Dinsdag 09/08/2022

InterviewRiadh Bahri

Riadh Bahri wordt journaalanker bij VRT NWS‘Die depressie heeft me destijds lamgelegd. Een complete ‘engine shutdown’’

null Beeld Rebecca Fertinel
Beeld Rebecca Fertinel

Op 28 juni zal Riadh Bahri (33) u voor het eerst toespreken als journaalanker, nadat hij jaren op de VRT-nieuwsdienst rondcirkelde als luchtvaartspecialist. Een kinderdroom die in vervulling gaat, maar ook een subtiele fuck you naar al wie niet in hem geloofde. Het parfum dat hij die dag zal dragen, een ode aan zijn vader, koos hij al. ‘En nu maar hopen dat ik me niet verspreek.’

Stijn De Wandeleer

Vraag aan Riadh Bahri hoe het met hem gaat, en je krijgt meteen een gepassioneerde uiteenzetting. Onderwerpen die in een kwartier tijd de revue passeren: zijn elektrische step die op weg van het werk naar huis een lekke band kreeg, hoe hij probeert om vier weken lang geen koolhydraten en suiker te eten omdat hij van de uitdaging houdt, en zijn passage op de Brussels Pride van een week daarvoor (“De enige dag in het jaar waarop ik in deze stad écht mezelf kan zijn”). Riadh Bahri is, ook na een hele werkdag, luid en enthou­siast. Hij weet dat woorden het best niet op het grammetje nauwkeurig gewogen worden.

Zijn stem zette hij in het verleden ook al in voor andere dingen dan entertainende commentaar. Hij mengde zich in het maatschappelijk debat, bijvoorbeeld. Dat deed hij in 2015 al, toen hij een documentaire maakte over de depressie die hem op zijn vijfentwintigste velde. Ook over het homo­fobe geweld dat hij meermaals onderging, sprak hij zich al uit. “Toch zal je me vandaag minder dan vroeger betrappen op het hebben van grote meningen”, zegt Bahri, terwijl we ons op een Brussels terras nestelen. Al zal tijdens ons gesprek snel blijken dat dat een oude gewoonte is die nét iets moeilijker af te leren valt dan hij zelf denkt.

Riadh vond al in 2011 onderdak bij de VRT, en herinnert zich nog haarfijn de euforie die hij voelde toen Martine Tanghe voor het eerst zijn naam uitsprak. Sinds eerder dit jaar presenteert hij zijn eigen onlineprogramma, #BelRiadh, waarin hij met jongeren in gesprek gaat over maatschappe­lijke thema’s die hen raken. Niet onlogisch dus dat hij geregeld de vraag kreeg of een job als journaalanker in de sterren geschreven stond. Daar reageerde hij altijd wat cryptisch op. Maar nu is het dus eindelijk officieel: vanaf 28 juni kruipt Bahri op die felbegeerde stoel, om de zin en waanzin van de dag aan elkaar te praten.

‘Ongelofelijk hoe die depressie me heeft lamgelegd. Weken heb ik me niet gewassen. Toen ik op het werk paniekaanvallen begon te krijgen, kon ik het niet meer verstoppen.' Beeld Rebecca Fertinel
‘Ongelofelijk hoe die depressie me heeft lamgelegd. Weken heb ik me niet gewassen. Toen ik op het werk paniekaanvallen begon te krijgen, kon ik het niet meer verstoppen.'Beeld Rebecca Fertinel

Vorig jaar zei je in het Radio 1-programma Touché nochtans dat journaalanker worden niet binnen de lijn van je persoonlijkheid lag. Wat is er sindsdien veranderd?

(lacht) “Dat was een eerder politiek correct antwoord, vrees ik. Ik was er toen écht van overtuigd dat de vraag niet meer zou komen. Ik heb in het verleden weleens screentesten afgelegd, en het was altijd een jeugddroom om Het Journaal te presenteren. Maar telkens als er een opportuniteit kwam, werd het toch iemand anders. Ik had die ambitie dus weer opgeborgen. Ik was er toen ook gewoon nog niet klaar voor.

“Toen Jan Becaus in 2013 afzwaaide als journaalanker, werd in sommige kranten al de vraag opgeworpen of ik hem zou opvolgen. Ik ben toen eens met hem gaan praten, en hij zei: ‘Jij zou doodgaan in die studio, want je moet kleurloos, geurloos en smaakloos zijn. En dat ben jij allesbehalve.’ Maar ik denk dat we op dat vlak al een heel eind ­geëvolueerd zijn. Iedereen die de job vandaag doet, heeft zijn eigen manier gevonden om Het journaal te presenteren. Dat was een paar jaar geleden ondenkbaar.”

In een recente aflevering van #BelRiadh had je je nagels felrood gelakt. Zal je daar nog mee wegkomen?

“O nee, dan toch iemand die dat heeft opgemerkt. (lacht) Het was een privédingetje dat ik was vergeten weg te halen. Ik had nochtans geprobeerd om mijn handen tijdens die uitzending niet te veel in beeld te brengen. Maar dat is dus niet helemaal gelukt. Mijn nagels lakken, dat zal ik tijdens het presenteren van Het Journaal niet gauw doen. Ik wil Het Journaal ook niet op stelten zetten, hè.”

Je vader peperde je vroeger al in dat je dubbel zo hard zou moeten werken omdat je geen Vlaamse naam hebt. Vind je het extra sterk dat je daar zit mét die naam?

“Toch wel. Ik weet dat heel wat mensen vinden dat de media niet divers genoeg zijn, en ik geef hen daar helemaal gelijk in. Maar toen ik in 2010 op de nieuwsdienst binnenkwam, was er van schermgezichten van kleur nauwelijks sprake. Als je naar de VRT van vandaag kijkt, vind je in alle mogelijke functies mensen van verschillende geuren en kleuren terug. Niet alleen voor de schermen, maar ook erachter, wat ik minstens even belangrijk vind. Ik besef heel goed dat ik op die stoel zit dankzij voorgangers zoals Fatma Taspinar, Aster Nzeyimana en Danira Boukhriss. Diversiteit is zo’n vanzelfsprekendheid geworden bij de VRT dat ik ervan overtuigd ben dat het feit dat mijn naam Riadh is voor geen millimeter heeft meegespeeld in de beslissing om mij journaalanker te maken.”

Op je vijfentwintigste kreeg je een depressie, waarover je later een documentaire maakte. Hebben ze daar op je werk destijds veel van gemerkt?

“Ik heb altijd mijn best gedaan om dat zoveel mogelijk weg te stoppen. Ik was als twintiger razend ambitieus, en ongeduldig. Ik dacht: als ik nu toegeef dat ik eigenlijk doodongelukkig ben, gaan ze me aan de kant schuiven als zich professionele kansen aandienen. Maar toegeven dat je ergens mee zit, is eigenlijk het sterkste wat je kan doen, besef ik nu.

“Hoe die depressie me destijds heeft lamgelegd, vind ik nog steeds ongelofelijk. Het was een complete engine shutdown. Wekenlang heb ik me niet gewassen en kwam ik niet buiten. Ik verzon smoesjes zodat ik niet met vrienden hoefde af te spreken en plande mijn werk zo in dat ik tussendoor enkele dagen thuis kon blijven, om uit te rusten. Maar toen ik ook paniekaanvallen op de werkvloer begon te krijgen, kon ik het niet meer verstoppen.”

Waar kwam die depressie vandaan?

“Ik heb lang geworsteld met de zoektocht naar mezelf en mijn seksuele geaardheid, en ook de moeilijke relatie met mijn vader heeft enorm op me gewogen. Ik was bovendien niet tevreden met mijn carrière. Het moest allemaal sneller. En dan was er nog de dood van mijn zus, die op haar achttiende aan kanker stierf. Daar werd thuis nooit over gepraat, het was een gigantisch onverwerkt trauma. (na een pauze) En toch is die depressie een van de beste dingen die me ooit is overkomen.”

Dat meen je niet.

“Toch wel. Ik ben niet opgevoed in een omgeving waar het normaal was om aan de keukentafel over je gevoelens te praten. Ik neem mijn ouders dat niet kwalijk, zij zijn ook maar het product van hun eigen opvoeding. Maar het resultaat was dat ik niet wist hoe ik met al die emoties moest omgaan. Ik ben opgevoed met het idee dat enkel presteren belangrijk was. Als ik tweede werd in de klas, vroeg mijn vader waarom ik niet de beste was. De focus lag altijd op later. Die depressie heeft me verplicht om de blik naar binnen te keren. Om te praten over mijn emoties. Om mijn grenzen aan te geven, ook.”

En toch heb je een documentaire over die periode gemaakt. Had je destijds niet gewoon moeten rusten?

“Ik zou die documentaire nu niet meer maken, nee. Ik had op dat moment de hoop dat al dat lijden zo toch nog een ­hoger doel zou dienen. Maar ik denk dat het op dat moment, voor mijn eigen helingsproces, niet de slimste beslissing was. Omdat ik mezelf blootstelde aan een tsunami van reacties die ik op dat moment eigenlijk niet aankon.

“Die mentale kwetsbaarheid draag ik mee voor de rest van mijn leven. Ik moet nog steeds opletten voor een teveel aan prikkels, terwijl ik heel moeilijk nee kan zeggen. Ik voel het ook meteen als ik tegen mijn eigen grenzen aanbots. Bij mij begint het met de fysieke gewaarwording dat ik weinig energie in mijn lichaam heb. Ook als ik afspraken begin af te zeggen of verplaatsen, is dat een teken dat de motor begint te sputteren.”

‘Twee weken voor mijn vader een hersenbloeding kreeg, zei hij in een gesprek met een OCMW-medewerker dat Niels en ik zijn 
zegen hadden. Het belangrijkste dat hij me ooit verteld heeft...’ Beeld Rebecca Fertinel
‘Twee weken voor mijn vader een hersenbloeding kreeg, zei hij in een gesprek met een OCMW-medewerker dat Niels en ik zijn zegen hadden. Het belangrijkste dat hij me ooit verteld heeft...’Beeld Rebecca Fertinel

Wat helpt er wanneer je merkt dat die depressie weer op de deur komt kloppen?

“Sporten! Sport is de beste therapie ever. Al ongeveer een jaar sta ik minstens zes dagen per week in de fitness gewichten te heffen. Ik kan er al mijn frustratie in kwijt, maar op goede dagen haal ik er ook veel plezier uit.”

Speelt het fysieke aspect van dat sporten ook mee?

“Zeker wel. Ik heb lang niet goed in mijn vel gezeten. Twee jaar geleden woog ik nog honderd kilo, hè. Ik ben een emo-eter, mijn emoties gaan bij mij door de mond. Een paar weken geleden heb ik het nog eens gedaan. Een dag op het werk was niet gelopen zoals ik had gewild, en dan stop ik ’s avonds bij de nachtwinkel om een zak chips te kopen, die dan als avondeten moet doorgaan. Daar voel ik me metéén schuldig over. Ik vind het zot hoe onze hersenen zijn geprogrammeerd om te verlangen naar vettig en ongezond eten.”

Ga je ook naar een psycholoog?

“Ik heb lang therapie gevolgd, en ben er onlangs opnieuw mee begonnen. De dood van mijn vader, eind vorig jaar, heeft toch wat dingen losgemaakt waarvan ik dacht dat ik ze eens wat nauwkeuriger moest bekijken.”

De zegen van zijn vader

Bahri groeide op in een gezin met een Tunesische vader en een Belgische moeder. Zijn kinderjaren speelden zich vooral rond Wetteren en Gent af, al keerden de Bahri’s in de zomer nog geregeld terug naar Tunesië, waar ze een huis en heel wat vrienden en familie hadden. Dat het explosieve huwelijk van zijn ouders niet tot de gelukkigste kindertijd heeft geleid, liet hij zich al meermaals ontvallen. “De relatie met mijn vader is altijd een zoektocht naar aanvaarding geweest. Mijn homoseksualiteit, daar heeft hij altijd enorm mee geworsteld.” Een tijdlang ging het nochtans beter tussen hen. “Toen mijn vader in 2018 ziek werd, zijn we elkaar, na jarenlang geen contact te hebben gehad, opnieuw beginnen ontmoeten. Niels (Cremers, toen Bahri’s partner en intussen zijn man, red.) ging toen ook regelmatig mee. Dat mocht, dus op een bepaalde manier erkende mijn vader wel wie ik was door het feit dat we daar als koppel mochten komen. Maar op het moment dat Niels en ik voor de wet getrouwd zijn, is er toch weer iets geknapt. We hebben via via gehoord dat we toch beter niet meer langskwamen.”

“Uiteindelijk heb ik de goedkeuring waarnaar ik zo lang op zoek was toch nog gekregen, na zijn dood. Op Facebook kreeg ik plots een bericht van een OCMW-medewerker die zei dat ze, twee weken voor mijn vader een hersenbloeding kreeg, een lang gesprek met hem had gehad waarin het onder andere over mij ging. Toen schreef ze – en elke keer als ik het vertel, begin ik te blèten – dat hij gezegd zou hebben dat Niels en ik zijn zegen hadden. (Na een stilte) Dat is het belangrijkste wat hij me ooit verteld heeft.”

Hoe ziet dat rouwproces voor je vader en je zus er vandaag uit?

“Ik heb de handtekening van mijn vader laten tatoeëren, terwijl ik eigenlijk helemaal niks met tatoeages heb. En meteen na zijn dood heb ik een parfum laten ontwikkelen dat me aan hem doet denken. Het moest een geur zijn die meteen de aandacht trok, die explosief was, zoals hij ook was geweest. Jasmijn is bijvoorbeeld een geur die me enorm aan mijn vader doet denken. Ik weet nu al dat ik, wanneer ik op 28 juni mijn eerste journaal presenteer, dat parfum zal dragen.

“Ook mijn zus probeer ik op zulke alledaagse manieren te herdenken. In de frituur bestelde ze altijd frieten met stoofvleessaus, curryketchup en een frikandel-special. Ondertussen is dat ook al twintig jaar mijn vaste bestelling.”

Heeft het overlijden van je zus een grote impact gehad op je levensloop?

“Mijn zus is overleden in 2001, toen ik dertien jaar oud was en zij achttien. We hebben dus maar heel weinig tijd samen doorgebracht, en toch is de impact die ze op mijn leven heeft gehad enorm. Na haar dood ben ik van school veranderd, omdat ik per se naar de school wilde gaan waar zij graag naartoe wilde, in de Voskenslaan in Gent. Dat is een vrij progressieve school, die een cruciale rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van mijn grote mond. Als mijn zus was blijven leven, was ik niet naar die school gegaan, had ik de leerkracht niet ontmoet die me stimuleerde om in de journalistiek te gaan. Dan was ik niet bij de VRT terecht­gekomen, en was mijn persoonlijkheid zich niet op dezelfde manier blijven ontwikkelen. Misschien was ik Niels zelfs nooit tegengekomen.”

Je ouders hadden allesbehalve een harmonieus huwelijk, en het bedrog van je vader was bij jullie thuis geen geheim. Toch ben je ondertussen zélf getrouwd. Waarom hechtte je daar belang aan?

“Deels omdat het kán, and I don’t take it for granted. Dertig à veertig jaar geleden werd homoseksualiteit ook bij ons nog als een ziekte beschouwd, hè. Maar ook het symbolische van elkaar in de ogen te kijken en uit te leggen waarom je die verbintenis aangaat, vind ik enorm krachtig. Het engagement aangaan om samen te proberen van dat huwelijk iets moois te maken, in het volle besef dat het geen walk in the park zal zijn. Dat er moeilijke dagen, weken, maanden en misschien zelfs jaren zullen aankomen. Ik vond de symbolische waarde van dat uit te spreken heel belangrijk.”

Ben jij een makkelijke mens om mee samen te leven?

“Ik denk van niet. De grillen van mijn persoonlijkheid en het feit dat ik meer op mijn vader lijk dan ik soms wil toegeven, vind ik soms heel heftig. Zijn temperamentvolle karakter, zijn boosheid, zijn impulsiviteit, die bezit ik voor tweehonderd procent. Maar als ik thuis ontplof, of zonder reden ambetant ben, kan Niels dat ontzettend goed plaatsen. Ik denk dat niet veel mensen dat zouden kunnen. Ik mag mijn pollekes kussen.”

'Ik kan begrijpen dat anderen het moeilijk hebben met homoseksualiteit. Omdat ik snap dat je het kind bent van je opvoeding, je religie en je maatschappijbeeld… Maar ze moeten me wel fysiek met rust laten.' Beeld Rebecca Fertinel
'Ik kan begrijpen dat anderen het moeilijk hebben met homoseksualiteit. Omdat ik snap dat je het kind bent van je opvoeding, je religie en je maatschappijbeeld… Maar ze moeten me wel fysiek met rust laten.'Beeld Rebecca Fertinel

Niels zei ooit in Humo dat een scheve schaats niet het einde van jullie relatie zou betekenen. Hadden jullie dat op voorhand doorgesproken?

“Natuurlijk zou een scheve schaats – wat ik trouwens een vreemde uitdrukking vind, want alles hangt af van de afspraken die je als koppel gemaakt hebt – niet het einde van onze relatie betekenen. Ik denk dat wij allebei heel goed het onderscheid kunnen maken tussen wat wij samen hebben, en eventuele lustgevoelens voor iemand anders. Want zou je een innige en oprechte relatie nu echt weggooien omdat iemand in een onbewaakt moment heeft toegegeven aan wat lustgevoelens? Dat vind ik belachelijk.

“Mocht Niels gevoelens hebben voor iemand anders, dan zou ik daar wel een probleem van maken. Dat vind ik van een totaal andere grootorde.”

Je werkt op dit moment een boek af over de moeilijk­heden die je zelf ervaren hebt in het uit de kast komen. En vooral: hoe er tijdens je leven verschillende momenten zijn waarop je opnieuw in die kast geduwd wordt. Wanneer precies heb je dat gevoel?

“Zonder te overdrijven: zodra ik de deur uitga. Ik ben een getrouwde man, en nog steeds zijn er heel wat plekken waar ik niet kan tonen dat ik een relatie heb met de man die naast me loopt. Ik moet er altijd rekening mee houden dat er een kans bestaat dat er op mijn gezicht geklopt kan worden, dat is een manier om me terug in die kast duwen. De voorbije weken was er ook weer het gedoe over de apenpokken, dat mateloos stigmatiserend is voor de holebigemeenschap. Ook dat zorgt ervoor dat je weer in je schulp kruipt.

“En nog iets: hoe fucking absurd is het eigenlijk om uit de kast te moeten komen? Dat je toestemming moet vragen aan de samenleving om te zijn wie je bent?”

In september van vorig jaar werd je voor de zoveelste keer slachtoffer van een homofobe aanval. Zijn dat momenten waarop je nog meer in je schulp kruipt, of wakkert het een zekere rebellie aan?

“Rebels word ik er zeker niet van, angstig wel. Het is de reden waarom ik me voortdurend afvraag wat er mis is met mij. Ligt het aan hoe ik wandel? Ik bekijk mezelf vaak met de blik van een potentiële aanvaller. Op een bepaalde manier is het misschien ook de reden waarom ik zo fervent sport. Soms maak ik mezelf wijs dat, als ik maar wat breder zou zijn en gespierdere armen zou hebben, ze wel twee keer zouden nadenken voor ze me uitschelden.

“Pas op: ik kan het begrijpen dat mensen het moeilijk hebben met homoseksualiteit. Omdat ik snap dat je het kind bent van je opvoeding, je religie en je maatschappijbeeld… Maar ze moeten me wel fysiek met rust laten. Daar trek ik een duidelijke grens.”

Dit interview belandt in een reisspecial, dus laten we het daar ook even over hebben. Je bracht als kind vaak de zomermaanden in Tunesië door. Welke band heb je nu met dat land?

“Ik ben er al sinds september 2010 niet meer geweest. Toen ik er voor de laatste keer kwam, wist ik ook heel goed dat ik niet meer zou terugkeren. Tijdens dat bezoek had ik geprobeerd om bij een nicht, met wie ik een goede band had, te polsen naar wat ze ervan zou vinden als haar broer op mannen viel. En toen zei ze: ‘Ça serait plus mon frère.’ Toen wist ik: dit is hopeloos.

“Daarom is mijn coming-out voor mij ook altijd zo moeilijk geweest: ik heb altijd geweten dat uitkomen voor wie ik was ook betekende dat ik afscheid moest nemen van

50 procent van mijn DNA. Soms noemen ze mij om die reden een bounty, omdat ik zogezegd bruin vanbuiten ben en wit vanbinnen. Maar ik ben opgegroeid met de Arabische muziek en de couscous en de ramadan. Dat was ik óók.”

Probeer je dat deel van jezelf op de één of andere manier in leven te houden?

“Ja, thuis zet ik bijvoorbeeld geregeld mezouedmuziek op, een genre dat we op Tunesische trouwfeesten vaak speelden. Als ik daarnaar luister, komen meteen alle herinneringen uit mijn jeugdjaren terug. Want natuurlijk mis ik Tunesië. Ik ben altijd trots geweest op mijn afkomst, op de keuken en de hartelijke manier waarop mensen er met elkaar omgaan. Kort na de dood van mijn vader heb ik ontdekt dat er hier om de hoek een Tunesische bakker is. Daar ga ik nu geregeld naartoe.”

Je bent al jaren luchtvaartspecialist bij de VRT. Stap je zelf nog weleens op het vliegtuig?

“Voor corona maakte ik ongeveer twee grote reizen per jaar, en daarvoor namen we inderdaad regelmatig het vliegtuig. Het is niet echt duurzaam, dat weet ik, maar we maken onszelf wijs dat wij ons niet voortplanten, en dus een beperktere ecologische voetafdruk hebben dan mensen met drie kinderen. Maar goed: iedereen zoekt een smoes, hè.

“Vliegschaamte, daar doe ik in elk geval niet aan mee. Ik vind het aan de overheid om de sector tot duurzamere keuzes te verplichten. Waar Niels en ik wel op letten, is onze vleesconsumptie. Want ik wil nu ook niet overkomen alsof ik helemaal niet met duurzaamheid bezig ben.”

'Vliegschaamte, daar doe ik niet aan mee. Ik maak mezelf wijs dat ik me niet voortplant, en dus een kleinere ecologische voetafdruk heb dan mensen met drie kinderen.'
 Beeld Rebecca Fertinel
'Vliegschaamte, daar doe ik niet aan mee. Ik maak mezelf wijs dat ik me niet voortplant, en dus een kleinere ecologische voetafdruk heb dan mensen met drie kinderen.'Beeld Rebecca Fertinel

Je bent nu 33 en hebt het daar ogenschijnlijk moeilijk mee. Hoe komt dat toch?

“Ik heb heel veel moeite met de vergankelijkheid van tijd, schoonheid en jeugdigheid. We taxeren ook alles in de samenleving op die jeugdigheid. Jong sterven, daar heb ik, onder andere door de dood van mijn zus, een panische angst voor. Elke maand zie ik mezelf aan een hersentumor sterven. Ik ben een hypochonder, hoor.

“Ik weet nu al dat ik het moeilijk zal hebben met fysiek ouder worden. Maar ook het feit dat we in een samenleving leven die de focus heel erg legt op mensen tussen de 35 en 55 jaar oud, creëert een zekere druk. Het is nú dat het moet komen, denk ik vaak. Dat er ooit een punt komt waarop je in de samenleving niet meer meetelt, vind ik angstaanjagend.”

Kan je dan nooit tevreden zijn met wat je al bereikte?

“Eigenlijk zou dat nú moeten zijn. Het Journaal mogen presenteren, is echt een jeugddroom die in vervulling gaat. Als dat eerste journaal goed loopt, ga ik nadien wel even een denkbeeldige middelvinger opsteken naar iedereen die door de jaren heen niet in me geloofd heeft. Of die zei dat het met mijn naam nooit zou lukken. Nu maar hopen dat ik me niet verspreek.”

Dat zou moeten lukken: een hele avond heeft Riadh Bahri met een bevlogenheid gepraat die geen autocue aan banden zou kunnen leggen. Ik escorteer hem nog naar zijn appartement, terwijl Brussel zich rondom ons in het schemer­donker heeft gehuld. Voor we afzwaaien, vraag ik hem met welk gevoel hij zijn eerste nieuwsbulletin tegemoetgaat. Met de nodige zenuwen, zegt hij. Maar hij heeft toch vooral zín in 28 juni, de dag waarop er in de gangen van de Reyerslaan een vleugje jasmijn in de lucht zal hangen.

Laat Journaal met Riadh Bahri, vanaf dinsdag 28 juni op Eén en op VRT.NU

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234