Zondag 25/09/2022

InterviewJean-Marie Aerts (T.C. Matic)

Jean-Marie Aerts (T.C. Matic): ‘Arno en ik belden weer geregeld. Hij zei dat hij content was over zijn leven’

Jean-Marie Aerts: ‘De laatste tijd belden Arno en ik weer geregeld. Hij was te weten gekomen dat ik ook kanker had. Ik ben wel blij dat we nog gepraat hebben. Hij zei dat hij content was over zijn leven.’ Beeld Koen Keppens
Jean-Marie Aerts: ‘De laatste tijd belden Arno en ik weer geregeld. Hij was te weten gekomen dat ik ook kanker had. Ik ben wel blij dat we nog gepraat hebben. Hij zei dat hij content was over zijn leven.’Beeld Koen Keppens

Jean-Marie Aerts (71) ademt belpopgeschiedenis. Als gitarist, songschrijver en producer was hij lid van T.C. Matic, vermoedelijk de invloedrijkste Belgische band aller tijden. Als producer zat hij achter de knoppen voor platen van De Kreuners, Raymond van het Groenewoud, Jo Lemaire, Luc Van Acker, Absynthe Minded, The Scabs en Urban Dance Squad. Zijn Fender Stratocaster, een afgeragd exemplaar uit 1963 dat hij voor ‘Putain putain’ omdraaide om aan de achterkant te bespelen, is wellicht de meest iconische gitaar uit onze vaderlandse geschiedenis. Met vurig verlangen kijken wij dus uit naar DOMEZTIK, zijn eerste soloplaat in twintig jaar.

Jurgen Beckers

Op bezoek bij Jean-Marie Aerts thuis in Aarschot neemt hij ons eerst mee naar zijn homestudio, waar hij oude opnames aan het digitaliseren is. Hij laat me een stukje van een oude T.C. Matic-repetitie horen. “Spult ne ker g’lek e’stès!” roept Arno. “Zoals de vorige keer”, zegt Aerts als hij mijn gefronste wenkbrauwen ziet. “Allee, doe mor.” Arno weer. Jean-Marie lacht: “Zo ging het altijd.”

Het is raar om de stem van de jonge, van levenslust barstende Arno te horen. Aerts zet een vroege demo van ‘Middle Class and Blue Eyes’ op. Arno ritmisch roepend en hikkend, Jean-Marie op de bas, aan de keukentafel met een ritmebox. Een refrein is er nog niet, het fundament overduidelijk wel. Als we naar de woonkamer op de eerste verdieping verhuizen, staan verse koffie, twee stoelen en Aerts’ legendarische Stratocaster klaar. Om duiding te geven en de vingers te laten spreken waar woorden tekortschieten.

Heeft corona ermee te maken dat je begin september, voor het eerst in twintig jaar, nog eens een soloplaat uitbrengt?

Jean-Marie Aerts: “Natuurlijk. DOMEZTIK: de titel zegt het. Ik zat thuis en verveelde me. Ik had een hoop opnames liggen, maar niks was afgewerkt. Op een dag heb ik één song afgewerkt, en zo is de bal aan het rollen gegaan. Ik ben met mijn goede vriend en producer Michel ‘Shelle’ Dierickx gaan praten, en die zei: ‘Doe dat maar zelf, jij weet het best hoe het moet.’ Ik heb het muziekprogramma Logic geïnstalleerd en het mezelf aangeleerd. De wereld van de plug-ins vind ik enorm boeiend. Je moet er de goeie uit zien te plukken en jezelf niet verliezen in de hoeveelheid en de mogelijkheden. Ik heb er redelijk snel mijn weg in gevonden, met behulp van Naomi Bentein, een studente aan het conservatorium in Gent van wie ik mentor was.”

Je bent ook al je oude opnames aan het digitaliseren.

“Veel achtsporentapes, dingen met DJ DNA van Urban Dance Squad. En dozen vol DAT’s, cd’s… En een hele doos met cassettes van T.C. Matic: repetities, demo’s, liveopnames. Veel dingen van Arno en mij samen aan de keukentafel, met een ritmebox en bas. Klinkt niet slecht, maar wat moet ik ermee?”

Uitbrengen?

“Ik denk wel dat er mensen in geïnteresseerd zouden zijn, maar Arno is er niet meer. Aan hem kan ik geen raad meer vragen, en in mijn eentje vind ik het heel moeilijk om te beoordelen wat interessant is en wat niet.”

Zit er nog iets van Urban Dance Squad in je archieven?

“Ongetwijfeld, maar zover ben ik nog niet.”

Er zou een versie van ‘No Kid’ bestaan die veel ruiger was dan de uiteindelijke single.

“Ja, maar die hebben we nooit opgenomen. Stom, hoor, want het was een fantastische versie, echt een geval van ‘we hébben het’. Maar we hadden het dus níét. De tape draaide, maar ze waren op de rode knop vergeten te duwen. Daarna hebben we het nooit meer zo goed gekregen, en dus hebben we het maar over een andere boeg gegooid.”

Heb je nog contact met de Squad?

“Alleen met DNA. Het enige contact dat ik de laatste jaren met Rudeboy heb gehad, was via jouw interview onlangs. Ik zag het staan en dacht: oei… Maar hij was heel vriendelijk, ik kwam er goed uit.” (lacht)

Bert Ostyn van Absynthe Minded noemde jou als producer ‘oldskool’. Enig idee wat hij daarmee bedoelde?

“Dat ik met mensen werk? En dat ik het beste uit hen probeer te halen? Ik denk dat ik, mede door mijn jarenlange ervaring, over vrij veel mensenkennis beschik. Ik zie doorgaans al op dag één waar problemen zouden kunnen ontstaan. Ik was onlangs voor een sessie bij Damso. Met drie producers zaten ze daar achter drie verschillende laptops. Ze laten de tape lopen en jij mag je ding doen. Later verknippen ze dat. Dat zal dan newskool zijn. Goed, hoor, maar ik werk anders.”

Wist je destijds al dat je met DNA zou blijven samenwerken?

“Nee, hij is pas opnieuw in beeld gekomen nadat mijn samenwerking met Arno was gestopt. Ik zat thuis en mijn vrouw Miet vroeg: ‘Waarom ga je niet op zoek naar muzikanten die je graag hebt, en met wie je graag iets zou doen?’ Ik heb altijd interessant gevonden wat DNA doet, en als ik hem iets stuur, doet hij er altijd iets goeds mee.”

De legende wil dat jij in het ziekenhuis gitaar bent beginnen te spelen.

“Ik was al uit het ziekenhuis. Ik had een ongeval gehad met een brommer, een blauwe 50cc Honda. Mijn been was verbrijzeld, ze hebben me binnengedragen in het café van de ouders van Paul Couter.”

De gitaar kreeg je cadeau van je zus?

“Ze had die meegebracht uit Spanje, waar ze op huwelijksreis was geweest. Gekocht in zo’n Spaans winkeltje. Goeie gitaar. Licht. Het was de periode van Jimi Hendrix. Ik weet nog dat ik in bed lag toen ze mij kwamen vertellen dat hij gestorven was, ik was nog niet hersteld van mijn ongeval. En vervolgens veel oefenen, hè. Elke dag. Ik heb het voornamelijk in mijn eentje moeten uitvlooien. Een mi-akkoord, dan een do, een re… Het eerste barré-akkoord was een doorbraak.” (lacht)

Jean-Marie Aerts: ‘Het eerste barré-akkoord was een doorbraak.’ Beeld Koen Keppens
Jean-Marie Aerts: ‘Het eerste barré-akkoord was een doorbraak.’Beeld Koen Keppens

Vóór je je roeping vond op de gitaar, ben je nog geneeskunde gaan studeren. Je vader achterna, die dokter was.

“Het was snel duidelijk dat dat niks voor mij was. Daarna ben ik naar het RITCS gegaan, wat ik ook niet zo interessant vond. Log. Een filmschool, maar als je een camera wilde, moest je eerst door een hoop administratieve rompslomp. In Brussel leerde ik wel mensen kennen en belandde ik in het artistieke milieu. ’t Vermiljoen, een legendarisch café op de Zavel, was de place to be. Iets verder naar beneden aan de kerk kon je ’s ochtends moules parquées eten, rauwe mosselen. Lekker! Even goed als oesters. Als je er zo een stuk of tien binnen had, kon je er weer tegenaan.”

“Niet veel later ben ik in Leuven beland. Iedereen zat daar, er gebeurde van alles en er werd constant gejamd in de cafés. De Leuvense scene is heel belangrijk geweest. Ik ben er Raymond tegengekomen, die me vroeg om op zijn eerste plaat te spelen, ‘Je moest eens weten hoe gelukkig ik was.’ Dan heb ik even bij Kaz Lux gezeten, en een jaar bij Johan Verminnen. Van Verminnen ben ik naar T.C. Matic gegaan, wat voor veel mensen een verrassing was: van een artiest die naam begon te krijgen naar het experimentele en onbekende T.C. Matic. Iedereen dacht: nu zijn we hem kwijt. Of zoals Lange Polle, die als jonge gast kwam luisteren naar de repetities van T.C. Matic, zei: ‘Ze zijn zot geworden.’ (lacht) Voor mij was het logisch. Ik ben bij Verminnen blijven spelen tot hij een vervanger had. Dat was Eric Melaerts. Ik denk dat ik sowieso te luid speelde voor Verminnen. Allee, voor Johan misschien niet, maar voor Tars Lootens zeker wel. (lacht) Mijn laatste optreden met Verminnen was in de AB, voor een of andere politieke partij. Arno heeft me toen nog helpen opruimen: versterker in de auto en wegwezen.”

Kende je Arno al langer?

“Nee, ik kende Paul Decoutere, de gitarist van Freckleface, later Tjens Couter. Hij is net als ik van Zeebrugge. Een figuur, hoor, Paul. Als hij een gitaar ging kopen in de gitaarwinkel in de Zuidstraat, had hij altijd een heel gevolg bij. Schitterende kerel. T.C. Matic heb ik voor het eerst gezien in de Alma in Leuven, ze heetten toen net T.C. Matic. Ik vond dat geweldig, hoe die gasten durfden. Het pakte me. Maar ik zag dat Paul zich niet in zijn sas voelde, er klopte iets niet. Achteraf in de kleedkamer heeft hij gezegd dat hij ermee stopte. En toen heb ik mij aangeboden. De eerste repetitie was er meteen boenk op.”

Boksersoutfit

Mocht die toen al hebben bestaan, denk je dat je dan naar de rockschool zou zijn gegaan in plaats van naar het RITCS?

“Ik bén naar de rockschool gegaan, het Guitar Institute of Technology in Los Angeles. En naar San Antonio, maar daar was het meer jazz en fusion. Het was me allemaal iets te plastic en te nep. L.A. zelf vond ik ook niet tof.”

“In mei ben ik naar de PXL geweest, de rockschool in Hasselt. Op uitnodiging van gitarist Jo Mahieu, die er lesgeeft. Ze waren bezig over riffs uit de jaren 80, en T.C. Matic zat daar uiteraard ook bij. Die gasten waren heel geïnteresseerd, maar er was er maar eentje die een gitaar bij zich had. Hij had de riff van ‘Ha Ha’ leren spelen, dus zei ik: ‘Laat maar eens horen.’ Hij zat er compleet naast. (lacht) Het leek er een béétje op, maar de fingering was fout. (neemt zijn Strat en demonstreert) Hij speelde het hier, terwijl je het híér moet spelen, anders krijgt het nooit die kracht.” (speelt de riff nog eens)

Is dit je favoriete gitaar?

“’t Is mijn main guitar, ja. Als ik er maar eentje mag houden, dan is het deze. Gebouwd in 1963, gekocht bij Rudy’s Music Shop in Sint-Niklaas, voor 11.000 frank.”

De ster in de body zou een creatie van fotograaf Danny Willems zijn.

“In een kleedkamer in Göteborg, ik herinner het me nog goed. Na de soundcheck, wachten en hanging around, je kent dat. Dus ik zeg tegen Danny: ‘Doe eens iets met mijn gitaar.’ Hij heeft ergens een beitel genomen en is eraan begonnen. En heeft het dan met een kaars zwart geblakerd. Kijk, hier (aait over een paar vage rode strepen): hij had ook nog ergens rode verf gevonden. Mocht deze gitaar kunnen spreken…”

Het hoofdkwartier van T.C. Matic was bij jou thuis in Kessel-Lo.

“We hadden daar plaats, in de schuur. We waren niet de enige groep die er repeteerde, heel muzikaal Vlaanderen is er op bezoek geweest. Big Bill heeft er ‘Vosseweg Tune’ over geschreven. De eerste demo’s van T.C. Matic zijn er opgenomen. Je zult die polaroids wel kennen, van Arno in zijn trainingsbroek.”

Met daarover een korte broek.

(lacht) “Dat was zijn boksersoutfit: als hij die droeg, was hij klaar om te repeteren. Er is ook een foto van Arno met een koe. Die was onrustig geworden van ons lawaai en Arno probeerde dat beest te kalmeren. Vaak bleef de hele groep logeren. Boven waren er twee slaapkamers: één met een dubbel bed voor Miet en mij, en één met een tweepersoonsbed en een klein bedje. Arno sliep altijd in dat kleine bedje. Rudy (Cloet, drummer, red.) en Serge (Feys, toetsenist, red.) in het tweepersoonsbed, en Ferre (Baelen, bassist, red.) beneden in de zetel. Een toffe periode, ook omdat we voelden dat we iets hadden. Live begon er een buzz te ontstaan, er kwam steeds meer volk kijken. Het was opwindend.”

Was er een dagindeling?

“Ontbijt, toilet en dan repeteren, tot ’s avonds. Een job, hè, er werd stevig doorgewerkt, we namen het zeer ernstig. ’s Avonds werd er gekookt, meestal door Arno. Of we gingen iets drinken in discotheek Belgisch Congo in Leuven.”

Vond je Arno meteen een goeie zanger?

“Ja, én een goeie tekstschrijver. Het klopte, en het was grappig. Hij werkte hard aan zijn teksten, had altijd een boekje bij waarin hij voortdurend bezig was. Omdat ik ook producer was, kende ik de teksten soms beter dan hij. Als we op het podium een nummer inzetten, kwam hij vaak naar me toe: ‘Zeg ne keer.’ Dan moest ik hem de eerste regel influisteren.” (lacht)

“Nee, ik hoorde hem graag bezig. Wat hij op de plaat ‘Choco’ doet: straf. ‘Being Somebody Else’ vind ik een geweldig nummer. Toen was de groep op z’n best.”

Was het meteen duidelijk dat jij zou producen?

“Ah ja, ik had de meeste ervaring. Maar na drie platen heb ik gezegd: ‘Nu is het tijd voor iemand anders.’ Ik dacht dat het misschien de plaat te veel zou zijn. Ik had voor Yé Yé, onze vierde plaat, graag Dennis Bovell gehad (in Barbados geboren reggaeproducer, red.), of Conny Plank, de man achter vele krautrockproducties, maar het is Howard Gray geworden. Geen idee waar ze die hadden gehaald. Als ik mij niet vergis, had hij iets met Scritti Politti te maken, en hij was sound engineer van Steve Lillywhite geweest. Gray ging na de sessies altijd op stap met Arno, zijn gezicht werd met de dag transparanter. (lacht) Arno heeft hem goed afgebeuld. ‘Elle adore le noir’ vind ik heel goed gedaan, de rest van die plaat is misschien iets te bombastisch. Een tijd geleden heb ik een cassette met rough mixes van ‘Yé Yé’ teruggevonden én een cassette met de volledige demo’s. Alle nummers, voordat de producer erbij kwam.”

En?

(lachje) “Interessant, hè.”

Door de knieën

T.C. Matic heeft amper zes jaar bestaan.

“Veeleer vier, vijf jaar. Veel getoerd, elk jaar een plaat, plus een aantal singles die niet op de lp’s stonden.”

De groep heeft de handdoek in de ring gegooid in een caravan, backstage na een optreden in Frankrijk.

“Net ervoor waren we op tournee gegaan als het voorprogramma van Simple Minds, en die tournee in Frankrijk was terug naar af. We hadden een andere boeker, reisden zonder ons gebruikelijke team en het was hartje winter. Die caravan was onze kleedkamer, zonder verwarming. Ironisch: we zijn gestopt in Straatsburg, na een optreden dat Cyril Prieur, de manager van Arno, had georganiseerd. En de club heette Le Bandit. (lacht) Tijdens de tournee met Simple Minds was Arno al van alles solo aan het doen, in de bus heeft hij toen zelfs een videoclip getoond. ‘Euh, en T.C. Matic dan?’ Een beetje raar allemaal. Ik denk dat het bepaalde mensen goed uitkwam dat we ermee stopten.”

“Op de andere kant van de cassette met die rough mixes van Yé Yé stond een interview met Herman Schueremans uit die tijd. Hij zei: ‘T.C. Matic gaat splitten, maar we hebben al iets anders achter de hand.’ Ik dacht: huh, die weet dat nu al? We hebben nog één benefiet gespeeld, voor De Morgen, en toen was het gedaan. Arno heeft me later nog gevraagd om gitaar te spelen op zijn soloplaten. We hebben samen ook nog nummers gemaakt, tot en met ‘Idiots savants’.”

Na ‘Idiots savants’ heb je nooit meer met Arno samengewerkt?

“Ik ben nog meegegaan op de tournee, maar toen had ik al het gevoel dat hij met iemand anders wilde werken. Fair enough, in die dingen moet je vrij kunnen zijn, maar ik heb vooral moeite gehad met de manier waarop ik aan de kant ben geschoven. Ik heb daarvan afgezien. Het voelde aan alsof ik een rechtse van Mike Tyson had gekregen, ik ben door de knieën gegaan.”

Je hebt hem nooit om een uitleg gevraagd?

“Jawel, ik ben bij hem geweest. ‘Ik kan niet meer met je werken,’ zei hij. En: ‘Je kent niks van de business.’ Later heb ik het hem nog eens gevraagd, en toen was het: ‘Je bent een blok aan m’n been.’ En: ‘Ik kan je niks te drinken aanbieden, want ik heb niks in huis.’ (lacht) Bon, dat was het dan. Ik weet zeker dat we nog goeie dingen hadden kunnen maken. Met Arno liedjes maken, ik deed dat graag.”

Hoorde of zag je hem nog?

“In 2009 heb ik hem gezien op Theater Aan Zee. Hij was curator en had mij via via gevraagd om iets te komen doen. Achteraf hebben we toen even bij elkaar gezeten. Niet veel gezegd, gewoon gezeten. Hij heeft eens over mijn kop gewreven… Je kent Arno, hè. Daarna heb ik hem niet meer live zien optreden.”

“De laatste tijd belden we wel weer geregeld. Hij was via Danny Willems te weten gekomen dat ik ook kanker had – aan de prostaat. ’t Is allemaal goed afgelopen, tot nog toe. Wat Arno had, pancreaskanker, is natuurlijk van een ander kaliber. Maar we belden dus. Gewoon, wat babbelen, kletsen. Niet te lang. Tot het niet veel zin meer had, en hij zei: ‘Wat moet je nog zeggen?’ ‘Hoe is ’t?’ ‘Ja, hoe is ’t…’ Ik ben wel blij dat we nog gepraat hebben. You do care, hè. Je hoopt dat hij geneest. Hij zei dat hij content was over zijn leven, hij kon er vrede mee hebben. Hij heeft dat in de laatste rechte lijn heel goed gedaan, vind ik, moedig en straf. Optreden tot op het einde, nog een plaat maken: chapeau.”

'Op tournee met T.C. Matic was Arno al van alles solo aan het doen. Een beetje raar allemaal. Het kwam bepaalde mensen goed uit dat we ermee stopten.' Beeld Getty Images
'Op tournee met T.C. Matic was Arno al van alles solo aan het doen. Een beetje raar allemaal. Het kwam bepaalde mensen goed uit dat we ermee stopten.'Beeld Getty Images

De Da Vinci-methode

Ben jij genezen verklaard?

“Wat is ‘genezen’? Deze maand moet ik terug. Als de PSA-waarden op nul staan, is het goed. Maar je weet nooit, touchons du bois.”

Hoe hebben ze de kanker ontdekt?

“Bij een routinecontrole hebben ze op een bepaald moment iets gezien. Ik moest een biopsie laten doen. Op de oude manier, via je dinges, en dat zag ik absoluut niet zitten. Antibiotica nemen, kans op infecties… Nee. Toen heb ik een jeugdvriend gebeld, een dokter, en die heeft me naar een ziekenhuis in Brugge gestuurd waar ze een biopsie doen met een robot. Ik ben ook geopereerd door een robot. De Da Vinci-methode heet dat.”

Geen chemo?

“Tot nu toe niet. Geen medicatie, niks. Ze waren er op tijd bij, de kanker was niet uitgezaaid. Van de operatie zelf heb ik niks gevoeld. Het enige ambetante is dat je een aantal dagen met een sonde zit, en als ze die eruit halen, moet je de reflexen opnieuw aanleren zodat je niet incontinent wordt. Bekkenbodemkinesitherapie en van die dingen.”

Ben je naar een van de afscheidsconcerten van Arno geweest?

“Nee. Ik heb een paar dingen via stream gezien, maar that’s it. De laatste keer dat ik Arno live heb gezien, moet in 2009 op Theater Aan Zee zijn geweest. Met extra muzikanten was dat: goed, hoor.”

Wat vond je van Tjens Matic, Arno’s best of-band waarmee hij enkele jaren geleden het rauwste werk van Tjens Couter en T.C. Matic heeft gespeeld?

“Ik vond dat niet oké. Doe het dan met T.C. Matic, hè. Arno zal het gedaan hebben om te kunnen optreden, om het te verkopen zodat mensen het boeken. Ik snap dat wel, maar het was niet aan mij besteed. (lachje) Goeie songs, maar ik vond het niet interessant.”

Waarom is er eigenlijk nooit een reünie van T.C. Matic geweest? Nadat je in 2019 op de uitvaart van Willy Willy een nummer had gebracht met Arno, gonsde het even van de geruchten. Maar: weer niks.

“Er zijn aanbiedingen genoeg geweest, de ernstigste in 2002. Van Rock Werchter. Schueremans wilde ons hoog op de affiche zetten, met aansluitend een Europese festivaltournee. Roskilde en het hele circus. Een deel in de AB ook. Het leek echt te gaan gebeuren, maar uiteindelijk is het afgeblazen door de boeker, in samenspraak met weet ik veel wie. Ineens was het beslist: geen sprake van! Ik denk dat T.C. Matic op dat moment groter zou zijn geweest dan Arno, en dat ze daar bang voor waren. Het feit dat de opbrengst opnieuw door vijf gedeeld had moeten worden, zal wellicht ook meegespeeld hebben.”

“De mensen van de Lokerse Feesten hebben ook meermaals geprobeerd, en hoe vaak Kurt Overbergh van de AB het mij heeft gevraagd, valt niet op twee handen te tellen. Telkens als hij me zag, denk ik. Soit, het zou tof geweest zijn om die nummers nog eens in goeie omstandigheden te spelen.”

Om af te ronden: wat ga je doen nu je plaat af is?

“Spelen. En als ik niet moet spelen, ga ik naar mijn studio en maak ik me nuttig. A day at the office. Wat moet ik anders? ’t Is mijn beroep en ik doe het graag. En ik val er niemand mee lastig.” (lacht)

DOMEZTIK verschijnt op 1 september bij Sonikattak. Op 14 oktober speelt Jean-Marie Aerts in Het Depot in Leuven.

© HUMO

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234