Woensdag 06/07/2022

InterviewNobelprijswinnaar Abdulrazak Gurnah

Nobelprijswinnaar Abdulrazak Gurnah: ‘In Europa is het koloniale verleden nog buitengewoon aanwezig’

Abdulrazak Gurnah: ‘Ik heb mij nooit beperkt gevoeld in mijn mogelijkheden om te spreken over asielzoekers, maar wat ik zeg heeft nu allicht een andere impact.’ Beeld EPA
Abdulrazak Gurnah: ‘Ik heb mij nooit beperkt gevoeld in mijn mogelijkheden om te spreken over asielzoekers, maar wat ik zeg heeft nu allicht een andere impact.’Beeld EPA

Toen Abdulrazak Gurnah (73) de Nobelprijs voor Literatuur 2021 kreeg, waren zijn boeken – over thema’s als ontworteling en migratie – amper te vinden. Nu is Paradijs weer in vertaling beschikbaar, andere titels volgen. Wat betekent die erkenning voor hem?

Hans Bouman

‘Mijn leven is sinds de toekenning van de Nobelprijs niet zo dramatisch veranderd als je zou verwachten. Het belangrijkste verschil is dat ik minder tijd heb voor mijzelf, omdat er bijeenkomsten zijn waarop ik word verwacht en interviews waarvoor ik word gevraagd. En mijn toekomstperspectief is veranderd, althans voor de komende maanden. Het zal nog even duren voor ik weer rustig aan mijn schrijftafel kan plaatsnemen. Maar dat hoort er allemaal bij. Weinig reden om te klagen, lijkt me.”

Het gebeurt niet vaak dat een auteur die in het Engels schrijft en de Nobelprijs voor Literatuur krijgt toegekend zo’n grote onbekende is, zelfs bij een boekminnend publiek. Want, tja, wie was Abdulrazak Gurnah eigenlijk? Natuurlijk, hij had in 1994 de shortlist van de Booker Prize gehaald met zijn roman Paradise, maar voorts hebben zijn literaire activiteiten zich vooral in de periferie afgespeeld.

De meest nadrukkelijke illustratie van dat feit: toen zijn bekroning in september bekend werd gemaakt, was zijn werk volstrekt afwezig in de boekhandel. Niet alleen bij ons, maar ook in Groot-Brittannië en elders. Logisch dus dat de Brits-Tanzaniaanse auteur, nu hij op zijn 73ste ineens in de spotlights staat, niet klaagt over zijn ‘Nobelverplichtingen’.

Twaalf jaar leuren met een boek

Abdulrazak Gurnah werd op 20 december 1948 geboren op het eiland Zanzibar, toen een Brits protectoraat. In 1964 brak daar een revolutie uit die leidde tot grote maatschappelijke chaos en het einde betekende van de handelsfirma van Gurnahs familie. In 1967 besloot Gurnah naar Groot-Brittannië te vertrekken, waar hij Engels studeerde.

Gurnah werd in 1983 benoemd tot hoog­leraar Engelse en postkoloniale literatuur aan de University of Kent. Nadat hij twaalf jaar met het boek had lopen leuren, debuteerde Gurnah in 1987 als romanschrijver met Herinneringen aan mijn zwarte rotjeugd. Hij brak door bij een breder publiek toen zijn vierde roman, Paradise (1994), op de shortlist van de Booker Prize belandde. Net als Gurnahs eerdere en latere werk handelt dit boek over thema’s als ontworteling, migratie, het vinden van een identiteit en de gevolgen van kolonialisme. Ondanks de nominatie van Paradise en later By the Sea bleef Gurnah een auteur met een relatief klein lezers­publiek.

Dat veranderde toen hem in 2021 de Nobelprijs voor Literatuur werd toegekend, maar niet onmiddellijk: op het moment dat de Academie Gurnahs bekroning bekendmaakte, waren zijn boeken nauwelijks verkrijgbaar. Gurnah publiceerde in totaal tien romans, waarvan Afterlives (2020) de recentste is. Van dit boek verschijnt in september een Nederlandse vertaling.

Abdulrazak Gurnah reisde in 1967 als 18-jarige samen met zijn broer van hun geboorte-­eiland Zanzibar naar het Verenigd Koninkrijk. Op Zanzibar heerste toen al een paar jaar chaos. Na een bloedig verlopen, door anti-Arabische en anti-­Indiase sentimenten gekenmerkte machtsovername in 1964 werd onder meer alle particuliere handel met het buitenland verboden. Dat had desastreuze gevolgen voor Gurnahs familie.

“Mijn vader komt oorspronkelijk uit Jemen en trok al op jonge leeftijd naar Zanzibar, dat altijd een handelseiland is geweest. Hij werkte er voor zijn oudere broer, die er een onderneming had. Het ging daarbij om producten die met de passaatwinden werden verscheept tussen ons eiland en gebieden als Somalië, Arabië, India en verder weg: een eeuwenoude handel waarvan je dikwijls flink ging stinken, want een groot deel van de lading bestond uit vis. In 1964 kwam daar in één klap een eind aan.

“Nee, het is niet zo dat mijn familie gevaar liep vanwege anti-Indiase sentimenten na de revolutie. Wij hebben geen Indiase achtergrond, al weet ik dat dat op het internet wel wordt beweerd. Er leek simpelweg weinig toekomst voor ons te zijn op het eiland, en daarom besloten mijn broer en ik na onze middelbareschooltijd, tegen de regels in, een toekomst te zoeken in het Verenigd ­Koninkrijk.

“We kenden een neef die daar aan zijn doctoraat werkte. Want zo gaat dat vaak met migranten: ze trekken naar een plek waar al bekenden wonen. Hoewel het een illegaal vertrek was, werden we door de Britse immigratieautoriteiten vriendelijk behandeld en kregen we een toeristenvisum.”

In Groot-Brittannië zelf viel het met de vriendelijkheid vervolgens nogal tegen, schreef u ooit in een essay in The Guardian.

“Het was in de jaren 1960 in Groot-Brittannië nog tamelijk acceptabel om openlijk racistisch te zijn. Racistische grappen van mijn mede­studenten, van leraren, op televisie en in ­andere media ­waren de gewoonste zaak van de wereld. Vaak beschouwden degenen die ze maakten zichzelf helemaal niet als racisten: zo’n grap moest ­gewoon kunnen.

“Dat was, op z’n zachtst gezegd, niet erg comfortabel.

“Niet veel later hield het Conservatieve Britse parlementslid Enoch Powell zijn beruchte Rivers of Blood-speech, waarin hij voorspelde dat de migratie naar Groot-Brittannië zou uitlopen op een bloedbad. Als ik toen weg had gekund, zou ik zijn gegaan. Maar ik had mijn land illegaal verlaten. Voor mij was er geen weg terug.”

In uw acceptatiespeech bij het in ontvangst nemen van de Nobelprijs schreef u: ‘Writing was always a pleasure.’ Wanneer begon die liefde?

“Op school in Zanzibar. Op de lagere school was de voertaal Swahili, maar in het middelbaar ging alles in het Engels en waren de meeste docenten Europeanen. In die periode ontdekte ik het schrijven. Ik kreeg veel aanmoediging van mijn leraren, dus dat maakte het genoegen alleen maar groter. Toen ik in Groot-Brittannië aankwam, beheerste ik de taal redelijk. Ik heb toen vrij snel de pen weer opgepakt.”

Sommige auteurs uit gekoloniseerde landen hebben een afkeer van ‘schrijven in de taal van de onderdrukker’. Hebt u ooit over­wogen in het Swahili te gaan schrijven?

“Nee, nooit. Vanaf het eerste moment dat ik ­fictie schreef, was dat in het Engels. Ik las ook altijd in het Engels en wat mij betreft zijn lezen en schrijven op een intieme manier met elkaar verbonden. Als je schrijft, reageer je bewust of onbewust op wat je hebt gelezen. Lezers en schrijvers vormen een gemeenschap die bepaalde zaken met elkaar delen.

‘Racistische grappen van studenten, van leraren, en in media, waren in het Groot-Brittannië van de jaren 60 de normaalste zaak van de wereld.’  Beeld Getty Images
‘Racistische grappen van studenten, van leraren, en in media, waren in het Groot-Brittannië van de jaren 60 de normaalste zaak van de wereld.’Beeld Getty Images

“Natuurlijk was ik me er wel van bewust dat er, ook in deze community, sprake was van een ­zekere vijandigheid tegenover mensen als ik. Maar dat ontmoedigde me niet. Integendeel: het voegde dynamiek toe aan de manier waarop ik de ­Engelse taal kon gebruiken. Het gaf mij als ­buitenstaander iets wat iemand niet heeft die geboren en getogen is in Engeland en alleen Engels spreekt.”

Zou je kunnen zeggen dat een van de ­redenen waarom u bent gaan schrijven ­luidde: greep krijgen op, en begrip krijgen van, uw persoonlijke ervaringen?

“Zeker, en in meer dan één betekenis. Zoals ik in mijn Nobelprijsspeech zei, was er sprake van verschillende impulsen. Die hadden zowel te maken met wat ik had achtergelaten als met hoe ik mezelf zag. Met wat mij was overkomen en de betekenis ervan, maar ook met wat ik in Engeland ervoer en, bij nadere beschouwing, met hoe Engeland keek naar mensen als ik. Al die zaken op een rijtje krijgen en vervolgens doorgronden: dat was de achtergrond van waarom ik schreef.”

Toch wilde u van meet af aan niet auto­bio­grafisch schrijven. Het personage ­Hassan in uw debuutroman Memory of ­Departure ­vertrekt bijvoorbeeld niet naar Engeland, maar naar Kenia.

“Ik probeerde mezelf inderdaad buiten mijn boeken te houden, al moet ik zeggen dat dat niet altijd meeviel. In sterk plotgedreven genrefictie is dat nog wel te doen, maar in meer beschouwende fictie baseer je je vaak op wat je weet, wat je hebt ervaren, gehoord, gezien.

“Mijn boeken zijn niet autobiografisch in de zin dat ik mijn leven beschrijf, maar veel van wat ik schrijf, is een weerspiegeling van mijn ­ervaringen of waarnemingen. Mijn personages zijn niet een op een te herleiden tot bestaande figuren, maar ze belichamen wel begrippen als hebzucht en vriendelijkheid. Bij het schrijven van Memory of Departure was ik, de titel ten spijt, niet zozeer geïnteresseerd in migratie als wel in de wreedheid die bestaat binnen families, en in de oervraag: waar komt wreedheid vandaan?”

Toen u van Zanzibar naar Groot-Brittannië vertrok, moest u het land, de familie en de cultuur waarin u wortelde achterlaten. Is uw romanoeuvre te beschouwen als een complex van ‘plaatsvervangende wortels’?

“Tot op zekere hoogte misschien wel. Ik heb de neiging om zaken waarin ik geïnteresseerd ben onder te brengen op plekken uit mijn verleden. Ik wil wel benadrukken dat ik niet uit nostalgie over Zanzibar schrijf. Dat vind ik tenminste zelf. Ik vind het belangrijk dat lezers in mijn boeken zaken herkennen uit hun eigen leven, ook al zijn die verbonden aan heel andere plekken.

“Dus hoeveel details mijn boeken ook geven over ­Zanzibar, Mombasa of welke plek ook, ik hoop dat ze ook iets universeels hebben. Dat ze over ons allemaal gaan.”

Over nostalgie gesproken: wanneer was u voor het eerst in de gelegenheid Zanzibar weer te bezoeken?

“Het was lange tijd niet veilig om terug te keren. In de jaren 1980 kwamen er nieuwe machthebbers en kregen illegale vluchtelingen allemaal amnestie, zodat ik het eiland in 1984 weer kon bezoeken. Dat was net op tijd: mijn vader en veel andere familieleden leefden nog, maar overleden kort daarna.

“Tegenover deze positieve ervaring stond mijn desillusie over wat er sinds mijn vertrek allemaal was misgegaan. Mensen hadden het moeilijk: er was nauwelijks schoon water, veel dingen waren schaars, er heerste nog steeds een autoritair bewind. Inmiddels is de situatie op Zanzibar aanzienlijk verbeterd, maar in de jaren 80 stond het eiland nog maar aan het begin van een langzaam liberalisatieproces.”

Deze maand is de roman Paradijs opnieuw in het Nederlands uitgebracht. Het verhaal speelt in oostelijk Afrika in de periode voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog, als het gebied een ­Duitse kolonie is.

Hoofdpersoon is Yusuf, aan het begin van de roman twaalf jaar oud, die door zijn vader wordt ‘weggegeven’ aan een plaatselijke ­handelaar bij wie hij in het krijt staat. Via Yusuf krijgt de lezer een beeld van de gevolgen van de kolonisatie, maar ook van de slavernij (de personages spreken nogal anachronistisch van ‘slaafgemaakten’), waaraan met name de Arabieren zich schuldig maken.

Yusufs belevenissen zullen westerse lezers doen denken aan het verhaal van Jozef in het Oude Testament. Ik veronderstel dat in uw geval de Koran als inspiratiebron ­diende?

“Dat klopt, want de Bijbel speelde in mijn jeugd geen rol. Toen ik naar Engeland kwam en literatuur ging studeren, moest ik mij natuurlijk vertrouwd maken met Bijbelse verhalen. Je kunt George Eliot (Britse schrijfster, 1819-1880, red.) niet begrijpen zonder iets van de Bijbel te weten. Maar veel verhalen in de Bijbel hebben hun equivalent in de Koran.

‘Gedurende mijn hele jeugd hoorden mijn leeftijdgenoten en ik verhalen over de oorlog in Oost-Afrika. Toen ik begon te schrijven, wilde ik daar meer van weten.’ Beeld AP
‘Gedurende mijn hele jeugd hoorden mijn leeftijdgenoten en ik verhalen over de oorlog in Oost-Afrika. Toen ik begon te schrijven, wilde ik daar meer van weten.’Beeld AP

“Het verhaal van Jozef is in veel culturen erg populair. In de Bijbelse versie van dat verhaal ligt de nadruk op Jozefs triomf. In het begin wordt hij heel slecht behandeld door zijn broers en belaagd door de vrouw van Potifar, maar daarna boekt hij het ene succes na het andere, tot hij uiteindelijk de rechterhand van de farao wordt. In mijn boek heb ik Jozef gebruikt als een ideaalbeeld van onschuld en ligt de nadruk op hoe de onschuld van Yusuf wordt bedreigd en misbruikt.”

Uw nieuwste roman Afterlives lijkt een vervolg op Paradijs.

Paradijs eindigt als Yusuf dienst neemt in het Duitse leger. Oorspronkelijk was dat het begin van de roman, maar toen kwam de vraag op: hoe komt Yusuf tot dat besluit? Toen ik zijn voor­geschiedenis begon op te schrijven, werd dát de roman. Vervolgens heb ik jarenlang met het idee rondgelopen dat ik terug moest naar het einde van Paradijs en moest vertellen hoe het afliep met Yusuf, of met iemand als hij. Dat was het begin van Afterlives.”

In Paradijs is sprake van handelsexpedities die diep het binnenland ingaan van wat nu Tanzania is. Critici hebben wel de ­ver­gelij­king getrokken met Joseph Conrads ­novelle Heart of Darkness, een boek over de duisternis van de menselijke geest.

“Toen ik Heart of Darkness als schooljongen voor het eerst las, dacht ik: dit boek gaat zogenaamd over een reis naar het onbekende, het mysterieuze, maar in werkelijkheid is de plek waar die reis naartoe gaat helemaal niet onbekend en geheimzinnig! En het ís helemaal geen hart. Het is gewoon een plek waar je naartoe gaat en vanwaar je weer terugkeert. Ik had als kind klasgenootjes die ervandaan kwamen.

“De ware duisternis zit ergens anders. Tijdens een expeditie naar het binnenland die Yusuf en de zijnen maken, komen ze een Europese ­expeditie tegen die ze van hun spullen berooft. Dat is een ontmoeting die ik zou willen vergelijken met de confrontatie tussen Kurz en Marlow, de verteller van Heart of Darkness. Ik zie die ­scène als het begin van de vestiging van Europese macht in dat gebied.”

U hebt een bijzondere belangstelling voor deze fase in de geschiedenis.

“Ik ben opgegroeid met verhalen uit die periode, vooral de belevenissen van een oudoom die tijdens de Eerste Wereldoorlog als drager in dienst moest bij de Duitsers. Hij vertelde de ­gruwelverhalen over de Duitse Schutztruppe. Gedurende mijn hele jeugd hoorden mijn leeftijdgenoten en ik verhalen over de oorlog in Oost-Afrika. Toen ik begon te schrijven, wilde ik daar meer van weten.

“Het verhaal dat in Oost-Afrika over de Eerste Wereldoorlog werd verteld, was altijd nadrukkelijk het Europese verhaal. Er werd nauwelijks stilgestaan bij de vraag wat die oorlog voor de plaatselijke bewoners betekende. En hoe de oorlog werd uitgevochten. Dat was altijd maar een bijzaak, want de echte oorlog speelde zich af in ­Europa. Het maakte dit een heel interessant onderwerp.

“De geschiedenis is altijd bij ons. We hebben haar niet achter ons gelaten. Wanneer we het over het koloniale verleden hebben, is meer dan duidelijk dat dat overal in Europa nog buitengewoon aanwezig is.”

Uw werk heeft niet alleen esthetische, maar nadrukkelijk ook morele en politieke implicaties. Betekent uw bekroning dat u, zoals sommige Nobellaureaten, een publiekere ­figuur zult worden?

“Ik heb me nooit beperkt gevoeld in mijn ­mogelijkheden om te spreken over zaken die ik van belang acht, met name over de behandeling van mensen die als vluchteling of asielzoeker naar het Verenigd Koninkrijk en Europa komen. Daar zal ik mij dus gewoon over blijven uit­spreken, maar mogelijk hebben mijn woorden nu een andere impact.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234