Woensdag 17/08/2022

InterviewBartees Strange

Bartees Strange schopt u een geweten op Rock Werchter: ‘Ik wilde de muziek van The National bekijken door een zwarte lens’

null Beeld Luke Piotrowski
Beeld Luke Piotrowski

De Amerikaanse songwriter Bartees Strange debuteerde twee jaar geleden op zijn 31ste, maar voorts beschikt de man over een feilloos gevoel voor timing. Twee weken voor zijn eerste Europese tournee, die ook Rock Werchter aandoet, brengt hij zijn tweede plaat Farm to Table uit. In augustus mag hij op tournee met The National, de band waarvan hij twee jaar geleden nog een ep vol covers opnam.

Jasper Van Loy

Sinds Bartees Strange zich aan de wereld liet zien als liefhebber en verdienstelijk coveraar van The National tourde hij met Lucy Dacus, Phoebe Bridgers en Courtney Barnett. Zijn nieuwe plaat komt uit op 4AD, het excellente label dat naast The National ook Big Thief, Deerhunter en Future Islands huisvest. Maar dat alles is nog geen reden om Strange zomaar bij de indie-artiesten te scharen. Op Farm to Table hoor je zeker gitarige weemoed (‘Hold the Line’), maar evengoed iets met autotune dat op een plaat van Mykki Blanco zou kunnen staan (‘Cosigns’) en een puur popnummer dat van Sam Smith had kunnen zijn (‘Wretched’). Zelf spreekt Strange, in het verleden nog federaal persmedewerker onder de regering-Obama, graag over americana, maar dan wel in zíjn betekenis van het woord: ‘Een mengeling van alle Amerikaanse muziek waar ik fan van ben: hiphop, noise, soul, r&b, blues, jazz, country...’

Ik wil het eerst nog over je vorige plaat en debuut Live Forever hebben. Daar staat namelijk het nummer ‘Flagey God’ op. Als in: het Flageyplein in Brussel. Hoe zit dat?

“Een jaar of zeven geleden moest ik in Duitsland zijn voor mijn werk. Het was een uitputtende baan, ik speelde in een paar aanmodderende bands... Op dat moment kon mijn leven, om het zacht uit te drukken, wel wat richting gebruiken. Net toen werd ik uitgenodigd door een Duitse vriendin die in Brussel woont. Daar heb ik een week gedronken, gegeten, gerookt en gefeest. Het was een magische tijd, plots had ik weer het gevoel dat alles mogelijk was. Brussel is heel belangrijk voor mij geweest.”

Heb je een favoriete plek in Brussel?

“Ja, maar ik weet de naam niet meer. Het enige wat ik mij herinner, is dat het een kelder was met pluchen zetels. Er speelde jazz, het zag eruit als een gewoon woonhuis en de aankleding deed victoriaans aan. Een heel romantische plek.”

Had die bevrijding je in elke stad kunnen overkomen?

“Ik voelde me in Brussel alleszins erg aanvaard, al had dat natuurlijk ook te maken met de vriendin die me had uitgenodigd. Maar de Brusselaars hebben me heel warm ontvangen. Het is een heel diverse stad, dat wist ik helemaal niet. Het is geweldig om ergens te zijn waar niemand je kent en je toch niet vreemd of anders te voelen.”

Wij noteren: zonder Brussel geen Bartees Strange. In het anderhalf jaar tussen Live Forever en Farm to Table tourde je met Lucy Dacus én bracht je nog wat losse singles uit. Waarom moest er zo’n vaart achter zitten?

“Ik maakte de eerste opnames voor Farm to Table op de dag voor de release van Live Forever. Ik was erg trots op die plaat en wilde vanuit dat gevoel meteen aan een opvolger werken. Achteraf is corona mijn geluk gebleken: ik krijg waarschijnlijk nooit meer de kans om anderhalf jaar in alle rust aan een album te werken.

“De farm in Farm to Table is de boerderij waar ik ben opgegroeid. Ik stam af van zwarte mensen uit het Zuiden, boeren en bluesmuzikanten. Mijn moeder was een onwaarschijnlijke operazangeres, haar oom een begenadigd bassist... Van hen heb ik geleerd wat hard werken is. Als je mij ziet spelen, zie je ook hen en al mijn voorouders die zich een weg uit de slavernij hebben gespeeld. Zij hebben nooit de kans gehad om van hun muziek te leven.

“Nu heb ik, een jongen van de boerderij, wél a seat at the table. De plaat vat die twee personen samen: ik ben me bewust van mijn bevoorrechte positie, maar ik wil ook de mensen met wie ik ben opgegroeid dicht bij mij houden. Dat ik wat bekender word of met grote muzikanten op tournee ben, verandert daar niks aan. Alles wat ik schrijf en zing, komt vanuit mijn positie als zwarte man, maar de muziek is voor iedereen bedoeld.”

In ‘Tours’ zing je over de tijd die je alleen thuis doorbracht, terwijl je ouders weg waren.

“Mijn vader was als militair vaak op missie, mijn moeder was altijd weg om op te treden. Ooit nam ik me voor om zo niet te worden: ik zou mijn familie nooit zo lang achterlaten. Maar intussen sta ik op het punt om op tournee te vertrekken naar Europa.

“Pas als je opgroeit, besef je hoeveel je op je ouders lijkt. Ik snap nu dat ze zoveel buitenshuis waren omdat ze dat graag deden. Later wil ik zelf graag kinderen, maar ik wil dat zij een vader hebben die achter zijn dromen aan gaat.”

Nog vóór Live Forever bracht je Say Goodbye to Pretty Boy uit, een cover-ep met alleen nummers van The National. Waarom?

“Mijn plaat was toen al af en het leek me gewoon een goede manier om mezelf te verbeteren als arrangeur en mensen nieuwsgierig te maken naar mijn muziek.

“Ik zag The National voor het eerst in Tulsa, Oklahoma, tijdens de tour bij hun plaat ‘Boxer’. Een vriend had me de muziek aangeraden en die vond ik goed, maar hen live zien? It blew my mind. Het enige waar ik triest van werd, was dat ik de enige zwarte man in de zaal was. Zwarte Amerikanen hebben enorm veel bijgedragen aan alle vormen van populaire muziek, ook aan de rock. Maar terwijl zwarte artiesten wél lange, duurzame carrières hebben in de pop of rap, zie je ze amper in de gitaarmuziek. Da’s best maf als je weet wat mensen als Chuck Berry en Jimi Hendrix daartoe hebben bijgedragen. Er zou vandaag echt niets verrassends meer mogen zijn aan een zwarte man die gitaar speelt.

“Toen ik TV On The Radio zag spelen, met hun zwarte frontman Tunde Adebimpe, veranderde mijn leven. Ik wil hetzelfde kunnen betekenen voor zwarte jongeren van nu die van rock houden en denken dat ze de enige zijn. Een rockscene zonder zwarten negeert niet enkel het verleden, maar ook de toekomst. Daarom kregen mijn covers van The National nog een tweede betekenis: het is niet alleen muziek die ik mooi vind, het is ook één van de grootste indiebands door een zwarte lens bekeken.”

Matt Berninger, frontman van The National, was 36 toen hun wereldwijde doorbraakplaat Boxer uitkwam. Jij bracht je debuutplaat uit op je 31ste. Een voor- of een nadeel?

“Absoluut een voordeel. Toen ik jonger was, had ik de smaak noch de vastberadenheid om een carrière te ontwikkelen. Ik ben slimmer geworden, heb meer zelfvertrouwen... Bovendien heb ik in de loop van de jaren vrienden ontmoet die me helpen met mijn muziek.

“The National is ook echt mature muziek, gemaakt voor de geest. Neem een nummer als ‘Brainy’, dat is klassieke muziek zonder dat het als klassieke muziek klinkt. Daar ben ik in het begin voor gevallen, daarna werd ik verliefd op de teksten die Matt samen met zijn vrouw schrijft. Wat een mooie manier is dat om samen muziek te maken! Nog later ben ik alles te weten gekomen over hun lange weg naar het succes en hoe hard ze hebben gewerkt voor de status die ze vandaag hebben. In mijn ogen belichaamt The National het belang van hard werken en geduld. Enfin, ik kan uren over hen praten.”

Farm to Table is uit bij 4AD. Bartees Strange speelt op zondag 3 juli op Rock Werchter.

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234