Vrijdag 01/07/2022

InterviewKunstenaar Loes Faber

‘Naakt schilderen vrouwen toch anders dan mannen, al was het maar omdat ze weten hoe borsten écht vallen’

Loes Faber, met op de bank eigen kunstwerken en aan de muur pagina’s uit haar nieuwe boek.  ‘Als docent heb ik mezelf de opdracht gegeven om voor elk mannelijk voorbeeld dat ik in mijn lessen aanhaal ook een vrouw te noemen.’ Beeld Hilde Harshagen
Loes Faber, met op de bank eigen kunstwerken en aan de muur pagina’s uit haar nieuwe boek. ‘Als docent heb ik mezelf de opdracht gegeven om voor elk mannelijk voorbeeld dat ik in mijn lessen aanhaal ook een vrouw te noemen.’Beeld Hilde Harshagen

Caravaggio of Picasso kent iedereen, maar wie hoorde al van hun even getalenteerde tijdgenoten Artemisia Gentileschi of Charley Toorop? In haar graphic novel Ik ben mijn muze belicht Loes Faber (34) acht vrouwelijke kunstenaars die hun plek in de canon opeisen.

Jana Antonissen

“Toen ik me zo’n tien jaar geleden begon te verdiepen in de geschiedenis van het vrouwelijke zelfportret, viel ik van de ene verbazing in de andere”, schrijft Loes Faber in de inleiding van Ik ben mijn muze. “De hele emancipatie van de vrouw tekende zich af op de portretten die vrouwelijke kunstenaars van zichzelf maakten. Naarmate de tijd vorderde, leek het wel alsof de paletten groter werden, de blikken doortastender, de thema’s ­persoonlijker.”

Faber is kunstenaar, illustrator en docent aan de kunstacademie. Ze studeerde af op het vrouwelijke zelfportret in de beeldende kunst, en heeft het onderwerp sindsdien niet meer losgelaten. Die fascinatie kwam aanvankelijk voort uit nieuwsgierigheid, zegt ze. “Ik wist gewoon zo weinig over vrouwelijke kunstenaars.”

‘Why have there been no great women artists?’ Die retorische vraag stelde de feministische kunsthistorica Linda Nochlin zich al in 1971, in haar gelijknamige essay. Hoewel het essay destijds heel wat stof deed opwaaien, vernoemde de eerste editie van het standaardwerk A Basic History of Western Art van H.W. Janson uit 1980 alsnog geen enkele vrouw.

Toen Faber zich voor haar scriptie inlas in het leven van Frida Kahlo, de Mexicaanse kunste­nares die vooral bekend is omwille van haar zelfportretten met de beruchte unibrow, voelde ze zich diep geraakt. “Hoe meer ik over Kahlo’s door ongeluk getekende, maar toch zo uitbundige leven las, hoe beter ik haar werk begreep. Het inspireerde me op zoek te gaan naar meer van die fenomenale levensverhalen die onterecht in de vergetelheid waren geraakt.”

Het zelfportret werd uit noodzaak een bloeiend genre onder vrouwelijke kunstenaars, legt Faber uit bij een kop koffie in de Oost-Amsterdamse woning die ze deelt met haar vriendin, schrijfster Nina Polak. “Historische schilderijen, maar ook modeltekenen, waren lang alleen voor het mannelijke genie weggelegd. Dus ja, wat ga je tekenen als je verplicht bent zo veel tijd thuis op jezelf door te brengen?”

Gaandeweg werd het zelfportret ook een ­manier om verschillende identiteiten te exploreren; om te onderzoeken wie je allemaal zou willen zijn, wanneer dat in het echte leven niet kan. Faber: “Je kunt zo veel informatie in een zelfportret kwijt. Je kunt naar de geschiedenis van het genre verwijzen, of jezelf bijvoorbeeld met boeken portretteren om te verwijzen naar alle kennis die je bezit, of met je student — wat vroeger al helemaal ongebruikelijk was voor een vrouw.”

Faber heeft haar research er even bijgehaald: uitpuilende schetsboeken waarin lappen krullerige tekst en springerige zwart-wittekeningen eigenzinnige vrouwenlevens op papier proberen te vangen. “Jee, ik lijk wel een beetje krankzinnig als je dat zo ziet”, grinnikt Faber terwijl ze liefdevol met haar vingertoppen de geschetste contouren volgt van Pan Yuliang, een Chinese kunstenares die uiteindelijk haar boek niet haalde.

Zes jaar werkte Faber, af en aan, aan haar debuut. Ik ben mijn muze was dan ook één groot onderzoek voor haar, zowel inhoudelijk als ­visueel: “Mijn aanvankelijke selectiecriteria ­waren dat de kunstwerken het vrouw-zijn moesten thematiseren, en dat de kunstenaressen uit alle delen van de wereld moesten komen. Maar toen liep ik tegen praktische bezwaren aan, zoals het ontbreken van biografieën in een taal die ik kon lezen.

Werk van de relatief onbekende Nederlandse Charley Toorop (1891-1955). Dat moet anders, vindt Loes Faber. Beeld Charley Toorop
Werk van de relatief onbekende Nederlandse Charley Toorop (1891-1955). Dat moet anders, vindt Loes Faber.Beeld Charley Toorop

“Gaandeweg merkte ik ook dat ik vooral nieuwsgierig was naar hoe ze hun levens leidden, en zo tot vaste thema’s in hun werk kwamen. Daarbij was kunstenaar worden in die tijd eigenlijk in se al een feministische daad. Voorts wilde ik zo veel mogelijk verschillende disciplines vertegenwoordigen, en was het belangrijk dat de vrouwen niet meer leefden; hun verhalen moesten ‘af’ zijn.”

Valt kunstenaar worden volgens Faber vandaag nog een feministische daad te noemen? “De kunstwereld is nog steeds niet gelijk, dus het blijft dapper wat vrouwelijke kunstenaars doen. Maar qua algemene emancipatie staan we vandaag natuurlijk wel enorm veel verder. Al zijn we er zeker nog niet. Toch vond ik het opmerkelijk dat Carolee Schneemann in de 20ste eeuw met dezelfde problemen kampte als Artemisia Gentileschi in de 17de eeuw; namelijk niet serieus genomen worden in het mannenbastion van de schilderkunst.”

Seksueel ruimdenkend

Ik ben mijn muze omvat de acht biografische beeldverhalen van Artemisia Gentileschi, als schilderes uit de vroege barok bekend om haar begaafde chiaroscuro-gebruik en moordlustige heldinnen; de androgyne mama of dada Elsa Barones von Freytag-Loringhoven; de verschillende stijlen uitproberende schilderes Charley Toorop; de lesbische fotografe, schrijfster en kunstenares en later ook verzetsstrijder Claude Cahun; de tegen haar zin vaak als surrealistisch bestempelde schilderes Frida Kahlo; pionier van de moderne Indiase kunst Amrita Sher-Gil; de Afro-Amerikaanse beeldhouwster, grafisch kunstenares en activiste Elizabeth Catlett; en de multimediale performancekunstenares Carolee Schneemann, die als een van de eersten haar lichaam tot drager én onderwerp van haar werk maakte.

‘Naakt schilderen vrouwen toch anders dan mannen, al was het maar omdat ze weten hoe borsten écht vallen.’ Beeld Hilde Harshagen
‘Naakt schilderen vrouwen toch anders dan mannen, al was het maar omdat ze weten hoe borsten écht vallen.’Beeld Hilde Harshagen

Het merendeel van deze kunstenaressen ­kende Faber niet of amper toen ze jaren geleden haar onderzoek aanvatte. “Barones Elsa von Freytag-Loringhoven was bijvoorbeeld een naam die mij weinig zei, tot ze in 2018 plots in alle kranten opdook. Zij was namelijk hoogstwaarschijnlijk de rechtmatige bedenker van Marcel Duchamps urinoir.”

Die barones bleek “een heerlijk figuur” te zijn. “Een punker avant la lettre die zich in zelfgeknutselde outfits van soepconserven en vogelkooien tooide, en er niet voor terugdeinsde om op tentoonstellingen de boel te verbouwen. Tegelijk maakte haar onbetrouwbaarheid haar ook erg onsympathiek. Ik vond het belangrijk om ook zo iemand in mijn boek op te nemen. Want vandaag is het populair om vrouwelijke pioniers als heldinnen voor te stellen, maar dat waren ze natuurlijk niet allemaal.”

De grote gemeenschappelijke deler van de acht kunstenaressen uit Ik ben mijn muze is hun eigenzinnigheid. Faber: “Als queer kunstenaar denk je natuurlijk sowieso na over andere manieren om je leven in te richten, maar het was interessant om te lezen dat deze vrouwen hier ook al honderd of meer jaar geleden mee bezig waren. Zo was de manier waarop zij hun liefdesleven vormgaven erg vooruitstrevend. Frida Kahlo hertrouwde met haar man op voorwaarde dat hij minstens de helft in het huishouden bijdroeg en dat ze geen seks meer met hem hoefde te hebben. Amrita Sher-Gil liet dan weer in het huwelijkscontract opnemen dat zij haar seksuele vrijheid kon behouden.

Zelfportret van de Hongaars-Indiase Amrita Sher-Gil (1913-1941). Beeld Amrita Sher-Gil
Zelfportret van de Hongaars-Indiase Amrita Sher-Gil (1913-1941).Beeld Amrita Sher-Gil

“Bijna alle kunstenaressen in mijn boek hadden overigens ook verhoudingen met vrouwen. Ook iemand als Frida Kahlo, die nu toch al een tijdje een revival doormaakt. Toch had ik nog nergens wat over die seksuele ruimdenkendheid gehoord, tot ik me zelf in haar levensloop ging verdiepen.”

Hoe heeft zes jaar in het gezelschap van al die vrijgevochten vrouwen Faber beïnvloed? “Ik ben er toch wel door veranderd”, zegt ze. “Haast per ongeluk bleken hun keuzes een soort handleiding te worden, zo van: zo kun je ook leven. Het heeft me nog meer overtuigd van het belang van vrijheid; vrijheid in zijn, ­maken en denken. Hun dapperheid hielp me ook om zekerder te zijn over mijn eigen kunstenaarschap.”

Deels levensverhaal, deels museumtour was het geen sinecure om de juiste vorm voor Ik ben mijn muze te vinden. “Eigenlijk moest ik een soort van visueel hotel ontwerpen waarin al die vrouwen met hun werken en levens konden verblijven”, legt Faber uit. “Daarom werkte ik in zwart-wit, hoewel mijn illustraties normaal gezien vrij kleurrijk en abstract zijn. Enerzijds wilde ik de kunstwerken zo realistisch mogelijk in hun eigen stijl weergeven, anderzijds had ik een vaste vorm voor de verhaallijn nodig waarin ik de vrouwen als een soort stripfiguurtjes opvoerde. Daarom hebben ze bijvoorbeeld allemaal zo’n driehoeksneus.”

Voor het eerst moest de illustrator ook over narratief en sequentie nadenken. “Terwijl ik normaal gewend ben om alles in één beeld te laten zien. Gelukkig heb ik voor de tekst veel hulp van mijn vriendin Nina gekregen.”

Het geheel is een gelaagde graphic novel ­geworden waarin speels met typografie en ­tekening wordt omgegaan: “een beetje zoals in de ‘punk zines’, waar ik zo van houd. Er zitten best nog wel wat onhandigheidjes in, aangezien ik geen striptekenaar ben. Maar dat mag de ­lezer van mij gerust zien: ook tekenend was het een onderzoek.”

KRITIEK

De aandacht voor vrouwelijke kunstenaars nam de laatste jaren gestaag toe. Net zoals in Ik ben mijn muze brengen boeken en tentoonstellingen tegenwoordig vaak vrouwelijke artiesten met uiteenlopende stijlen en uit verschillende tijdperken samen. Her en der weerklinkt ook kritiek op dat bundelen, want met mannen doen we dat toch ook niet?

“Zolang deze kunstenaressen nog geen gemeengoed zijn, vind ik wel dat ze even gepusht mogen worden,” meent Faber, “totdat iedereen net zo vlot een Gentileschi of Sher-Gil kan aanwijzen als ze een Rembrandt of Van Gogh herkennen. Het bundelen helpt om deze artiestes sneller hun rechtmatige plek in de geschiedenis te bezorgen. Overigens zou je het gros van de kunsthistorische boeken ook bundelingen van mannelijke kunstenaars kunnen noemen, aangezien er geen enkele vrouw in staat.”

‘Wat anders dan zelf­portretten kon je als kunstenares tekenen als je verplicht werd zo veel tijd thuis door te brengen?’ Beeld Hilde Harshagen
‘Wat anders dan zelf­portretten kon je als kunstenares tekenen als je verplicht werd zo veel tijd thuis door te brengen?’Beeld Hilde Harshagen

Daarbij mag wel niet voorbijgegaan worden aan de inhoud. “De kunstenaressen moeten in de eerste plaats op hun waarde beoordeeld worden. Veel van hen wilden overigens als artiest serieus genomen worden, en presenteerden zichzelf niet per se als vrouwelijke kunstenaar. Zo was Amrita Sher-Gil zelfs behoorlijk beledigd toen ze voor een schilderij dat ze niet eens haar beste vond, bekroond werd met de prijs voor beste vrouwelijke kunstenaar.”

Bestaat er eigenlijk überhaupt zoiets als vrouwelijke kunst? Faber: “Ik ben natuurlijk geen kunsthistoricus, maar ik geloof wel dat het belang heeft dat de maker van bepaalde werken vrouwelijk is. Zelfportretten of naakt schilderen vrouwen toch anders dan mannen, al was het maar omdat ze uit ervaring weten hoe borsten écht vallen. Voorts zijn er natuurlijk thema’s die vrouwen beter, of alleszins anders, kunnen behandelen dan mannen, zoals seksueel geweld of abortus, maar ook de kracht en schoonheid van het vrouwelijke lichaam.”

ECHO UIT DE GESCHIEDENIS

“Ik geloof dat we vandaag in een goede stroom zitten”, besluit Faber. “Het besef dat veel verhalen nog niet, of onvoldoende, verteld worden, ís er. Een queer student van mij formuleerde dat onlangs mooi: jezelf herkennen in de geschiedenis is weten dat je bestaat. En iedereen heeft dat recht. Want door die echo uit de geschiedenis te voelen ga je steviger in je schoenen staan.

“Zo herinner ik me nog heel goed de eerste keer dat ik een lesbisch stel in een reclamespot op televisie zag. Een of ander stom filmpje voor een uitvaartbedrijf was het, maar toch liet het een grote indruk achter.”

Dat er de voorbije jaren veel veranderd is op dat vlak, merkt Faber als ze voor de klas staat. “Mijn studenten verwijzen steeds makkelijker naar vrouwelijke of queer kunstenaars. Mijn hart maakt toch een blij sprongetje telkens als een student een vrouwelijke artiest als zijn ­grote voorbeeld noemt. Als docent heb ik ­mezelf ook de opdracht gegeven om voor elk mannelijk voorbeeld dat ik in mijn lessen aanhaal ook een vrouw te noemen; een taak die iedereen in het onderwijs zichzelf eigenlijk wel zou mogen stellen.”

Want hoewel het met die gelijkwaardigheid de goede richting uitgaat, is de klus wat betreft Faber nog lang niet geklaard. “Ik ga gewoon door”, zegt ze vastberaden. “Er ligt nog een enorme schat aan levensverhalen te wachten; het zou zonde zijn daar niets meer mee te doen. Eerst wil ik nog meer kunstenaressen van onder het stof halen, maar daarna zou ik graag beeldverhalen over vrouwelijke schrijvers, ­wetenschappers en filosofen brengen. Daarmee ben ik de komende tachtig jaar wel zoet.” (lacht)

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234