Zondag 29/05/2022

InterviewRamsey Nasr

Ramsey Nasr: ‘We zien in álles een aantasting van onze vrijheid’

Ramsey Nasr: 'Een bizarre gewaarwording: ik begrijp tegenwoordig beter hoe iemand ertoe komt om op Geert Wilders te stemmen.' Beeld andreas terlaak
Ramsey Nasr: 'Een bizarre gewaarwording: ik begrijp tegenwoordig beter hoe iemand ertoe komt om op Geert Wilders te stemmen.'Beeld andreas terlaak

Na De fundamenten, zijn bestseller over leven onder een pandemie, stort Ramsey Nasr (47) zich weer op de poëzie. Toch waagt hij zich op deze pagina’s nog aan een aantal sterke ­meningen – en ziet hij sprankeltjes hoop. ‘Uit al dat ongenoegen kan iets goeds ontstaan.’

Els Maes

Toen de theateracteur Ramsey Nasr technisch werkloos de eerste lockdown moest ondergaan, ging de schrijver Ramsey Nasr aan de arbeid. Wat begon als een persoonlijk dagboek over die bevreemdende eerste coronaweken, resulteerde in De fundamenten, een bundel met drie essays die de huidige gezondheidscrisis linken aan andere maatschappelijke malaises zoals de klimaatproblematiek. Zijn cri de coeur vond weerklank bij een groot publiek en werd een van de bestsellers van vorig jaar.

Daarop besloot de uitgever om ook de dichter Ramsey Nasr wakker te schudden. Eind deze maand komt hij voor het eerst in jaren met nieuw dichtwerk: het Poëziegeschenk dat Nasr schreef is een voorproefje van een eerste nieuwe poëziebundel in negen jaar tijd. Maar eerst is er Nasr compacter, waarin de auteur het beste van twintig jaar dichterschap verzamelt.

BIO * dichter, schrijver, acteur en regisseur * geboren op 28 januari 1974 in Rotterdam * was stadsdichter van Antwerpen en Dichter des Vaderlands in Nederland * Na De fundamenten (2021) volgen nu het Poëziegeschenk, de bloemlezing Nasr compacter en zijn eerste poëziebundel in negen jaar

Die bloemlezing opent geheel ontoevallig met het eerste gedicht van Nasr als Nederlands dichter des vaderlands: ‘Ik wou dat ik twee burgers was (dan kon ik samenleven)’. Zijn omschrijving van Nederland als ‘een woestijn van oneindige vrijheid’ lijkt meer dan tien jaar later alleen maar relevanter geworden. Dus hebben we het, opgesloten in onze Zoom-schermpjes, over ‘vrijheid’, dat dingetje waar iedereen naar lijkt te verlangen, terwijl niemand nog weet wat het betekent.

Nasr: “Ik vrees dat we hier in Nederland in álles een aantasting van onze persoonlijke vrijheid zijn gaan zien. Die houding maakt samenleven op den duur onmogelijk. Bij mijn weten is Nederland het enige land in Europa waar winkels werden geplunderd na het invoeren van de avondklok, en waar een coronatestcentrum in de fik werd gestoken. En dat is dan geen geweld, maar ‘vrije meningsuiting’.

“Het is natuurlijk een generalisatie, maar wij ­Nederlanders beschouwen eender welke regel, elk rood stoplicht, als een inbreuk op ons recht om te allen tijde te doen wat we willen. Wat ik in dat gedicht probeerde te vatten is wat een enorme kloof er gaapt tussen dat godvrezende, nijvere, nuchtere volk uit de 17de eeuw en de luide, losbandige, hysterische Nederlanders van vandaag. Of in verzen gesteld: ‘hoe kon uit zuinige rupsen dit hummervolk opstaan?’

“Amsterdam was altijd al een beetje opgefokt, maar het werd de laatste jaren steeds erger. Stom voorbeeldje: ik wil een meisje voorbijsteken op de fiets, en omdat ze wat naar links zwalkt rinkel ik even met mijn fietsbel, gewoon om aan te geven: pas op, ik kom eraan. Dan krijg je dus meteen een opgestoken middenvinger, en een verveeld-arrogante blik die uitdrukt: get a life, lul. Ik wuif dan vriendelijk terug en zeg: ‘U ook nog een fijne avond!’ Maar serieus…. dan moeten we ons toch gaan afvragen: hoe zijn wij op dit punt aanbeland?

“Je kunt je niet voorstellen waar mensen tegenwoordig kwaad over worden. Op straat, in het verkeer, in treinen, in winkels… we zijn niet meer in de hand te houden. Voorts zijn we ook ontzettend leuk en gezellig, hoor – maar dit is echt een fundamenteel probleem.”

In De fundamenten beschrijft u het ontroerende gevoel van samenhorigheid in de eerste lockdown. Het tweede essay gaat over de coronaprotesten en ‘wappies’. Hoe zijn we zo snel afgegleden van ‘samen vechten tegen een gemeenschappelijke vijand’ naar een toestand met complotdenken, agressie en verdeeldheid?

“Deze hele toestand is gewoon te groot om te vatten, denk ik. We zijn het afgeleerd om in grote concepten naar ons bestaan te kijken. De waarheid is ook gewoon heel lastig om te accepteren: jij bent niet het centrum van het universum. We mogen hier eventjes rondlopen en moeten ons toevallige bestaan delen met zo’n 8 miljard anderen. We weten dat wel, maar eigenlijk accepteren we het niet. We zijn immuun geworden voor onze onbeduidendheid.

“Wanneer we geconfronteerd worden met een oncomfortabele waarheid, gaan we vaak op zoek naar een simpele verklaring en een externe vijand die we de schuld kunnen geven. Ik begrijp wel dat Nederlanders extra gevoelig zijn voor complottheo­rieën, omdat we sowieso al het gevoel hebben dat we constant belazerd worden en voor onszelf moeten opkomen. De mondige, kritische burger verdraagt nog weinig. We zijn een collectief geworden dat zich door het leven begeeft zoals dat meisje op de fiets: met opgestoken vinger, ‘fuck de rest’. Natuurlijk zijn we niet allemaal zo, maar dit is de achilleshiel van onze samenleving. We willen hyperindividueel door het leven gaan, alsof er geen andere mensen bestaan, en dan is een pandemie wel een bijzonder moeilijke context.”

Maar zoals u in De fundamenten ook beschrijft: we worden daadwerkelijk elke dag belazerd, alleen niet op de manier die complotdenkers ons voorhouden. Maar het is moeilijk om nog vol te houden dat wantrouwen tegen de beleidsvoerders volledig onterecht is.

“Precies, dat was ook voor mij een bizarre gewaarwording: ik begrijp tegenwoordig beter hoe iemand ertoe komt om op Geert Wilders te stemmen. Nooit gedacht dat ik dit zou zeggen, maar ik kan zo’n kreet als ‘alle politici zijn zakkenvullers en leugenaars’ nu plaatsen. Hoewel ik het anders zou verwoorden, deel ik stilaan het gevoel erachter. We zien dat het onze politieke leiders ontbreekt aan oprechtheid, en elke week lees je wel een nieuw verhaal dat die vaststelling staaft.

“Neem de toeslagenaffaire, die onze regering heeft doen aftreden. Tienduizenden onschuldige levens werden verwoest, meer dan duizend kinderen zijn uit huis geplaatst, enkel en alleen door een hardvochtig systeem van verdachtmakingen. En dan kom je weer terug op dat wantrouwen van de ander, in dit geval een overheid die haar eigen burgers wantrouwt. Het is dus geïnstitutionaliseerd (bij de ‘toeslagenaffaire’ werden tienduizenden ouders onterecht verdacht van fraude met kindertoeslag, red.). De afgetreden leiders, Rutte voorop, beloofden een radicale bestuursomslag. Maar na een afstraffing door de kiezer en de langste formatie ooit is dit het resultaat: we gaan gewoon lekker voort met exact dezelfde partijen, niet gehinderd door enig schuldbesef. Dan kunnen we het al die ‘dommeriken’ toch niet kwalijk nemen dat ze zich tegen het beleid keren en voor extremen kiezen? Dat het vertrouwen in de politiek weg is?”

In België leek men verbaasd vast te stellen dat het ongenoegen over het beleid tot verrassende nieuwe bondgenootschappen leidt. Dat bleek op een uit de hand gelopen ­coronabetoging in Brussel, waar de meest uiteenlopende ideologieën mee optrokken met Dries Van Langenhove van Schild & Vrienden.

“Ja, dat moet ons toch zorgen baren? Je ziet inderdaad verbanden ontstaan die je eerder niet voor mogelijk hield. De yoga-instructrice die niks ‘onnatuurlijks’ in haar lijf wil, wordt plots in haar verzet tegen vaccinaties en tegen de coronapas aangetrokken door de complottheorieën die extreemrechts verspreidt. Als we al die mensen wegzetten als ‘gekkies’ en hun bekommernissen niet serieus nemen, dan maken we een kapitale fout.

“Je kunt dat protest ook omdraaien naar iets positiefs: al die mensen zijn wanhopig op zoek naar verandering. Mijn hoop is dat er uit al dat ongenoegen iets goeds kan ontstaan. Het is misschien een droom, maar ik geloof echt dat je mensen kunt verenigen als je elkaars noden begrijpt en aanvaardt, en oprechte antwoorden biedt.

“Neem als voorbeeld de boerenprotesten, die om de zoveel tijd in alle hevigheid oplaaien. Ik deel hun mening niet: ik ben vegetariër, en ik vind dat die grootschalige veeteelt al jaren geleden had moeten stoppen. Maar dat betekent niet dat ik geen begrip heb voor de zorgen van die veehouders. Stel je voor dat je pas een enorme investering hebt gedaan om aan de zoveelste nieuwe stikstofnorm te voldoen, om dan te horen dat je bedrijf toch zal moeten verdwijnen. Dat is vreselijk en daar moeten we empathie voor opbrengen.

“We kijken te veel naar de verschillen, maar misschien willen we allemaal niet eens zo’n heel verschillende dingen. Mensen willen gehoord worden, en we willen een beleid dat transparant en oprecht is. Politieke leiders moeten soms onpopulaire maatregelen nemen, maar als je die duidelijk beargumenteert, zal dat beter aanvaard worden. Nu wordt het publiek gesust met halfslachtigheid. Je kunt niet eerst beloven dat we in november van alle maatregelen verlost zullen zijn, en dan zeggen: o nee, toch niet. Een pandemie vraagt niet om politiek, maar om leiderschap.

“Nu worden alle misnoegden in de armen van de rechts-populisten geduwd. Waar ik op hoop is dat er iemand aan de linkerzijde opduikt die welbespraakt is en charisma en durf heeft, en die oor heeft voor de woede en de angst en het ongenoegen die broeien bij de bevolking. Als het aan de rechterzijde lukt, waarom zouden we in progressieve hoek dan geen mensen kunnen mobiliseren en verenigen?

“Dat is een van de redenen waarom ik De fundamenten wilde uitbrengen. We kunnen het ons niet meer permitteren in ons eigen sektarische wereldje te blijven zitten en te denken: ach, dit waait wel over. Nee, dit waait niet over, dit wordt een storm. Sterker nog, we zitten er al in.”

De voorbije jaren leek u zich wat te hebben teruggetrokken uit het publieke debat, terwijl u jarenlang uw mening liet horen, in opinieteksten en kritische essays, in kranten en talkshows. Was het een bewuste beslissing om de luwte op te zoeken?

“Klopt, en het is me prima bevallen om een tijdje mijn mond te houden. (lacht) Ik ben iemand die wel vaker radicaal beslist een andere weg in te slaan. In 2000 besliste ik met theater te stoppen, toen ik de kans kreeg om mijn eerste dichtbundel te publiceren. En toen mijn periode als dichter des vaderlands ten einde kwam in 2013, wilde ik terugkeren naar het theater, naar mijn veilige nest. Dat voelde als een noodzaak, want die jaren in de publieke arena waren behoorlijk slopend geweest. Als stadsdichter (Nasr was in 2005 Antwerps stadsdichter, red.) en zeker als dichter des vaderlands word je geacht de hele tijd alert te zijn voor de actualiteit, en op alles wat je doet en zegt en schrijft krijg je commentaar – wat ik alleen maar prima vind, begrijp me goed. Maar ook al ontwikkel je een olifantenhuid door alle racistische bagger en de bedreigingen die je over je heen krijgt, eigenlijk went het nooit.”

Is dat ook de reden waarom u zich de voorbije jaren nog maar zelden uitsprak over het conflict in het Midden-Oosten?

“Dat was een bewuste keuze. Ik wil niet vervallen in een rol van ‘half-Palestijn’ die bij elke opstoot van geweld even een citaatje kan leveren. Dat is best cynisch ook. Ik ben geen Midden-Oosten-verslaggever, voor mij gaat dit over mijn familie, mijn vader, over dierbaren die gestorven zijn. Dat is persoonlijk heel pijnlijk, en ik vind het niet fijn om daarover te praten, dus op een gegeven moment heb ik beslist om dat niet meer vaak te doen.

'Iedereen heeft iemand nodig die jou als mens graag ziet, maar met wie je wezenlijk van mening kunt verschillen.' Beeld andreas terlaak
'Iedereen heeft iemand nodig die jou als mens graag ziet, maar met wie je wezenlijk van mening kunt verschillen.'Beeld andreas terlaak

“En eerlijk: ik ben ook moedeloos geworden. Wat moet je doen, bij elke inval in Gaza nog eens uitleggen hoe dit conflict meer dan een halve eeuw geleden ontstaan is? Dat had ooit zin, ja. Ik geloofde ooit dat bewustwording deel van de oplossing zou zijn. Maar het maakt allemaal niets uit wat er in kranten verschijnt, welke vreselijke beelden je op televisie ziet, zelfs niet wat er in VN-resoluties staat. Iedereen wéét inmiddels wel wat er aan de hand is. En Israël toont keer op keer dat niets het kan deren en dat het bereid is nog een stapje verder te gaan. Er blijft alleen maar woede en onmacht over.”

Het is opmerkelijk dat u heel hoopvol en strijdvaardig klinkt als het bijvoorbeeld over de klimaatzaak gaat. Maar vrede in het Midden-Oosten hebt u opgegeven?

‘Nee. Dat niet. Dat is namelijk exact de bedoeling van Israël, het is in de kern een ontmoedigings­beleid.

“Ik klamp me hieraan vast: als een toestand compleet uitzichtloos is, juist dán is er de kans dat iets nieuws ontstaat. Zo werkt dat ook in de scheikunde: onder extreem grote druk wordt gas vloeibaar of verandert gesteente in kristal.

“Voor het eerst sinds lang zie ik sprankeltjes hoop. Ik zie wat er gebeurt bij de jonge generatie activisten, die zich heel slim bedienen van sociale media, zoals duidelijk werd bij MeToo, Black Lives Matter, de klimaatprotesten. Ik zie hoe er ook rond de Palestijnse zaak pressiegroepen ontstaan via sociale media, niet op een naïeve manier en niet alleen als het geweld oplaait. Zelfs in de Verenigde Staten brokkelt de klakkeloze steun voor Israël stilaan af. Daar beweegt iets, bijvoorbeeld dankzij jonge Democraten die het aandurven om het beleid in vraag te stellen: ‘Waarom geven wij eigenlijk elk jaar 3,5 miljard militaire steun aan Israël?’”

Vindt u aansluiting bij die jonge activistische generatie? Of bent u voor hen een bijna witte, bijna vijftigjare cisgender hetero, die deel uitmaakt van het establishment?

“Ten eerste: ja, ik voel me heel sterk met hen verbonden, en ik deel ook veel van de verwijten die zij onze generatie maken.

“Maar ik snap waar je op aanstuurt. Weet je, door die openbare functies van stadsdichter en dichter des vaderlands kreeg ik plots een label van ‘allochtoon’ opgeplakt – tot die tijd had ik daar nooit bij stilgestaan. Ik kreeg fanmail waarin ik een teringbuitenlander werd genoemd die maar snel terug moest naar Marokko, Iran, Turkije, of waar ik ook vandaan mag komen. Toen ik in Antwerpen als stadsdichter werd aangesteld, hoorde je aanvankelijk ook zulke reacties: ‘Die is niet echt van hier’. Ik vond het geweldig, die jaren, vooral de tijd als stadsdichter. Maar ik moest dus blijkbaar accepteren dat wildvreemden konden zeggen: ‘Dit is niet jouw plek’.

“Toen ik daarna opnieuw ging acteren, dacht ik van die bagger verlost te zijn. Maar nu krijg ik in de toneelwereld berichten te lezen waarin ik word weggezet als het prototype van ‘mijnheer wit privilege’. Een recensent schreef op Facebook een stukje over mijn theatermonoloog De andere stem, met de omineuze beginregel ‘ik heb de voorstelling niet gezien, maar….’ En in dat stukje moet ik dan lezen dat ik een bange witte man ben, die dringend plaats moet ruimen voor meer diversiteit. Dan knapt er wel iets.

“Wat ben ik nu: een vuile allochtoon die moet oprotten, of de witte geprivilegieerde man die de anderen geen plekje gunt? Make a choice, mensen!

“Ik ben een groot voorstander van meer diversiteit in alle aspecten van onze samenleving. Geloof me, ik weet wat het is om buitengesloten te worden. Maar kunnen we wat minder in zwart-wit denken? En vooral: mag er ietsje meer liefde en mildheid zijn in deze discussies?

“Een Vlaamse toneelrecensent vroeg zich in een interview in NRC af of we al die oude, dode, witte mannen nog wel moeten opvoeren. En dan had hij het over de Griekse tragedieschrijvers, over Shakespeare, Ibsen en ga zo maar door. Wat een stupide en gevaarlijke opmerking! Het is stupide omdat we aan hen fonkelende personages als Elektra, Medea, Antigone, Othello en Nora te danken hebben. Het is stupide omdat hun stukken bol staan van hedendaagse thema’s als oorlog, vluchtelingen, hoogmoed, toxisch machismo en machtspolitiek. En het is gevaarlijk omdat je een schijn van tweedeling creëert. Wij tegen hen. Met zulke vrienden heb je geen vijanden meer nodig. “

Actrice Halina Reijn, tot voor kort uw collega bij ITA (Internationaal Theater Amsterdam), zei in een interview in deze krant ongeveer hetzelfde: met The Fountainhead van Ayn Rand als uitzondering had ze bij Ivo van Hove alleen stukken van witte mannen opgevoerd, en daar had ze genoeg van.

“Dat het theaterrepertoire verrijkt moet worden, daar zijn we het toch allemaal over eens? Meer eigentijdse stukken, meer diversiteit, meer interessante vrouwenrollen: absoluut. ITA is op heel veel vlakken een revolutionair gezelschap, en heeft een radicaal nieuwe benadering van theater voortgebracht – maar die vernieuwing heeft zich tot voor kort niet vertaald op het vlak van diversiteit, en dat wordt nu echt geadresseerd. We evolueren stilaan naar een ensemble dat meer en meer de samenleving weerspiegelt, en zo hoort het. En dat mag van mij nog veel meer gebeuren als het om het repertoire gaat. Maar ik wil werk van én Hanya Yanagihara (wier roman ‘Een klein leven’ door ITA naar het theater werd vertaald, red.) én Shakespeare kunnen spelen.

“Een ander voorbeeld. Aan Amerikaanse universiteiten wordt nu gediscussieerd of ze De metamorfosen van Ovidius nog op het curriculum kunnen houden. Dat is een van de mooiste en belangrijkste werken die ik in mijn leven gelezen heb. En daar komen inderdaad gewelddadige scènes en verkrachtingen in voor – dit is een wereld waarin de Griekse god Zeus vermomd als zwaan de Spar­taanse koningin Leda verkracht. Dat ligt vandaag moeilijk: ik las in een artikel dat een studente in de VS zich onveilig voelde bij het lezen van De metamorfosen. Waarop het werk van de leeslijst werd gehaald. Wederom: stupide en gevaarlijk.

“Dat is nu net het waardevolle van kunst en literatuur: ze kunnen inzicht bieden in machtsstructuren, bijvoorbeeld door de excessen van geweld te tonen, via louter letters, met andere woorden: via onze eigen verbeelding. Literatuur toont ons naast schoonheid ook het ongemak, de gruwel, het onrecht. Dat heeft niets met onveiligheid te maken. Gaan we alles wat we oncomfortabel vinden van de literatuurlijst schrappen? Dan eindigen we bij sociaal realisme. Dille-en-Kamille-­kunst.”

Ik wilde zo graag eens een interview doen zonder het over ‘woke’ of ‘cancelcultuur’ te hebben, maar nu zijn we er toch weer bij aanbeland.

“Nou, ik ben eerlijk gezegd heel blij dat we allemaal wat meer woke aan het worden zijn. Dat werd hoog tijd. Het probleem is alleen dat een eigen pad daarin bewandelen voor sommigen geen optie is. Die zeggen: als jij nu zwijgt ben je zelf een racist en ben je deel van het probleem. Nee, ik zal me heus wel uitspreken, op mijn voorwaarden, wanneer en hoe ik het wil. Ik heb een grenzeloze bewondering voor activisten die de straat opgaan. Ik geloof ook in radicale verandering. Maar ik weiger om gedwongen te worden om het discours van iemand anders klakkeloos te herhalen.”

Hebt u zich tegenwoordig al geremd ­gevoeld in wat u schreef?

“Nog nooit, nee. In mijn poëzie of proza toch niet. Opinieteksten zijn natuurlijk wat anders. Maar ook daar is altijd ruimte voor twijfel.

“In opiniestukken zit altijd iets moralistisch, het is verleidelijk om mooie globale theorieën te verkondigen over de mens en de wereld. Maar dat is wat ik me tijdens het schrijven van het slot van De fundamenten realiseerde: je kunt jezelf niet buiten de analyse laten. Ik ben onderdeel van al deze problemen, ik sta niet buiten, laat staan boven deze samenleving. En net als iedereen ben ik ook geen rationeel wezen, ik neem beslissingen die twijfelachtig zijn en niet stroken met mijn idealen. Er is niemand die zich helemaal voorbeeldig en principieel gedraagt, en die niet meer naar anderen hoeft te luisteren.

“Er zijn mensen die ik heel graag heb, maar die er rare, afwijkende meningen op na houden. Tijdens mijn poolreizen leerde ik een heel bijzondere wetenschapper kennen, een Slauerhoff citerende poolreiziger, een heel originele denker en in de liefde een nostalgicus, net als ik. Maar mijn bezorgdheid voor het klimaat, die vindt hij onzin. Paniek is nergens voor nodig, zegt hij, dit gaat wel over. Hij is een wetenschapper en ziet de poolkappen voor zijn ogen wegsmelten, maar toch ontkent hij vurig dat er iets wezenlijks aan de hand is. Maar omdat ik hem zo graag mag, wil ik daar met hem over blijven praten. Niet alleen om hem te overtuigen van mijn gelijk of hem met cijfers en feiten te bestoken, ook omdat ik oprecht graag wil begrijpen hoe een man als hij aan zulke denkbeelden komt.

“Dat is belangrijk: iedereen heeft iemand nodig die jou als mens graag ziet, maar met wie je wezenlijk van mening kunt verschillen.”

Nog even naar Nasr compacter, waarvoor u zichzelf hebt gebloemleesd. Wat dacht u toen u al uw oude poëzie nog eens herlas?

“Ik dacht dat het een snel klusje zou worden, maar ik heb er uiteindelijk weken aan gewerkt. Soms struikelde ik over een woord of een vers, her en der heb ik wat stukken herwerkt. Ik stond ervan te kijken hoeveel gedichten ik echt niet meer goed vond – of wel goed, maar niet geschikt voor deze bundel.

“Deze bloemlezing kwam er op vraag van de uitgeverij, omdat ik met De fundamenten kennelijk een nieuw lezerspubliek heb aangesproken, dat misschien nieuwsgierig is naar mijn ander werk. Er komt ook controledrang bij kijken, met deze bloemlezing heb ik ‘zeggenschap’ over mijn eigen poëzie: de rest wordt niet herdrukt. (lacht) Als ik sterf, is dit wat ik wil dat overblijft. Nee, dat klinkt echt veel te pathetisch, nu ik het zo zeg. (lacht) Deze zin slik ik in. Waag het niet om dat als kop boven het stuk te gebruiken!

“Ik bedoel: als iemand mijn oudere bundels leest, ben ik toch geneigd te zeggen: sla die en die pagina maar over. Er is vroeg werk dat gewoon nog niet rijp genoeg was, waarin ik bijvoorbeeld krampachtig de Tachtigers nabootste en mijn eigen stem nog niet had gevonden.

“Nu, ik kan moeilijk zeggen dat ik héél streng ben geweest, want ik heb nog altijd 300 pagina’s poëzie overgehouden. Er staat zelfs een nieuw gedicht in. Ik heb bij de samenstelling de chronologie omgegooid en alle gedichten puur thematisch en associatief weer samengezet. Daardoor is het een geheel nieuwe bundel geworden. En ja, voor mij is dit dus heel compact. (lacht) Het is geen geheim: ik druk me nogal graag uitvoerig uit.

“Ik had vaak het gevoel dat ik maar moet laveren tussen alle ideeën die anderen over me hebben. Voor de een ben je een lyrische liefdesdichter, voor de ander een politiek geëngageerde dichter. Deze bundel is een manier om te zeggen: kijk, dit ben ik als je alles bij elkaar zet.”

Later deze maand verschijnt het poëzieweekgeschenk Wij waren onder de betovering. Nieuw werk, waar u geen letter voor schreef. Alle woorden bent u gaan lenen bij Vincent van Gogh.

“Aan het begin van de eerste lockdown ben ik de honderden brieven van Vincent van Gogh beginnen te lezen, die ik van een verpletterende schoonheid vind.

“Die brieven heb ik tot gedichten gekneed, door er zinnen en observaties uit te pikken en te herschikken. Zo blijft een uitgepuurde kern over, die bij Van Gogh nu eens neerkomt op verrukking om wat hij ziet, dan weer op verpletterende eenzaamheid en een gevoel van isolatie. Dat verlangen naar contact resoneert natuurlijk met onze levens vandaag, tijdens de pandemie. Op een bepaalde manier is dit ook mijn poging om gehoor te geven aan zijn verlangens. Zijn wanhoopskreten te beantwoorden, vele jaren later, door ze op mijn manier te herhalen.

“Dat beschreef Van Gogh ook zelf al: niemand begrijpt me, maar via mijn werk leg ik contact met toekomstige generaties. Dat vind ik zo aangrijpend. Zijn persoonlijke leven was een troep, maar in zijn werk was hij heel zelfverzekerd. De toenadering die hij bij leven niet heeft gevonden, is er wel over de generaties heen. Dat raakt aan de kern van ons bestaan. We zijn niet alleen verbonden met die 8 miljard andere mensen op de wereld, maar ook met al wie ons voorafging en alle generaties die na ons komen.”

'Nasr compacter' en 'De fundamenten' zijn beide uitgegeven bij De Bezige Bij. Beeld rv
'Nasr compacter' en 'De fundamenten' zijn beide uitgegeven bij De Bezige Bij.Beeld rv

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234