, “misschien in het Centre Pompidou?” En ze stuift weg om me een bekertje water aan te ­reiken.

Ondertussen heeft de mythe Nothomb niets aan kracht ingeboet, integendeel zelfs. “Je ziet het hier: de bergen fanmail en correspondentie blijven toestromen. Ik maak er een erezaak van om negen van de tien brieven persoonlijk te beantwoorden en ze stuk voor stuk te lezen. Dat is kolossaal. Ik heb de laatste tijd behoorlijk pijn aan mijn schouder, wat wil je?”

En dan somt Nothomb haar statistieken op, alsof ze haar schrijfarbeid met een Fitbit registreert: “Ik schrijf negen uur per dag: vijf uur aan mijn romans en vier uur brieven, het is knettergek. Alleen op vakantie gun ik mezelf het recht om geen brieven te beantwoorden. Maar ik werk wél altijd aan verder aan mijn romans.” Of de inspiratie nooit opdroogt? “Nooit”, benadrukt ze. “Het geheim is dat je nooit moet ophouden met schrijven. Ik ben nu bezig aan mijn honderdenvijfde roman, Premier sang (vertaald als ‘Bloedlijn’, red.) was de honderdste die ik schreef en de dertigste die ik heb gepubliceerd. Dus je ziet, het valt allemaal nog mee.”

Bio

geboren als Fabienne Claire Nothomb in Etterbeek op 9 juli 1966 / woont en werkt afwisselend in Parijs en Brussel / dochter van diplomaat Patrick Nothomb, over wie ze pas de roman Bloedlijn schreef / won voor haar succesroman Met angst en beven (1999) de Grand Prix du roman van de Académie française / ontving in 2021 de prestigieuze Prix Renaudot en de Premio Strega voor Bloedlijn

Nothomb, ongeschminkt én gehuld in een ­sober zwart T-shirt met Miró-motief, ziet de ­Nederlandstalige versie van Bloedlijn voor het eerst. Ze grist het boek uit mijn handen en wrijft over haar beeltenis op het omslag: “Oh, c’est beau.”

“Mijn meest persoonlijke boek”, poneert ze. Auteurs beweren wel vaker dat hun laatste boek hun het nauwst aan het hart ligt. Maar in dit geval ben je geneigd Amélie Nothomb blindelings te geloven. Dit boek, een grand cru in haar oeuvre, is met hartenbloed geschreven. En dat precies over een man die de gewoonte had om flauw te vallen telkens als hij menselijk of dierlijk bloed zag. “Zelfs de aanblik van een doorbakken biefstuk of een tartaartje” was genoeg om hem in katzwijm te doen vallen.

“Ik bewonderde mijn vader, meer dan iemand anders”, vervolgt ze. “Toen ik een kind was, zei iedereen hoe goed ik op mijn vader leek: ‘Kijk naar haar, het is precies Patrick.’ Dat werkte me nogal op de zenuwen, dat zal je niet verbazen. Maar tijdens het schrijven zag ik er de waarheid van in: ja, ik ben Patrick.” Het soms ook hilarische Bloedlijn getuigt inderdaad van een aanzienlijk inlevingsvermogen. Ook omdat ze ervoor koos om dit boek vanuit zijn standpunt te vertellen, in de eerste persoon. “Voor het eerst laat ik hem over zijn gevoelens spreken. En de paradox is: daardoor kan ik via een omweg over de mijne praten.”

Patrick Nothomb (1936-2020) is dan ook een uitzonderlijk figuur, meer dan zomaar een voetnoot in de Belgische diplomatieke geschiedenis. De telg uit de roemruchte Belgische Nothomb-­familie studeerde rechten en had een onberispelijke ambassadeurscarrière op de teller, van Bangladesh tot Birma, van Thailand tot Japan. In de annalen blijft hij vanwege zijn onwaarschijnlijke overlevingskunst én onderhandelingstalent tijdens een vier maanden durende gijzeling in Stanleystad (het huidige Kisangani) in 1964 door Simba-­opstandelingen, die uiteindelijk met Belgische parachutisten ongedaan werd gemaakt. Patrick Nothomb was in Congo als achtentwintig­jarige pas als consul benoemd.

Opgesloten

Nothomb vertelt nog steeds met tremolo in haar stem hoe ze de eerste dagen en weken na de plotse dood van haar vader doorkwam. “Mijn vader stierf op de eerste dag van de lockdown, op 17 maart 2020, aan een hartaanval. Ik kon niet naar zijn begrafenis. Toegegeven, ik was niet de enige die zich in die vreselijke situatie bevond. Maar daardoor kon ik mijn rouwarbeid niet op een behoorlijke manier afwerken. Het was werkelijk une horreur. Zo goed als opgesloten zitten in Parijs ­terwijl mijn vader begraven werd in Habay-la-­Neuve… Ik was helemaal van slag, het leek bijna of ik het koudvuur had.”

Vier maanden lang kon Nothomb haar vaders graf zelfs niet met een visite vereren. Ze besloot fictieve gesprekken met hem te voeren tijdens het fietsen. Maar het verdriet viel niet weg te dringen. Zoals steeds bleek de pen haar reddingsboei. “Zes maanden na de dood van mijn vader zei ik tegen mezelf: papa, ik ga je uit de dood opwekken. Om volwaardig afscheid te kunnen nemen. Ik wou hem laten herrijzen door hem zijn stem terug te geven, hem als het ware ook mijn leven ­schenken.”

Het is het zoveelste bewijs dat pen en papier in staat zijn om haar een levenslijn te bieden, denkt Nothomb. “Dat is het grote mysterie van mijn leven. Wat er ook gebeurt en hoe ongelukkig ik ook ben. Ook toen ging ik aan het schrijven, ook op dat moment zat er geen zand in de raderen. Alsof de machine door niets kon aangetast worden. En toen ik klaar was met het boek, had ik het gevoel dat hij er zelf vrede mee had. Ik had eindelijk ­adieu kunnen zeggen.”

Maar hoe zit het met de waarheidsgetrouwheid van haar vaderhommage? Nothomb geeft toe dat ze wel een en ander moest fabuleren. Want er prijkt op Bloedlijn wel degelijk het etiket ‘roman’ en niet ‘biografie’. “Ik heb er nooit aan gedacht om iets uit mijn duim te zuigen. Hij had een spectaculair leven, dus er lag best veel verhaalstof: het verlies van zijn vader, die op een landmijn liep, opgroeien in eenzame weelde in Brussel, zijn jeugd op een kasteel vol vergane glorie in de Ardennen, zijn diplomatieke carrière… Ik kon niet alles vertellen. Ik heb streng geselecteerd.

“Wat ik verzonnen heb, dat zijn zijn gevoelens. Want mijn vader behoorde tot de generatie die nooit over hun emoties praatte. Zelfs in zijn boek over de geruchtmakende periode in Congo, Dans Stanleyville, hield papa de kiezen op elkaar over wat het precies bij hem had teweeggebracht. Alleen maar de feiten. Geen sentimenten, geen spatje emotie, daar hield hij zich aan.

“Ik wou Bloedlijn ook schrijven om me in te beelden welke emoties mijn vader had doorstaan. In feite gaat mijn roman over alles wat hij nooit heeft gezegd. Toch moest het geloofwaardig zijn. En het werkte, kennelijk. Toen mijn moeder voor het eerst Bloedlijn las, vond ze dat haar man was herrezen. ‘Mais c’est Patrick!’, zei ze. Dat was het mooiste compliment ter wereld. Ze raadt het nog steeds aan al haar vrienden en vriendinnen aan.”

‘Mijn vader stierf op de eerste dag van de lockdown aan een hartaanval. Ik kon niet naar zijn begrafenis, het was ‘une horreur’.’ Beeld Pascalito
‘Mijn vader stierf op de eerste dag van de lockdown aan een hartaanval. Ik kon niet naar zijn begrafenis, het was ‘une horreur’.’Beeld Pascalito

Had u dit boek kunnen schrijven toen hij nog in leven was?

“Nee, zeker niet. Ik heb het er met hem ook nooit over gehad. Ik zou dat niet gedurfd hebben. Mijn vader moest sterven voor ik me zoiets kon inbeelden. En wat me het meest interesseerde, was zijn leven toen ik zelf nog niet geboren was, voor 1966 dus. Daar heb ik de klemtoon op gelegd. Een ­leidraad was ook het motto van Sacha Guitry: ‘Mijn vader is een groot kind dat ik heb gekregen toen ik klein was.’

U opent het boek met de zeer prangende scène waarbij uw vader als jonge diplomaat tijdens de gijzeling in Stanleystad voor het vuur­peloton wordt gebracht. Pas daarna gaat u ­terugblikken op zijn jeugd. Waarom?

“Omdat het zijn eerste rendez-vous met de dood was. En vreemd genoeg heb ik mijn eigen leven te danken aan die gebeurtenis. Omdat hij ze overleefde, natuurlijk. Maar ook omdat hij zonder die aanraking van de dood nooit een derde kind had gewild. Daarna was er opnieuw die impuls, de roes van de overlever.”

U beschrijft uw vader aanvankelijk als een ­redelijk ingetogen, schrander jongetje dat ­opgroeit tussen oudere mensen.

“Ja, die indruk klopt. Hij was eerder zwijgzaam, ja. Hij was gezegend met een bijna extreme pudeur, wou nooit iemand bruuskeren. In familiekring hoorde je hem nauwelijks. Daarvoor was hij te bescheiden. Het was moeilijk om hem te doorgronden, dat geef ik grif toe. Hij was een van de meest minzame mensen ter wereld én daardoor ongelooflijk geliefd. Patrick Nothomb was een man zonder vijanden, door vrijwel iedereen op handen gedragen.”

Toch was hij al snel verplicht om zijn eloquentie aan te wenden bij de gijzeling in Stanley­stad, waarbij hij als jonge diplomaat onderhandelde met de Simba-­rebellen die in 1964 de Volksrepubliek Congo wilden uitroepen. Hij moest vijftienhonderd gijzelaars zien vrij te krijgen. ‘Ik was een hedendaagse versie van Sheherazade: het leven van mijn landgenoten hing af van mijn welbespraaktheid’, laat u hem zeggen.

“Dat is inderdaad een van zijn talloze paradoxen. In zijn functie als ambassadeur moest hij enorm veel mensen ontvangen en hij deed dat met veel gratie. Hij wist zijn publiek te charmeren. Hij was op zo’n moment een wereldse man met een wonderbaarlijke welsprekendheid die ook zijn leven gered heeft, zeer zeker. Misschien omdat hij ook enige sympathie kon opbrengen voor de verzuchtingen van de Simba-rebellen, dat valt niet uit te sluiten.”

“Zijn toewijding en welwillendheid als diplomaat waren immens groot”, zingt Nothomb verder de lof, met een ontroerde glans in de ogen. “Hij draaide er ook zijn hand niet voor om op missie te gaan in landen waar de situatie moeilijk was, zoals in Bangladesh. Maar mijn vader vond dat land fantastisch én hij heeft veel gedaan voor de ontwikkeling ervan. En hij stond erop om elke Belg die er aankwam hoogstpersoonlijk op de luchthaven op te wachten én te verwelkomen.”

Nog iets dat u beklemtoont: zijn joie de vivre. ‘Ongelofelijk want ongepast: om mij heen heerste verdriet. Ik was acht maanden oud toen mijn vader omkwam bij het onschadelijk maken van een mijn. Sterven is met andere woorden een familietraditie’, zo staat het er vroeg in Bloedlijn. Het verlies van zijn vader zette geen rem op die levenslust. Hoe komt dat, denkt u?

“Het contrast met zijn moeder, die de dood van haar echtgenoot totaal niet verwerkte en vluchtte in kleren en soirees, is immens. Mijn vader had geen sprankeltje koketterie in zich. Misschien was zijn levensvreugde misplaatst. Maar ik kan niet anders bedenken dan dat het gewoonweg zijn natuur was. En ik moet bekennen dat allebei mijn ouders nogal positief ingestelde karakters waren. Mij was dat vreemd, ik had een eerder melancholieke natuur. Mijn moeder worstelde daarmee. Ze drukte me op het hart: ‘Je hebt niet het recht om droevig te zijn, het leven is wonderlijk. Waarom ben je zwaarmoedig?’ Later is dat gebeterd. Dus er is toch iets van blijven hangen.”

Ondanks de rist onthutsende en soms gruwelijke gebeurtenissen behoudt uw stijl weer een zekere lichtheid. Hoe fikst u dat toch telkens weer?

“Tragedies moet je nooit te zwaar opdissen, toch? Het is een onderdeel van mijn stijl, hè. Misschien heb ik dat ook wel van mijn vader. Als hij vertelde over turbulente situaties, dan deed hij dat met een zekere lichtvoetigheid. Het is ook een manier om afstand te nemen. Het ergste dat je volgens mijn grootouders kon doen, was te laten zien dat je lijdt. Afzien, oké, maar men heeft niet zomaar het recht om dat te tonen. Volgens hen was dat de grootst denkbare onbeleefdheid. Dat was hun vorm van zelfbescherming.”

Minstens even prangend als de pagina’s over de gijzeling is de inkijk die Nothomb biedt in het leven op kasteel Pont d’Oye, de plek in de Ardennen waar haar vader als jonge snaak naartoe gestuurd werd, weggerukt uit de besloten, rijke maar afstandelijke Brusselse wereld van zijn moeder. Het was Patricks grootvader Pierre Nothomb, de cerebrale dichter, die op Pont d’Oye de plak zwaaide, en die in Bloedlijn met veel gevoel voor karikatuur is neergeborsteld. Pierre Nothomb is pompeus vol van zichzelf en spreekt de onsterfelijke woorden: ‘Rabarber is verfrissend voor de ziel.’ De hoogdravende Pierre componeerde aan de lopende band karamellenverzen en legde ondertussen zijn dertien kinderen een uithongeringsregime op. Toch zwichtte Patrick voor de rabarber: ‘Aan die tijd heb ik een bijzondere voorliefde voor dat vezelige, sympathieke gewas overgehouden.’

Want inderdaad, Amélies vader vond Pont d’Oye een paradijselijke omgeving. Hoewel hij voor de andere kinderen een makkelijk mikpunt bleek: ze dwongen hem gedichten van Pierre uit het hoofd te leren, hij fungeerde als levende schietschijf bij het voetballen of ze plunderden zijn koffers met het meegebrachte Brusselse lekkers. De gruwelen van de kindertijd, het is een vaak geëxploreerd thema bij Nothomb. Zelf verbleef Amélie Nothomb op haar zeventiende een zomer lang in Pont d’Oye. “Ik heb enorm veel verhalen over het landgoed gehoord”, zegt ze. “Niet zozeer via mijn vader, maar via mijn moeder, mijn tantes en mijn neven en nichten.” Het domein is nog steeds bewoond door een deel van de familie, maar het is nu ook een conferentie- en ontmoetings­centrum.

“Gek genoeg heeft mijn vader zijn jeugd altijd geïdealiseerd. Een normaal kind dat zoiets doormaakt, zou misschien wel achttien jaar psychoanalyse nodig hebben. Maar voor hem was het het beste wat hem kon overkomen, omdat hij uit het overbeschermde Brusselse milieu kon ontsnappen. Hij vond er een zekere vrijheid. Hij belandde in wat je de verarmde adel mag noemen, de aristocratie désargentée. Hij viel er altijd op ­terug, het was voor hem een mythische plek. Maar vandaag zo’n jeugd meemaken? Dat zou een rampscenario zijn. Ja, de tijden zijn veranderd.” (lacht)

U omschrijft het overleven van de kindertijd op het kasteel als ‘een bijna darwinistische affaire’.

“Ik denk niet dat ik lieg of overdrijf! Mijn overgrootvader Pierre had dertien kinderen. Twee ervan zijn daadwerkelijk overleden aan ondervoeding. De kinderen moesten zich tevredenstellen met de tafelrestjes. En met rabarberstronken. Geen grap, hè. Ze waren het nog niet waard om aan tafel te zitten. Daarvoor moesten ze de volwassenheid afwachten. En dat kon lang duren. Dan was er nog de winterse koude. Slechts één ruimte in het kasteel werd verwarmd, de shtouf zoals dat in het plaatselijke dialect heette, en daar moest iedereen dan bij elkaar kruipen. Maar in de slaapzaal was het ijzig koud. Ach, je mag niet vergeten dat anno 1940 in de Ardennen eigenlijk de negentiende eeuw nog aan de gang was. En er heerste ook een gigantische kloof tussen het platteland en de stad.”

Niet iedereen in de familie toonde zich even happy met Bloedlijn als de vrijwel unaniem lovende Franse critici en verrukte lezers. Twee oudere telgen uit de Nothombs schreven zelfs vrije tribunes in Waalse kranten om Amélies portret van Pont d’Oye en Pierre bij te sturen. Nothomb maakt er zich niet druk om, ze is wel gewend aan wat weerwerk. Bij haar vorige boek over Jezus kreeg ze de wind van voren van katholieke scherpslijpers én integristen. “Er waren inderdaad een paar wanklanken. Maar ben ik te kwaadaardig of te streng ten opzichte van Pierre? Nee, toch. Ik vind het eerder een sympathiek portret. En grappig, dat wel.”

null Beeld rv
Beeld rv

Grootvader Pierre had veel gezichten. Hij was een charmeur die mensen het gevoel kon geven dat ze belangrijk waren. “Maar hij dwarsboomde het huwelijk van mijn vader met mijn moeder, die hij niet goed genoeg achtte voor de illustere Nothomb-­familie. Net daarom beschrijf ik hoe authen­tiek en mooi hun liefde was. En toch standhield.”

Nothomb beleeft als schrijfster opnieuw glorieuze jaren, na een paar dipjes. Nadat Dorst – over het leven van een aan het kruis bungelende Jezus, door hemzelf verteld – tot haar beste boeken werd gerekend, kreeg Bloedlijn volop literaire erkenning. Ruim tweeëntwintig jaar nadat ze de Grand Prix du roman van de Académie française kreeg toegekend voor Stupeur et tremblements, ontving Nothomb in november 2021 de Prix Renaudot. De Renaudot is na de Prix Goncourt zowat de belangrijkste Franse literaire prijs. “Een groot genoegen, een feest”, vond ze het. Toen ze het nieuws hoorde, hier in dit eigenste bureau, riep ze uit: “Papa, we hebben hem!” Maar daar bleef het niet bij. Recent kwam daar nog in Italië de Premio Strega bij. Ze glimt nog na van trots. “Met de Strega ben ik uitzonderlijk blij, zo mogelijk nog prestigieuzer dan de Renaudot, die al onvergetelijk was. In Frankrijk hebben literaire prijzen nog steeds veel macht en aanzien én effect op de verkoop. En ik merk vooral dat vaderboeken heel wat losmaken, ook bij mensen die een moeilijke verhouding met hun ouders hebben.”

Zou uw vader trots zijn geweest, denkt u? Heeft hij uw literaire esbattementen altijd ­aangemoedigd?

“Hij was fou de bonheur toen ik debuteerde. Je mag hem gerust mijn grootste supporter noemen. Hij was onwaarschijnlijk trots, wie weet nog gelukkiger dan ikzelf met mijn succes. En, geloof me, dat is een privilege. Meestal is het andersom. Van mijn literaire collega’s heb ik talloze horrorverhalen gehoord over ouders die hen dwarsboomden. Vaders die weigerden hun boeken te lezen én er met een boogje omheen liepen. Of die hen toewierpen: ‘Je boeken zijn waardeloze prullen.’ Of hen lieten verstaan: ‘Ik had het ongetwijfeld veel beter gedaan dan jij.’ Bij mij was het precies omgekeerd. Mijn vader adoreerde mijn boeken, op bijna hartstochtelijke wijze. Ik heb daar veel geluk mee gehad.”

Was er dan nooit een vuiltje in de lucht tussen jullie?

“Af en toe wel. Natuurlijk hadden we tijdens mijn puberteit discussies. Ik ben een normale persoon, hij was dat ook. Dus het zou wel erg gek zijn als we elkaar nooit in de haren waren gevlogen. Maar over cruciale kwesties waren we het zelden oneens.”

Welke eigenschap van uw vader bewonderde u het meest?

“O, daar moet ik niet lang over twijfelen. Mijn vader was onwaarschijnlijk moedig. Wat hij tentoongespreid heeft in Stanleystad, dat blijft bijna onvoorstelbaar. Ik zou het zelf niet aankunnen, ik zit hier al te beven bij de gedachte alleen al. Stel je voor, die gijzeling heeft vier maanden geduurd, dat kon zelfs jaren aanslepen. En hij was bereid om dat tot het bittere einde te doorstaan. Dat is uiterst bewonderenswaardig.”

Met Bloedlijn heeft Nothomb het gevoel dat ze de nalatenschap van haar vader vereffend heeft. Maar hoe zit het bij haarzelf? Heeft ze bijvoorbeeld een vastomlijnd plan over wat er na haar dood met haar manuscripten moet gebeuren? Even wou ze zelfs een legaat doen aan het Vaticaan. “Ik hoop natuurlijk dat het niet dringend is”, lacht Nothomb, die in oktober 2020 door een nepaccount op Twitter weleens kortstondig dood is verklaard.

“Ik heb wel mijn voorzorgen genomen. Mijn ongepubliceerde manuscripten mogen niet gepubliceerd maar ook niet vernietigd worden. Tenslotte zijn ze evengoed mijn kinderen. En het is nogal tegennatuurlijk om je kinderen te doden, toch? Daarom moet mijn testamentair executeur al mijn onuitgegeven romans in een blok van hars gieten. Het is een van de weinige ondoordringbare materies die papier ook beschermen, zonder het te vernietigen”, denkt Nothomb, die geen zin heeft in een soort Max Brod die haar manuscripten na haar dood toch zonder toestemming de wereld binnenloodst.

“Waarom zou ik nog meer publiceren dan datgene wat ik zelf wou? Dat zou een aberratie zijn. Akkoord, Max Brod had gelijk om de manuscripten van Franz Kafka te redden, met zo’n kwaliteit. Maar bij mij zou het geen goed idee zijn, echt waar.” Nothomb wuift plots de gedachte weg: “Ach, ik hoop nog jaren en jaren aan dit ritme te kunnen doorgaan.” Ondanks die pijnlijke schouder? “Natuurlijk!” (schaterlach) De daad heeft ze al bij het woord gevoegd: begin september komt Nothomb al met haar nieuwe jaarlijkse worp, Le livre des sœurs, waarin fusionele zusterliefde centraal staat.

Amélie Nothomb, Bloedlijn, Xander Uitgevers, 170 pagina’s, 20,99 euro. Uit het Frans vertaald door Marijke Arijs.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234