Woensdag 29/06/2022

InterviewTheater

‘Na de oorlog blijft de leegte over. Dode mensen kun je niet vervangen’

Vedrana Božinović (l.) en Françoise Wallemacq: ‘De wreedheden in Oekraïne vonden ook plaats in Bosnië, maar die oorlog zijn we al vergeten.’ Beeld Thomas Nolf
Vedrana Božinović (l.) en Françoise Wallemacq: ‘De wreedheden in Oekraïne vonden ook plaats in Bosnië, maar die oorlog zijn we al vergeten.’Beeld Thomas Nolf

Op haar zestiende bracht de Bosnische Vedrana Božinović verslag uit van de oorlog in haar thuisland, om zich nadien om te scholen tot actrice. In Reporters de guerre, een voorstelling van Sébastien Foucault, deelt ze het podium met de Belgische Françoise Wallemacq, die al dertig jaar oorlogen verslaat voor de RTBF.

Ewoud Ceulemans

“Het is heel ‘interessant’ om de commentaren en statements van politici over de oorlog in Oekraïne te lezen”, stelt de Bosnische actrice Vedrana Božinović vast. “En terug te denken aan de statements van tóén.” ‘Toen’ is 6 april 1992, de dag dat de Bosnische Burgeroorlog uitbrak. “Het enige wat verandert, is de naam van het land. De rest blijft hetzelfde. Het is alsof ze gewoon hun Facebook-status updaten, zonder ook echt iets te doen. Dat gevoel had ik ook bij de oorlog in Bosnië, al was er toen geen Facebook natuurlijk. Maar politici drukten hun medeleven uit, ze waren...”

“‘... deeply concerned’”, vult Françoise Wallemacq aan. “Niemand zag de oorlog in Oekraïne komen. Niemand dacht dat er in Europa nog een oorlog zou uitbreken na de Tweede Wereldoorlog. En de oorlog in Bosnië zijn we al vergeten. Maar wat er op het terrein gebeurt, is wel vergelijkbaar. De wreedheden in Oekraïne vonden ook plaats in Bosnië: de militaire cultuur van de Russen en de Serviërs is erg vergelijkbaar. Niemand had gedacht dat dat nog zou terugkomen.”

Božinović: “Onlangs, op 6 april, werd het begin van de oorlog in Sarajevo herdacht. Ik was toen bezig met deze voorstelling, Reporters de guerre, en ik denk dat het zinloos is om er nu, dertig jaar later, over te praten, als je het niet doet vanuit de huidige context, vanuit het perspectief van vandaag. Ik heb geen behoefte om over de oorlog te praten, maar over wat daarná is gebeurd.”

Wallemacq: “Ik denk dat Reporters de guerre een heel krachtig stuk is, zeker in de actuele context. We snijden heel veel aspecten aan van het werk van een oorlogsjournalist, maar ook van oorlog in het algemeen, en van wat er voor en na de oorlog gebeurt. Sébastien heeft veel journalisten ontmoet, en is zo bij mij uitgekomen. Ik had het journalistenexamen afgelegd en werd aangenomen bij de RTBF, toen in 1989 de revolutie uitbrak in Roemenië, en ik had een Roemeense vriend. We zijn samen naar daar vertrokken. Hij was mijn fixer en vertaler. Ik heb toen ontdekt dat het je in een roes brengt, als je midden in de geschiedenis staat. Het is heel intens, je beleeft heel sterke emoties. Soms vrees je voor je leven. En als je nadien terugkeert naar België, voelt het leven duf. Dat geldt voor de meeste collega’s die hetzelfde werk doen. Ik ben zelf niet ongelooflijk moedig, ik zit niet elke dag aan het front. Maar ik vind het ongelooflijk interessant. Ik was onlangs nog tien dagen in Oekraïne, in Lviv.”

Božinović: “Ik was nog erg jong, ik was zestien toen de oorlog in Bosnië uitbrak. Maar ik wilde iets doen, ik kon niet in de kelder blijven zitten, wachtend op het einde van de wereld. Dus begon ik te werken als journalist. Eerst voor de radio, dan op televisie en dan voor een tijdschrift, het enige dat nog in Sarajevo werd gepubliceerd. Ik werkte ook als vertaler en fixer voor een aantal buitenlandse journalisten. Er waren toen waarschijnlijk honderden journalisten in Sarajevo. Met een aantal van hen was ik erg close, zoals met Allan Little van de BBC.”

Vedrana Božinović (rechts): ‘Elke dag besluit ik minstens twintig keer om te verhuizen uit Sarajevo, maar ik doe het nooit.’ Beeld Thomas Nolf
Vedrana Božinović (rechts): ‘Elke dag besluit ik minstens twintig keer om te verhuizen uit Sarajevo, maar ik doe het nooit.’Beeld Thomas Nolf

Trauma’s

Wallemacq: “Ik was dertig jaar geleden ook in Bosnië. Ik ben toen ook in Tuzla geweest, in het noorden van Bosnië, na het bloedbad daar, in 1995. Bij een Servisch bombardement zijn toen 72 jongeren omgekomen. Dat was een schok, omdat Tuzla lange tijd gespaard bleef van bombardementen, en omdat er nog Serviërs, Kroaten en moslims samen woonden. De burgemeester heeft aan de ouders van de slachtoffers gevraagd om alle jongeren samen te begraven in een park, los van hun religie. Ze zijn ’s nachts begraven, om te vermijden dat het zou gebeuren tijdens een nieuw bombardement. We zijn later teruggekomen en hebben de ouders van de 2,5-jarige Sandro gezocht, het jongste slachtoffer. Op dat verhaal is de voorstelling gebaseerd, dat is het uitgangspunt.”

Božinović: “We hebben voor Tuzla gekozen, omdat het Françoise erg heeft geraakt, maar ook omdat het veel betekenis heeft. Tuzla is een kleine stad. Als je 70 mensen verliest in zo’n kleine stad, kent iedereen wel iemand die iemand heeft verloren, of iemand die is gestorven. De slachtoffers waren erg jong, de gemiddelde leeftijd was 22. En het gebeurde op de 25ste mei, de Dag van de Jeugd in Joegoslavië. Dat zo veel jonge mensen net op die dag zijn gestorven, heeft veel impact gehad.

“Het werk van oorlogsreporters was heel belangrijk voor Bosnië. Er zijn verschillende soorten journalisten, natuurlijk, zoals er verschillende soorten mensen zijn. Er zijn er die alleen aan zichzelf denken en er zijn er die hun werk doen. En degenen die hun werk deden, hebben dat uitstekend gedaan. Zij wílden het echte verhaal vertellen, ze zochten naar de waarheid, en niet naar sensatie. Je moet weten dat het journalisten waren die concentratiekampen in Bosnië ontdekten, bijvoorbeeld. Ik denk dat in Sarajevo niets ‘uncovered’ bleef. Dat apprecieerde ik heel erg.

“Nu is het anders. Iedereen heeft een smartphone, iedereen is fotograaf, iedereen kan reporter zijn. Je kunt de oorlog in Oekraïne bijna live volgen. Al ging dat in de Bosnische oorlog ook heel snel. Soms arriveerde een cameraploeg al vijf minuten na een bombardement.”

Wallemacq: “Journalisten hebben veel geloofwaardigheid verloren. Toch denk ik dat het belangrijk blijft om ter plekke aanwezig te zijn, om fake news en propaganda te counteren. En toen de NAVO een bombardement op Bosnië uitvoerde, waren de mensen blij dat ik durfde te komen, dat ik het risico nam en de moeite deed. Journalisten zijn geen therapeuten, maar voor mensen is het belangrijk om tegen iemand te kunnen praten en getuigen over wat ze hebben meegemaakt.”

Božinović: “Ik herinnerde me nog dat ik toen tegen een journalist met wie ik goed bevriend was, zei: ‘Je moet nu weggaan. Je geraakt te betrokken, op emotioneel vlak, en dit is niet jouw oorlog.’ En zulke ervaringen - een bombardement meemaken, iemand zien sterven - tekenen je voor het leven.”

Wallemacq: “Het is moeilijk om erover te praten als je weer thuiskomt. Daarom zwijg je, en ga je op zoek naar mensen die hetzelfde hebben meegemaakt, zoals medewerkers van humanitaire organisaties, om erover te kunnen praten. En soms komen alle emoties eruit als je een film ziet. Je moet je trauma’s verzorgen.”

Snipers

Božinović: “Iedereen dacht dat ik journalist zou blijven, maar ik denk dat ik er gewoon genoeg van had. In 1994, nog tijdens de oorlog, heb ik me ingeschreven aan de academie van Sarajevo om actrice te worden. Ik heb altijd van het theater gehouden. Het is ook een manier om met mensen te communiceren.

“Het was surreëel om voor actrice te studeren tijdens de oorlog. De lichten waren uit, alle ramen waren dicht, tegen snipers. Als je het raam opendeed, werd je blootgesteld. We speelden dus in het stikdonker, daarom namen we van thuis een kaars mee, die we in kleine stukjes sneden. Je hield een stukje kaars in je handpalm - heel warm is dat - en je hield het in de buurt van je gezicht, zodat je tegenspeler wist waar je je bevond, en naar welke kant hij zich moest richten voor zijn repliek.

“Tijdens mijn eerste examenopdracht stond ik op de scène van de academie. Ik was heel opgewonden, het was in mijn eerste jaar. Er was een klein publiek, enkele familieleden die dapper genoeg waren om te komen kijken. Op het moment dat de zaallichten uitgaan, hoorden we de sirenes buiten. Dat gebeurde maar zelden, want er was áltijd gevaar. We hoorden de bommen inslaan in de verte, en de knallen kwamen steeds dichter. We keken naar elkaar en vroegen ons af: wat gaan we nu doen? We hebben ons examen gespeeld tijdens het bombardement. Ik heb altijd van het theater gehouden, maar door alles wat ik daar heb meegemaakt, houd ik er nog meer van.”

Wallemacq: “Tijdens de oorlog maakte je ook theater op de radio.”

Božinović: “Ja, dat klopt. We deden radiofilms, gesproken bewerkingen van Hollywood-films. We hebben Grease en Blade Runner gedaan. Het Filmfestival van Sarajevo is ook begonnen tijdens de oorlog. Ik herinner me nog dat ik in de rij stond voor tickets voor Francis Ford Coppola’s Dracula, op een straat die heel toegankelijk was voor snipers. Ik denk dat snipers moeten hebben gedacht: ‘Zijn ze krankzinnig?’ Op een van de belangrijkste kruispunten stond een rij mensen aan te schuiven voor tickets. We konden de snipers bijna zien, op de heuvel.”

“Theater was heel belangrijk tijdens de oorlog, belangrijker dan ooit. We speelden om twee uur ’s middags: avondvoorstellingen konden niet, want er was een avondklok en er was geen elektriciteit. Maar mensen kwamen. Het theater zat vol. Het was een manier om met elkaar te communiceren. Het gaf mensen het gevoel dat ze meer waren dan een bang dier, dat ze nog altijd mens waren, dat ze toch nog een béétje een normaal leven konden leiden in heel abnormale omstandigheden. Het heeft me geleerd dat theater heel belangrijk en heel krachtig kan zijn.”

Wallemacq: “Ik ben geen actrice, ik heb nooit theater gemaakt. Toen Sébastien mij vroeg om mee te doen met Reporters de guerre, aarzelde ik. Ik was bang, om eerlijk te zijn. Maar hij heeft me gerustgesteld door te benadrukken dat ik niet moet acteren, dat ik gewoon mezelf moet zijn. Ik zit ook in het decor van een radiostudio. Ik ben dus echt journaliste. En het documentaire aspect van de voorstelling boeide me heel erg. Daardoor konden we dertig jaar na de oorlog terugkeren, en zien hoe het land is geëvolueerd, in goede of slechte richting.”

Françoise Wallemacq (links): ‘Journalisten hebben veel geloofwaardigheid verloren. Toch denk ik dat het belangrijk blijft om ter plekke aanwezig te zijn, om fake news en propaganda te counteren.’ Beeld Thomas Nolf
Françoise Wallemacq (links): ‘Journalisten hebben veel geloofwaardigheid verloren. Toch denk ik dat het belangrijk blijft om ter plekke aanwezig te zijn, om fake news en propaganda te counteren.’Beeld Thomas Nolf

Modder

Božinović: “Toen de journalisten weggingen omdat de oorlog voorbij was en Bosnië niet langer interessant was, bleven wij achter met een ‘vrede’ die we hebben bekomen door de internationale gemeenschap en onze politici. De laatste twintig jaar leven we met die ‘vrede’, en die is misschien erger dan de oorlog. We gaan er niet op vooruit. We zitten vast in de modder, en we geraken er niet uit. Ik heb het gevoel dat we elk jaar verder wegzinken. Dát is waarover ik het wil hebben.

“Ik denk dat hetzelfde gaat gebeuren met Oekraïne. Ergens, kilometers en kilometers weg van het lijden en de bombardementen en de dode kinderen, zullen sommige mensen een of ander papier ondertekenen. En dan zullen ze de mensen die nu zonder water en elektriciteit zitten – mensen met wie ik me heel verbonden voel, want ik denk aan mijn moeder en mijn familie en aan mezelf, die hetzelfde hebben meegemaakt – zeggen dat ‘de oorlog voorbij is’. En twintig jaar later zal een ongelooflijke leegte overblijven. Want dode mensen kun je niet vervangen. Er zijn 72 lege plekken in Tuzla. Lege plekken in de theaters, in de bussen. Lege appartementen, lege plaatsen aan de familietafel. Dát is wat overblijft. En het is verschrikkelijk.”

Wallemacq: “Ik ben tien, vijftien en twintig jaar na de oorlog telkens naar Bosnië teruggekeerd, om reportages te maken met mensen die ik toen heb ontmoet. Maar intussen zijn de meeste vrienden daar gestorven, of weggegaan. Mijn tolk, met wie ik het erg goed kon vinden, is van ellende gestorven. Zijn dochter kon Sarajevo niet meer verdragen, en is met haar man en haar kinderen verhuisd. Naar Odessa, in Oekraïne. Nu is ze moeten vluchten naar Roemenië. Dat is een vreselijk bestaan.”

Božinović: “Ik woon nog altijd in Sarajevo. Ik ben actrice bij het Nationaal Theater, en sinds vorig jaar ook artistiek directeur. Elke dag besluit ik minstens twintig keer om te verhuizen uit Sarajevo, maar ik doe het nooit. Na de oorlog geloofde ik echt dat we zouden doen waarvoor we hebben gevochten. Maar de jaren zijn voorbijgegaan en ik besef dat ik had moeten verhuizen. Dan zou mijn leven simpeler zijn.

“Mijn moeder leeft in een wijk van de stad waar een groot voetbalstadion staat. Daarrond hebben ze kerkhoven aangelegd tijdens de oorlog. Ik ga vaak naar mijn moeder, en dan rijd ik met de auto langs de kerkhoven, links en rechts. En dat is de reden waarom ik nooit ben weggegaan. Want als we allemaal weggaan, dan is het allemaal voor niets geweest.”

Reporters de guerre, van 10 tot 14 mei op Kunstenfestivaldesarts - Théâtre Les Tanneurs, Brussel.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234