Zondag 02/10/2022

InterviewHilde Van Mieghem

Hilde Van Mieghem: ‘Ik schreef die vrijscènes ook om mannen te zeggen: heren, zo wordt een vrouw graag bemind’

Hilde Van Mieghem: ‘Ik schold mijzelf uit over hoe slecht de tekst was en dan ging ik wandelen en zag ik bij terugkeer dat het toch wel iets voorstelde.’ Beeld Joris Casaer
Hilde Van Mieghem: ‘Ik schold mijzelf uit over hoe slecht de tekst was en dan ging ik wandelen en zag ik bij terugkeer dat het toch wel iets voorstelde.’Beeld Joris Casaer

Ze liet het verhaal twintig jaar rijpen en schreef het in haar hoofd wel honderd keer, maar nu is die roman er dan toch. Na actrice, filmmaker en scenariste mag Hilde Van Mieghem zich ook auteur noemen. ‘Zonder mijn column in de krant was ik er wellicht niet aan begonnen.’

Mark Coenen

In haar smaakvol ingerichte huis in het centrum van Antwerpen hangt naast veel kunst en foto’s van kinderen en kleinkind, ook een prachtige zwart-witfoto van Sophia Loren, grote dame van de Italiaanse cinema, die twee jaar geleden op haar zesentachtigste nog de hoofdrol speelde in een film. Ik zie het Hilde Van Mieghem zelf ook nog doen.

Ze acteert, regisseert, maakt films en documentaires (recent nog Als je een wist voor Canvas) en schreef scenario’s. Maar om te debuteren in de literatuur wachtte ze tot haar vierenzestigste. Dat doet ze meteen door de grote poort, met een meeslepende familiesaga over drie vrouwen die overeind proberen te blijven in moeilijke tijden — het speelt zich af tussen 1920 en 1964 — en daar elke op hun eigen manier in slagen, maar niet zonder slag of stoot.

Het is een spannende maar tragische liefdesroman met talloze cliffhangers die zich afspeelt in het Antwerpen van de vorige eeuw, met een verhaallijn die voor een deel is gebaseerd op de geschiedenis van haar eigen familie.

BIO • Antwerpen, 14 april 1958 • actrice, auteur, regisseuse, scenariste • studeerde aan Studio Herman Teirlinck • was te zien in o.m. Vrijdag, Blonde Dolly, Moeder, waarom leven wij?, Alias en Tabula rasa • regisseerde o.m. De kus, Dennis van Rita, Smoorverliefd en Sprakeloos • schrijft wekelijks een column voor De Morgen • maakte voor Canvas drie docureeksen over mishandeling: Als je eens wist • heeft twee dochters, Sara en Marie Vinck, en een kleindochter

Haar uitgeverij De Arbeiderspers struikelt over de superlatieven en dat is voor één keer niet overdreven: als De drie duifkes geen geweldige zomerse bestseller wordt waarnaar later een televisieserie gemaakt zal worden, eet ik mijn hoed op. Van Mieghem schrijft zoals ze is: met veel emotie en empathie, strijdvaardig en met het hart op de juiste plaats.

Mijn eerste vraag kon dan ook geen andere zijn dan deze.

Waarom ben je in godsnaam 64 moeten worden om zo’n boek te schrijven?

“Uit pure angst. Omdat ik niet geloofde dat ik dat kon. Ik heb kasten vol met schriften, dagboeken en boekjes die bol staan van de aanzetten en filosofietjes, maar ik had een immens respect voor schrijvers, bewonder hen enorm en dacht eigenlijk: dat kan ik niet. Pretentieus en potsierlijk om dat te proberen, vond ik.

“En in een boek krijg je ook echt een stem: als ik Als je eens wist draai of een film, dan verstop ik mij altijd achter de anderen. Dat gaat niet met een boek. Dit is van mij, dit ben ik, ik kan mij niet meer verstoppen. Als dat boek gekraakt wordt, word ik gekraakt. Ik kan het niet meer op iemand anders steken. (lacht) Dat maakt mij zenuwachtig, ik voel me zeer kwetsbaar op dit moment.

“Pas toen ik de drukproeven zag, wist ik dat ik mij nergens voor hoef te schamen. Ik sta hier helemaal achter. Ik leg de lat altijd heel hoog en heb ook hier keihard aan gewerkt. Als ik iets doe, wil ik het ook geweldig goed doen. Dat is vermoeiend hoor. (lacht)

“De mensen van de uitgeverij hebben veertien jaar moeten wachten op dit boek. In 2008 moest ik een boek van Christophe Vekeman voorstellen en na afloop vroeg uitgever Peter Nijssen mij: ‘Schrijf jij wel vaker?’ Jaja zei ik, mijn kasten liggen vol. Ik had al eens een audioboek gemaakt over die Franse kok (Van Mieghem is ooit verkracht door een Franse kok. De man werd later veroordeeld, red.). Ik stuurde dat op en twee weken later stond Peter aan mijn deur en zei: ‘Gij moet schrijven’. Ik zei: maar ik heb twee kinderen, ik heb daar geen tijd voor. En Peter zei: ‘Ik zal je een voorschot geven’.

“Dat zorgde allemaal voor geweldig veel druk. Het geld was na een maand op, alle achterstallige rekeningen mee betaald. Maar ik was verlamd, kreeg geen letter op papier. Toen ik vijf jaar later een Duitse film deed die aardig opbracht, heb ik dat voorschot terugbetaald. ‘Ik wil ervanaf, het drukt te veel op mij.’ Peter nam dat niet aan en zei: ‘Ik neem het risico dat ik het geld kwijt ben. Maar als je ooit een boek schrijft, dan kom je naar mij.’

“Ik was bang om te publiceren: op den duur werd ook De Arbeiderspers daar zenuwachtig van. ‘Wat moeten we nu nog zeggen opdat je gaat geloven dat je het kunt?’, vroegen ze.

“Veertien jaar later is het eindelijk af. Dankzij mijn tv-werk kon ik mijn inkomen spreiden en vier maanden lang aan dat boek werken. Zo is het begonnen: ik ben naar Italië gegaan om te proberen.

“Maar dat was de hel, een geseling. Ik schold mijzelf uit van ’s morgens tot ’s avonds over hoe slecht de tekst was en dan ging ik wandelen en zag ik bij thuiskomst dat het toch wel iets voorstelde. Zo ging het de hele tijd. In die vier maanden schreef ik maar veertig bladzijden. Toen was ik zelf gebeten en dacht: zelfs als ze het niet goed vinden, ga ik gewoon door. Maar ze vonden het goed.”

Waarom moest je zo nodig dat toch dramatische verhaal van je familie schrijven?

“Toen ik veertien was, heb ik mijn oma urenlang geïnterviewd met zo’n oude Philips-bandopnemer. Ik wilde dat toen al bewaren, het verhaal van die jongen met wie ze niet mocht trouwen en dan die pathologische gierigaard van een man van haar, een boeman bij wie ze er toch in slaagde haar trots te bewaren — ik had een hele trotse grootmoeder.

“Ik kom uit een tijd waarin wij als meisjes niets mochten, en die verhalen van mijn grootmoeder sloten daar ook op aan: hoe zij niets mocht, dat herkende ik heel erg uit mijn eigen leven. Ik wilde zo graag dat ik een jongen was, niet omdat ik geen meisje wilde zijn, maar omdat die alles mochten en ik niets. Ik ben ook op internaat gestuurd omdat ik altijd met de jongens speelde en niet met de meisjes. Alles wat jongens deden, deed ik ook en dat kon niet in die tijd.

“Die verhalen zijn er bij mij ingelepeld. Ik zat altijd aan tafel bij de volwassenen om te luisteren naar hun verhalen, terwijl de andere kinderen buiten speelden. In die tijd zaten de vrouwen en de mannen apart en dan hoorde ik verhalen over seks en de oorlog en de terreur van hun mannen. Dat heeft op mij, als klein meisje, een ongelofelijke indruk gemaakt. Zeker de verhalen over die bompa, die zijn kinderen op een emmer liet plassen en met zijn lief in de cinema appelsienen ging eten: dat is echt gebeurd.

“Hij heette ook in het echt Octaaf: de namen van zij die dood zijn heb ik gehouden, alle andere heb ik veranderd. Tien procent van het boek is echt gebeurd, de rest is fictie.

‘Als kind hoorde ik de vrouwen hun verhalen over seks en de oorlog en de terreur van hun mannen. Dat maakte op mij een enorme indruk.’ Beeld Joris Casaer
‘Als kind hoorde ik de vrouwen hun verhalen over seks en de oorlog en de terreur van hun mannen. Dat maakte op mij een enorme indruk.’Beeld Joris Casaer

“Madeleine is mijn bobonne, Tine is mijn pleeggrootmoeder en Juliet is de echte moeder van mijn vader, die ik eigenlijk nooit ontmoet heb. Vuil Julie werd zij genoemd in Beveren, er waren vele verhalen over haar. Ze had acht kinderen, onder wie twee tweelingen. Eigenlijk wou ze die niet, maar die kwamen gewoon. In die tijd kochten die vrouwen maar kinderen, er waren geen voorbehoedsmiddelen. Wij beseffen niet meer wat voor verandering de komst van de pil heeft gebracht, maar dat was echt een revolutie voor de vrouw.

“Ik laat hun levens in het boek heel snel samenlopen. In werkelijkheid was dat niet zo, ze leerden elkaar pas kennen op het huwelijk van mijn vader en mijn moeder.”

Het is ook een verhaal van emancipatie van de vrouw in de vorige eeuw.

“Mijn mond viel open toen ik het schreef. Ik wist natuurlijk wel dat de rechten van man en vrouw helemaal ongelijk verdeeld waren. Je was als vrouw heel afhankelijk van je man. Als je een leuke echtgenoot had viel dat nog mee, maar als je zoals mijn grootmoeder een man had die je alleen wilde opsluiten, had je nul kans op een goed leven.

“En ondanks alles heeft ze een winkeltje met knopen en garen gehad, maar dat was pas op haar zestigste en daar heeft ze voor moeten vechten als een leeuwin. Dat kunnen wij ons nu niet meer voorstellen. Toch is het geen manifest of gefrustreerd feministisch boek, het gaat over vrouwen die zich aan het bevrijden zijn van hun mannen. Het is hun verhaal. Ze kwamen op voor zichzelf, dat was al werk genoeg.

“Vijftig jaar geleden zaten wij vrouwen hier ook nog in de middeleeuwen, hoor, alleen is iedereen dat vergeten. Dat de vrouw pas in 1958 handelsbekwaam werd geacht: dat is het jaar waarin ik geboren werd, hè. (fel) Het is toch niet te geloven dat je tot dan de toestemming van je man nodig had om te gaan werken? Mijn moeder is op dat moment opnieuw gaan studeren en mijn vader werd woest: dat hoorde zo niet.

“Zij is met haar drie kinderen examens gaan afleggen, wij moesten wachten in de gang, want mijn vader wilde niet op ons passen. Dat karakter had ze meegekregen van haar moeder, die haar kinderen en zeker haar dochters echt gepusht heeft om te studeren. ‘Zie dat ge nooit uw hand moet ophouden voor een man’, zei ze altijd.

“Mijn moeder had gezien hoe haar mama afzag van haar man. Die draaide het gas dicht als ze aan het koken was en zette de elektriciteit af als ze gingen slapen. Het was verschrikkelijk. Heel conservatief en katholiek. Zoals zovelen in die tijd trouwens.”

Uit het boek spreekt een beeld over mannen dat wel gekleurd is: er lopen heel wat klootzakken in rond, al zijn er ook een paar mooie exemplaren bij. Dat uit zich ook in sommige liefdesscènes, die dikwijls ook geen liefdesscènes zijn, maar bijna verkrachtingsscènes.

“Madeleine en Juliet worden verkracht in het boek. Maar langs de andere kant zeiden die van De Arbeiderspers dat de scène op het einde van het boek de beste vrijscène was die ze ooit gelezen hadden! En iedereen zegt dat het zo moeilijk is om over seks te schrijven. Ik vind dat helemaal niet zo moeilijk. (lacht) Al had ik wel schrik om het te schrijven, want zeker de laatste liefdesscène is bijzonder belangrijk, daar staat of valt het boek voor mij mee. Ik schreef die scènes ook graag om aan de mannen te zeggen: heren wilt ge dat eens lezen, zo wordt een vrouw graag bemind! (lacht) Met tederheid en tijd, niet erop en erover.”

Je geeft je, ook letterlijk, helemaal bloot in die scènes. Had je daar geen gêne over? Tegenover je moeder bijvoorbeeld?

“Nee, helemaal niet, ik kom uit een zeer geseksualiseerd gezin. Bij ons waren er drie thema’s: dood, seks en geld. Ik zie mijn moeder en mijn tantes nog altijd staan dansen met dat boek van Kinsey, over het orgasme van de vrouw. En dan riepen ze: ‘Ziedewel dat ook vrouwen kunnen klaarkomen? Wij weten al lang hoe we de doucheknop moeten gebruiken.’

“Ik was toen tien jaar en wist niet eens wat klaarkomen was! Ik wist niet waarover het ging, maar ik dacht toen wel dat seks heel belangrijk moest zijn.

“Zelf had ik met die directe taal over seks niet zoveel problemen, maar ik merkte later dat Marie (Vinck, een van haar twee dochters, red.) daar moeilijker mee om kon. Ik kom uit een gezin waarin de dominantie van de man reuzegroot was. ‘Hoe gaat gij ooit aan een vent geraken, met zo een vader’, zei mijn moeder altijd: de vader was de held en moest bewonderd worden. Je moet serviel zijn en tegelijk de man manipuleren, dat was de boodschap die ook de moeder van mijn grootmoeder haar gaf. Verzorg hem, sus hem in slaap met complimenten.

“Mijn grootmoeder moest elke dag haar man zijn voorverwarmde sloffen aandoen, als hij thuiswam van zijn werk, haar vingers krulden dan van afkeer. Zij heeft die man echt gehaat. Ze kon niet weg, ze zou haar kinderen kwijt zijn, ze kreeg geen frank, ze was totaal onvrij. Maar het is toch hopelijk ook een romantisch boek, vind je dat niet?”

Er staan prachtige romantische passages in, de grote verliefdheid van die twee koningskinderen die niet bij elkaar konden komen is prachtig en ontroerend, maar het is en blijft een tragisch verhaal. En het einde is echt een mokerslag.

“Ik kon het boek niet anders doen eindigen, anders was het niet geloofwaardig. Heel het boek gaat over het gevecht voor de liefde, die haar overeind houdt en dan is het zover en dan gebeurt er weer iets. Dat is verdrietig, inderdaad. Het is Romeo en Juliet, maar dan in Antwerpen. Het boek gaat, als was het een film, plots op zwart.” (lacht)

Het boek is vernuftig geconstrueerd en beschrijft het leven van de drie vrouwen tussen 1920 en 1964. Ik heb daar grote bewondering voor, voor mensen die zo’n gelaagd verhaal in de tijd zo naadloos in elkaar kunnen zetten.

“Al had ik de drie tijdslijnen van de vrouwen als eerste en als ruggengraat uitgeschreven, ik heb ook veel gevloekt en gepuzzeld en me ziek geteld om alles te doen kloppen, hoor. Ik ben dat gelukkig gewend, omdat ik veel in theater heb gewerkt en scenario’s heb geschreven: ik heb een dramaturgische basis die mij heel hard geholpen heeft voor de structuur van het boek. Ik ben doordrongen van opbouw, van turning points, van cliffhangers: dat zit in mijn genen. Ik beheers de kunst van het vertellen.

‘Ik wist hoe het boek moest eindigen, zo is het ook in het echt gegaan. Het is geen mooi einde, jammer genoeg: de liefde mag niet bestaan.’ Beeld Joris Casaer
‘Ik wist hoe het boek moest eindigen, zo is het ook in het echt gegaan. Het is geen mooi einde, jammer genoeg: de liefde mag niet bestaan.’Beeld Joris Casaer

“Het boek is wat het is omdat ik het zo lang heb laten rijpen en waar ik zo lang over heb nagedacht. Ik ben er niet onbezonnen aan begonnen: daar is twintig jaar aan voorafgegaan. Ik heb het misschien wel honderd keer geschreven in mijn hoofd. Het kwam er ook als één geut uit: gelijk een waterval. En ik wist ook hoe het boek moest eindigen, zo is het ook in werkelijkheid gegaan, al zit er tussen het einde van het verhaal van mijn grootmoeder en dat van mijn boek in werkelijkheid drie maanden. Het is geen mooi einde, jammer genoeg: de liefde mag niet bestaan.”

Je hebt een heel filmische manier van schrijven. Ik lees ook wel parallellen met De draaischijf van Lanoye.

“Oorlog is bij mij veel meer het decor voor het boek, ik schrijf het vanuit het standpunt van de zwijgende meerderheid. Bij Lanoye is het hoofdpersonage iemand die actief betrokken was, mijn personages ondergaan de geschiedenis en hebben op geen enkel moment impact op die gebeurtenissen. Het is in die zin helemaal anders dat het boek van Tom.

“Toen mijn kinderen mijn boek lazen, zeiden ze: dit gaat niemand van jou verwachten. Ik kan niet wachten tot de mensen het gelezen hebben. Ik heb ook echt meegelezen en mee ontdekt wat ik nog allemaal wist uit die tijd. Het is ongelooflijk hoeveel je daarvan onthoudt als je geheugen gekieteld wordt.

“Het boek deed zijn eigen zin met mij, ik liep achter mijn eigen verhaal aan. Het is alsof of er iets groters is dan jezelf en dat je hoofd daarvoor openstaat. Je geeft iets door, alsof je een prediker bent die Gods woord hoorde en daarover moest vertellen. En daarna ga je schrappen en voortschrijven. Ik had zoveel geschreven dat ik nog een half boek heb geschrapt, uiteindelijk. Maar dat lukte, alweer omdat ik door mijn scenarioverleden wist hoe schrappen iets sterker kan maken, al waren het heel leuke nevenverhalen. Ik zag door dat schrappen het verhaal ook als een parel naar boven komen, alle ruis werd weggehaald en het werd het verhaal van die drie vrouwen.”

Ik ken weinig mensen die zovele genres beheersen: je acteert en regisseert, schrijft columns en scenario’s, maakt films en documentaires.

“Toch is dat voor mij allemaal hetzelfde: ik vertel een verhaal. Dat doe ik al veertig jaar, alleen in verschillende disciplines. Ik schrijf al heel mijn leven en toen ik columns begon te maken voor de krant, wist ik dat er ook een publiek voor was. Ik durf bijna te zeggen dat zonder die columns mijn schrijfcarrière misschien wel niet gestart zou zijn. Plots was mijn verlammende schrijfangst weg en ging de kraan open. Alles wat jaren lag te borrelen kwam naar boven omdat die barrière weg was. Ik had duidelijk veel tijd nodig om zover te komen. Ik had een heel laag zelfbeeld.

“Mijn moeder zei dat ik niets kon en dat er van mij niets ging komen. Ook voor mijn vader was een meisje iemand die op haar achttiende naar een bal ging om daar een rijke man op te scharrelen. Zo werd er over vrouwen gesproken.

“Op mijn zestiende wilden mijn ouders mij op internaat sturen in Zwitserland om een perfecte gastvrouw te worden. Ik zie ze nog liggen, de folders uit Lausanne. Het was bij ons nog echt de jaren vijftig. Toen mijn vader de eerste keer de Beatles zag, zei hij: als ooit een van mijn zoons zo’n haar heeft, onterf ik hem. Langs de andere kant was mijn moeder wild en progressief: wij waren barbaren, maar naar buiten toe moesten we ons gedragen. Kop noch staart kreeg ik eraan: je wist nooit wat de gevolgen waren van wat je deed, en dat wat heel verwarrend voor mij als kind.

“Ik moest op mijn twaalfde meedansen in Het zwanenmeer op school. Mijn ouders hebben heel de weg naar huis gelachen en gezongen over mijn rijstpapbillen en mijn rijstpapgat. Iedereen plat, terwijl ik zo mijn best had gedaan om dat dansje te doen.

“Nu snappen ze wel dat ik een specialleke ben, maar ik heb nooit echt complimenten gehad over wat ik bereikt heb. Toen ik actrice wilde worden, citeerde mijn vader Wim Sonneveld: ‘Artiesten! Viezeriken! Die smeerlappen die op het toneel nog minder dragen dan in bed!’ Een hoerenberoep, vond hij het. Ik moest advocaat worden, maar ik deed ingangsexamen bij Studio Herman Teirlinck en was nog geslaagd ook. Toen moest ik thuis weg, ik kreeg geen frank meer.

“Ik ben actrice geworden omdat ik dacht: dat kan ik. Ik wilde toen al schrijven, films maken, regisseren, dingen bedenken en doen. Dat is heel de weg geweest naar dit boek ook: dat ook dúrven. En toen kwam Hugo (Claus). In één klik was alles anders: ik was iemand die niets kon en plots ontdekte de grote Claus mij.

“Toen ik hem later vroeg wat hij in mij gezien had, zei hij: ‘Ik herkende mijzelf in jou’. Terwijl ik dikwijls niet eens mocht meedoen, ik was gestraft: je wilt niet weten hoe dikwijls dat gebeurd is. Ik was de ambetante flamboyante. Druk en tegelijk onzeker.

“En nu ben ik bijna mensenschuw. Ik kom niet graag buiten. Onder de mensen komen is voor mij werken, ik word daar moe van. Ik ben eigenlijk een timide vrouw die op bepaalde momenten ook extravert is. In die zin houdt dat schrijven zelfs een gevaar in.

“Om een voorbeeld te geven: ik ben zwaar verslaafd aan Cola Zero. Heel erg. Mijn grootste genot is in bed liggen lezen en een Cola Zero drinken. (schatert) Maar als ik schrijf, vergeet ik dat helemaal. Dan verwaarloos ik alles: mijn administratie, mijn kinderen, mijn Cola Zero... Ik besta alleen maar in dat schrijven en dat is fantastisch, maar soms ook beangstigend. Ik verdwijn totaal in dat boek.”

Elk boek gaat ook over diegene die het geschreven heeft, denk ik. Madeleine heeft iets diep tragisch: als haar man dood is en ze eindelijk verder kan met haar grote liefde laat Van Mieghem haar denken: ‘Ze had verwacht dat ze meteen haar leven verder zou kunnen zetten met Duck, maar sinds de dood van Octaaf was ze ten prooi gevallen aan een grenzeloos verdriet. Ze rouwde. Niet om Octaaf, maar om al de tijd die voorbijgegaan was. Om het feit dat er niets meer overbleef van de vrouw die ze was toen ze in 1920 in Ducks armen lag.’ Madeleine is een romantische ziel die passioneel naar iets zoekt dat ze nooit zal vinden. Wat Hilde Van Mieghem zelf ook is, denk ik dan een beetje stout.

‘Ik schreef die vrijscènes ook om aan de mannen te zeggen: heren, wilt ge dat eens lezen, zo wordt een vrouw graag bemind.’ Beeld Joris Casaer
‘Ik schreef die vrijscènes ook om aan de mannen te zeggen: heren, wilt ge dat eens lezen, zo wordt een vrouw graag bemind.’Beeld Joris Casaer

“Ik loop er niet onder gebukt, maar ik begrijp wat je zegt”, zegt ze. “Zeker op liefdesgebied. Ik vind het wel heel erg dat ik geen goeie man of vriend heb, maar ik blijf hopen dat het ooit zal lukken.”

Een eerste boek schrijven is moeilijk. De Amerikaanse schrijver John Grisham zegt: ‘Als ik een boek heb geschreven kan ik het een tijd niet meer zien’. Had jij dat ook?

“Ik heb vooral het gevoel dat ik drie jaar aan een stuk heb gewerkt en nu het boek klaar is, valt dat helemaal van mij af. Ik loop daardoor nu compleet verloren. (lacht) Maar ik ben al bezig met mijn volgende boek, hoor. Over een operazangeres. Ik ben nu al aan het researchen en volg zelfs zangles. (lacht)

“Ik heb vijf of zes boeken in mijn hoofd en die wil ik allemaal nog schrijven. Dat is het enige nadeel van te debuteren op je 64ste: dat je de dood in je nek voelt en denkt komaan, ik moet voortdoen, anders komt het er niet meer van.”

Hilde Van Mieghem, De drie duifkes, De Arbeiderspers, 408 p., 24,99 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234