Dinsdag 28/06/2022

InterviewGaleriehouders Ronny en Sofie Van de Velde

‘Sofie is heel sociaal, ik helemaal niet. Ik werk liever met dode kunstenaars dan met levende’

'Jan Fabre en ik hebben eens vijf jaar niet met elkaar gesproken. Maar hij zal altijd mijne maat blijven.' Beeld Charlie De Keersmaecker
'Jan Fabre en ik hebben eens vijf jaar niet met elkaar gesproken. Maar hij zal altijd mijne maat blijven.'Beeld Charlie De Keersmaecker

Vader Ronny Van de Velde (68) is al vijftig jaar actief in de kunsthandel en het galeriewezen. Dochter Sofie (50) viert eind dit jaar het tienjarig bestaan van haar eigen galerie. Hij schopte het van kleine marchand tot dealmaker van wereldformaat, zij is ondertussen voorzitter van de Federatie van Europese Kunstgaleries. Hij is nog steeds een influencer achter de schermen, zij onderhandelt voor de camera in Stukken van mensen. Dit is hun eerste dubbelinterview. ‘Sofie is heel sociaal, ik helemaal niet. Ik werk liever met dode kunstenaars dan met levende.’

Danny Ilegems

In de inkomhal van het monumentale pand aan de Cogels-Osylei staat een meer dan levensgrote marmeren versie van De man die de wolken meet van Jan Fabre. Hoog tegen een muur prijkt een kleinere sculptuur van hem: een wit hoofd met een rode uitgestoken tong. Welkom ten huize Ronny en Jessy Van de Velde.

In de woonkamer hangt tot mijn verbazing alleen maar oude kunst. 19de eeuw, begin 20ste: tekeningen van naamgenoot Henry Van de Velde, schilderijen van Henri de Braekeleer en Jean Brusselmans. Het salonnetje aan het raam is vrijgemaakt voor een nieuwe aanwinst: een figuur in gips die over een echte, flikkerende flipperkast gebogen staat.

‘Popart’, zegt Ronny Van de Velde. ‘Een installatie van de Amerikaanse kunstenaar George Segal (‘Gottliebs’ Wishing Well’, 1963, red.). Ileana Sonnabend heeft dit werk voor het eerst getoond in haar galerie in Parijs. U weet wie zij was, neem ik aan?’

Als je bij Ronny Van de Velde over de vloer komt, kun je maar beter een meer dan rudimentaire kennis van de recente kunstgeschiedenis voorwenden. ‘Ileana Sonnabend? Was die in haar jonge jaren niet getrouwd met Leo Castelli, de godfather van de kunst in het New York van de jaren 60, bij wie Willem de Kooning, Donald Judd, Roy Lichtenstein en Andy Warhol kind aan huis waren?’

Ronny Van de Velde: “Juist. Begin jaren 60 heeft ze een galerie geopend in Parijs, waar ze de pioniers van de popart en de minimal art introduceerde bij het Europese publiek. Daar is dit werk aan zijn levenscyclus begonnen. Vijfentwintig jaar heb ik erachteraan gezeten. En voilà, nu staat het hier.”

We nemen plaats aan de grote tafel. In de loop van het gesprek zal ik mezelf erop betrappen dat ik voortdurend over Ronny Van de Velde heen kijk. Achter hem hangt Het burgersalon, een fenomenaal, iconisch geworden schilderij van James Ensor.

De vaste telefoon rinkelt onophoudelijk, met een beltoon uit de jaren stillekens. Hier wordt nog gewerkt alsof het internet en de mobiele telefoon nooit zijn uitgevonden. En hier wordt uitsluitend over kunst gepraat. Al de rest bestaat niet. Een leven buiten de kunst heeft Ronny Van de Velde niet geleid. Een passie buiten de kunst, of zelfs maar een flauwe belangstelling, heeft hij nooit gehad. Kunst is in zijn geval geen hardnekkige verslaving, maar een ongeneeslijke ziekte waartegen geen kruid gewassen is. Zijn levensverhaal is een aaneenrijging van namen en cijfers. Namen van kunstenaars, prijzen van kunstwerken. Hij heeft alles opgebouwd met zijn vrouw Jessy. Hun bedrijfsmotto luidt: ‘Quand on aime, on ne compte pas.’ Als ze echt in de ban zijn van een kunstenaar, wordt er niet gerekend maar springen ze in het diepe.

Waar en wanneer hebt u de ziekte opgelopen?

Ronny: “In het Hoger Instituut voor Sierkunsten en Ambachten in de Cadixstraat, op het Eilandje in Antwerpen, waar ik op de middelbare school zat. Op een dag zei de leraar beeldende kunst, John Trouillard, tegen mij: ‘Van de Velde, je moet nablijven vandaag, ik wil je na de les iets tonen. Nadat de schoolbel was gegaan en de andere leerlingen de klas uit waren gestormd, deed hij een kast open en haalde hij een aantal grote zeefdrukken tevoorschijn: de Marilyn Monroes van Andy Warhol. Ik was van de hand Gods geslagen.

“‘Warhol stelt binnenkort tentoon in Eindhoven’, zei John. ‘Je moet gaan kijken.’ Het was prachtig, een eyeopener. Warhol zelf liep daar ook rond. Ik durfde hem niet aan te spreken. Hij was mijn eerste god. Het is zijn schuld dat we hier zitten.”

Hoezo?

Ronny : “Welja, sindsdien spookte er maar één ding door mijn hoofd: ik wilde absoluut een Warhol kopen! In de Wide White Space, de galerie van Anny De Decker en Bernd Lohaus, hadden ze een versie van de Flowers. Ze kostte 35.000 Belgische frank. Ik had dat geld natuurlijk niet, ik ging nog naar school. Maar mijn grootmoeder had een tekening van Alfred Ost, een Antwerpse kunstenaar die in de eerste helft van de 20ste eeuw actief was, bekend van zijn taferelen uit het dagelijks leven en zijn paarden-met-karren. En in galerie Campo op de Meir had ik gezien dat een tekening van Ost óók 35.000 frank kostte. Ik zei tegen mijn grootmoeder: ‘Verkoop die Ost, en koop die bloemen van Warhol.’ Ze antwoordde: ‘Vier stomme bloemen, zijde zot!’ (lacht)

“Mijn grootmoeder is nog oud genoeg geworden om van mij te vernemen dat de Flowers van Warhol voor 25 miljoen frank van de hand gingen. En de man die in de Wide White Space de print heeft gekocht die ik op het oog had, heeft ’m later verkocht voor 1 miljoen euro. Terwijl zo’n tekening van Alfred Ost tegenwoordig minder waard is dan de 35.000 frank van toen: je krijgt er nog amper 500 euro voor. Om mijn grootouders te pesten heb ik later een hoop tekeningen van Ost gekocht. Na de dood van mijn grootmoeder deed ik ze cadeau aan mijn grootvader, zijn kamer in het zorgcentrum hing er vol mee. Dat was mijn wraak, haha. Jammer genoeg heb ik ze na zijn dood allemaal teruggekregen. Ik zit er nog mee.”

Had u zelf ambities in de kunst? Bent u de gemankeerde kunstenaar die dan maar in de kunsthandel is gestapt?

Ronny: “Een beetje wel, ja. Toen ik 17 was, waren Wout Vercammen, Luc Deleu en Filip Francis mijn vrienden. Allemaal kunstenaars. Ik heb een paar popartachtige dingen gemaakt. Gesteriliseerde tomaten in plastic en zo. Maar toen ik eenmaal Warhol, Marcel Broodthaers en Joseph Beuys had gezien, wist ik: ik ben niet goed genoeg om een groot kunstenaar te worden.”

Wanneer en hoe bent u een galerie begonnen?

Ronny: “Eerst was ik gewoon een handelaar. In een winkeltje in de Volksstraat verkocht ik boeken en strips die ik bij elkaar had gebedeld in mijn familie. Onder mijn klanten waren er mensen die in het nabijgelegen Museum voor Schone Kunsten werkten (KMSKA, red.). Ik herinner me een restaurateur wiens ouders James Ensor nog persoonlijk hadden gekend. Hij kwam bij mij etsen van Ensor ruilen tegen zeldzame strips van Suske en Wiske en Robbedoes. Met de middelen die ik zo vergaarde, en met de verkoop van porselein, antiek, houten schommelpaarden – wat heb ik níét verhandeld? – kon ik na verloop van tijd een galerie beginnen. Het is niet zonder slag of stoot gegaan.”

Ik zit de hele tijd te kijken naar de Ensor die achter u hangt.

Ronny (draait zich om): “Over dat werk heb ik ruzie gemaakt met Luc Tuymans. Toen hij die Ensor-tentoonstelling ging cureren in de Royal Academy in Londen (getiteld ‘Intrigue’, in 2016, red.), kwam hij hier kijken. ‘Deze moet ik niet hebben’, zei hij. ‘Er bestaat een grotere versie van, die is beter.’ Ik zei: ‘Luc, ben jij een schilder of wa?’ We zijn naar buiten gelopen om bij daglicht naar de details te kijken. Toen besloot hij dat dit de beste versie was. Terecht. Dit is een iconisch werk van Ensor. Het gaat om dat witte gordijntje in de achtergrond: zó schilder je licht dat naar binnen valt door een raam.

“Ik ken Tuymans al van in de jaren 80. Ik heb zijn eerste museale tentoonstelling nog mee georganiseerd, in het PMMK (nu Mu.ZEE, red.) in Oostende, met Willy Van den Bussche zaliger. Luc had toen een atelier in een oud herenhuis in Noord, samen met zijn generatiegenoot Jean-Pierre Temmerman. Van den Bussche kwam op atelierbezoek bij Temmerman, maar die zei: ‘Doe mij een plezier en ga ook eens bij Luc kijken.’ Ik zei tegen Van den Bussche: ‘Pak die twee toch samen in één tentoonstelling.’ Vervolgens heeft Temmerman ambras gemaakt met Van den Bussche en zo kreeg Tuymans plots een soloshow in Oostende. Hij was mij achteraf zeer erkentelijk. ‘Je mag een schilderij kiezen’, zei hij. ‘Dank u, Luc’, heb ik geantwoord, ‘maar ik zie dit niet graag, het spijt me.’”

Nog altijd niet?

Ronny: “O, ondertussen zijn er dingen van Luc die ik héél goed vind. Maar er is ook nog altijd werk dat ik minder vind. Willy Van den Bussche heeft toen voor anderhalf miljoen frank vier of vijf schilderijen van Luc gekocht. Ze hangen er nog altijd, dat speelgoedvliegtuigje en zo. Dat was veel geld voor een beginnende schilder (lacht). Daarom was Luc mij zo dankbaar. Dat wederzijds respect is gebleven. Elke keer als ik ergens kom waar Luc ook is, trakteert hij mij een whisky. Jaren later heeft Luc een zeer mooie bijdrage geleverd aan ons project ‘Museum to scale 1/7’ (een miniatuurmuseum, te bezichtigen in de UAntwerpen, red.), waarvoor ik hem dan weer zeer dankbaar ben.”

Ronny: ‘Panamarenko eiste mij helemaal op, en ik ben daar te ver in meegegaan. Epische ruzies hebben we uitgevochten.’ Beeld privéarchief
Ronny: ‘Panamarenko eiste mij helemaal op, en ik ben daar te ver in meegegaan. Epische ruzies hebben we uitgevochten.’Beeld privéarchief

DEALER VAN COUCKE

Sofie, was het dolle pret om bij zo’n vader op te groeien?

Sofie Van de Velde: “Mijn vader was 18 toen ik geboren werd. In mijn herinnering was mijn kindertijd spannend, maar ook chaotisch en onvoorspelbaar. Mijn vader stond ’s ochtends op, stak een sigaret aan en begon te telefoneren. Hij stond continu in contact met mensen in alle hoeken van de wereld. Er zat geen structuur in onze dagen. Er hingen voortdurend kunstenaars rond bij ons thuis, ze bleven eten en ze bleven maar praten. En de kinderen – mijn zus, mijn broer en ik – werden overal mee naartoe gezeuld. Het kon gebeuren dat ik van school kwam en we onaangekondigd voor een paar weken naar Engeland vertrokken. Er was ook financiële onzekerheid. Wij werden daar niet mee bezwaard, maar ik pikte het toch op. Het voelde niet als armoede, maar dat was het waarschijnlijk wel.”

Voor hetzelfde geld had u een bloedhekel gekregen aan kunst en de kunstwereld.

Sofie: “Ik ben dan ook iets totaal anders gaan doen. Ik heb een carrière uitgebouwd in de sociale sector en het onderwijs. Zeventien jaar lang heb ik me voornamelijk met jongeren in ‘problematische opvoedingssituaties’ beziggehouden. Ik was een goeie crisismanager, naar verluidt. Als er ergens een crisis uitbrak, in een school of bij een jongere thuis, kwam er vreemd genoeg een grote rust over mij. Ik kon kordaat zijn, maar ik bleef altijd positief. En daarnaast had ik een geregeld leven: een vast inkomen, geen risico’s, geen schulden. Het tegenovergestelde van wat ik thuis had gezien. Met kunst hield ik me alleen nog bezig in het weekend, om de batterijen op te laden. Maar toen werd mijn vader zwaar ziek. Hij vroeg me om bij hem te komen werken. Ik heb alles laten vallen, alles waarvoor ik gestudeerd en gewerkt had.”

Hebt u spectaculaire fouten gemaakt, meneer Van de Velde? Kunstenaars over het hoofd gezien, open kansen gemist?

Sofie (lacht): “Heb je een paar uur?”

Ronny: “Ik heb nergens spijt van. Maar ik heb wel heel veel dingen veel te vroeg verkocht. Dingen die ik graag zag...”

Sofie: “Als je financiële reserves hebt, kun je rustig alles bijhouden wat je graag ziet. Maar zoals ik al zei: wij waren niet rijk. Als papa niet verkocht, was er geen handel en konden we niet leven, zo simpel was het.”

Ronny: “Ik tikte een Car Crash van Andy Warhol op de kop. Een versie in turquoise, ook uit de galerie van Ileana Sonnabend. Ik betaalde er een half miljoen Belgische frank voor. Toen we ermee naar huis reden, zei Jessy: ‘Beloof me dat we deze nooit, never verkopen.’ De dag nadien kwam een Zweedse kunsthandelaar mij opzoeken. Hij zag de Warhol en vroeg: ‘Wat moet die kosten?’ ‘Die is niet te koop, hij staat hier pas sinds gisteren.’ ‘Ik geef u anderhalf miljoen’, zei hij. Maal drie in één dag! ‘Oké’, zei ik, ‘verkocht.’ Jessy razend kwaad! (lacht)

“Maar wacht, het verhaal is nog niet afgelopen. De betaling van die Zweed bleef uit, dus die Warhol bleef hier. In die periode stond ik op Art Basel, de belangrijkste beurs voor hedendaagse kunst. Op een gegeven moment kwam er een Japans madammeke naar mijn stand. ‘Meneer’, zei ze, ‘ik heb drie miljoen betaald voor een Warhol van u, maar ik heb het werk nog altijd niet.’ Ik had natuurlijk meteen door wat er was gebeurd: die Zweed had de prijs nog eens verdubbeld, en waarschijnlijk wilde hij mij betalen met het geld van die Japanse vrouw. En zo is het ook gegaan, het is allemaal in orde gekomen (lacht). Een jaar of drie, vier geleden werd ik opnieuw gecontacteerd door die Japanse vrouw. Ze wilde de verkoopgeschiedenis van haar Warhol nog eens nauwgezet reconstrueren, want iemand had er een bod op gedaan. Raad eens hoeveel? 6,5 miljoen dollar. (Stilte) Zo gaan die dingen. Het is allemaal relatief. Wat ik heb geleerd door al dat kopen en verkopen, is: er komt altijd iets nieuws op je pad. Als je alles bijhoudt, ben je een nostalgische idioot.”

Sofie: ‘Voor ik in de voetsporen van mijn vader trad, heb ik in de sociale sector en het onderwijs gewerkt. Een vast inkomen, geen risico’s, geen schulden: het tegenovergestelde van wat ik thuis had gezien.’  Beeld CharlieDe Keersmaecker
Sofie: ‘Voor ik in de voetsporen van mijn vader trad, heb ik in de sociale sector en het onderwijs gewerkt. Een vast inkomen, geen risico’s, geen schulden: het tegenovergestelde van wat ik thuis had gezien.’Beeld CharlieDe Keersmaecker

Zijn er werken die u nooit zult verkopen?

Sofie: “Nú word ik wakker. Alles wat je nu zegt, gaan we op papier zetten, papa. Ik heb je al vaak horen beweren dat je iets nóóit ging verkopen, en telkens deed je het toch.”

Ronny: “Een schilderij van mijn jeugdvriend Wout Vercammen, getiteld A Well Considered Idea of an Artwork. Omdat dat het eerste kunstwerk is dat ik ooit heb gekocht. En omdat er toch geen kat is die het wil. (Denkt na) Maar voor de rest...”

Die flipperkast van George Segal, waar u vijfentwintig jaar op hebt gejaagd?

Ronny: “Dat weet ik nog zo niet. Waarschijnlijk zal het daarmee gaan zoals met alles wat ik ooit in huis heb gehad: je leeft er een tijdje mee, en op een dag stel je vast dat je er niet meer aan hecht. Sinds het hier staat, zijn er al drie aanvragen binnengekomen om het uit te lenen voor een tentoonstelling. Ik ga dat voorlopig niet doen, het werk is te fragiel.”

Deze week begint in het M HKA een serie van vijf tentoonstellingen over uw leven en werk in de kunst, onder de titel De vijf seizoenen. Wordt dat een fin de carrière in de vorm van een uitgebreide terugblik?

Ronny: “Een beetje wel.”

Sofie: “Allez papa, wat zeg je nu? Je bent nog jong. En als galerist kun je toch niet met pensioen gaan. (Tegen mij) Elke keer als hij buitenkomt, ziet of vindt hij iets waarrond hij dan weer een nieuw project ontwikkelt: een tentoonstelling, een boek, een schenking aan een museum...”

Ronny: “Maar ik heb ook het gevoel dat ik alles al eens heb gezien. Dat heeft te maken met mijn leeftijd, maar ook met wat ik nu zie gebeuren in de kunstwereld. Vaak denk ik: dit is vijftig jaar geleden al eens gedaan. Vroeger vonden we dat een actuele kunstenaar iets moest toevoegen aan wat al bestond. Dat was een criterium, dat bepaalde dat een kunstenaar relevant was of niet. Nu zie ik veel jonge kunstenaars die het verleden herkauwen of een beetje anders verpakken. Als ze die moeite al doen.”

Sofie (lacht): “Soms komt hij in een hedendaagse galerie, kijkt hij wat rond en mompelt hij: ‘Waar liggen hier de kleurpotloden? Geef me vijf minuten en ik maak ook zoiets.”

Ronny: “Veel van wat ik nu zie, is tweederangs Cadixstraat.”

Sofie: “Dat betekent: niveau middelbaar onderwijs.”

Ronny: “En dan heb ik het over grote namen in de hedendaagse kunst, hè.”

Noem ze eens.

Ronny: “Dat doe ik niet. Ik zeg het soms in vertrouwen tegen Sofie, uit pure ontgoocheling. Maar ik heb nog nooit iemand publiekelijk afgekraakt.”

Is er echt niks meer dat u kan verrassen? Hebt u de laatste tijd geen spectaculaire ontdekkingen meer gedaan?

Ronny: “Jawel, maar meestal waren het herontdekkingen.”

Zoals?

Ronny: “De schilderijen van de Zweedse toneelschrijver August Strindberg (1849-1912, red.). Dat is 19de eeuw, maar zijn bijna abstracte landschappen zijn fantastisch, hypermodern! (Denkt na) De laatste keer dat ik echt naar adem heb gehapt, was in de jaren 80: bij werk van Jean-Michel Basquiat. Dat was een aha-erlebnis. Ik wilde iets van hem kopen, hoewel zijn werk toen al vrij duur was. Dus ik trok naar Düsseldorf, naar de galerie van Hans Mayer, waar hij kwam tentoonstellen. Ik was er op de dag van de opening, maar alles was al verkocht. Ik liep terug naar buiten, naar de boekhandel van Walther König om de hoek. Ik passeerde een steeg, en wie stond daar, met een spuit in z’n arm? Basquiat. Hij was zichzelf een shot heroïne aan het toedienen. Ik ging naar hem toe en zei: ‘Come on man, what are you doing? It’s your opening tonight.’ ‘Fuck off’, blafte hij. Zes maanden later was hij dood.’ (stilte)

“Jeff Koons vond ik in zijn begindagen ook heel goed. Jessy heeft ooit een lang gesprek met hem gevoerd in München.”

Jessy Van de Velde: “We wilden een dubbeltentoonstelling rond Koons en Marcel Duchamp organiseren, maar hij heeft de tijd volgepraat over La Cicciolina, zijn vlam (de Hongaars-Italiaanse pornoactrice Ilona Staller, red.). Drie uur aan één stuk heeft hij haar lof gezongen! En op het einde stelde hij voor om een werk van hem te ruilen tegen een urinoir van Duchamp. Ik zei: ‘Dat zal niet gaan.’ Toen sprak hij de profetische woorden: ‘Er komt een dag dat mijn werk duurder zal zijn dan dat van Duchamp.’”

Ronny: “En hij heeft gelijk gekregen.”

Marc Coucke beweert dat hij ’s werelds grootste verzameling Duchamps bezit. Hij wil ze onderbrengen in een nieuw museum in Durbuy.

Ronny: “Of zijn collectie de allergrootste is, weet ik niet. Maar groot is ze zeker.”

Hebt u ze aan hem verkocht?

Ronny: “Gedeeltelijk. Hij mist nog wel een paar belangrijke stukken, waaronder een fietswiel en een urinoir. Maar hij is zijn collectie nu aan het uitbreiden met werk van tijdgenoten en familieleden van Duchamp. Coucke is wel zo slim om in te zien dat Duchamp één van de belangrijkste kunstenaars aller tijden is. Ik vind hem de allergrootste.”

Sofie: ‘Papa was 18 toen ik geboren werd. Mijn kindertijd was spannend, maar ook chaotisch en onvoorspelbaar: soms kwam ik van school en vertrokken we onaangekondigd voor een paar weken naar Engeland.’ Beeld Charlie De Keersmaecker
Sofie: ‘Papa was 18 toen ik geboren werd. Mijn kindertijd was spannend, maar ook chaotisch en onvoorspelbaar: soms kwam ik van school en vertrokken we onaangekondigd voor een paar weken naar Engeland.’Beeld Charlie De Keersmaecker

Epische ruzies

Bent u uiteindelijk blij dat Sofie in uw voetsporen is getreden? Toen ze met haar eigen galerie begon, was u naar verluidt niet zo enthousiast.

Sofie: “Dat was voor hem een zware teleurstelling. Geef het maar toe, papa.”

Ronny (ontwijkend): “Maar nu vind ik het tof. En ik vind vooral dat ze het heel goed doet. Da’s het belangrijkste, hè. Ik hoef het niet altijd eens te zijn met wie of wat ze exposeert. Dat is persoonlijk, smaken verschillen. Maar ik volg het wel. Ik heb pas een schilderij van Pieter Jennes bij haar gekocht. Goeie schilder. Maffe schilder.”

Sofie: “Max Pinckers vindt hij ook heel goed.”

Ronny: “Internationale klasse.”

Zijn er kunstenaars over wie jullie totaal van mening verschillen?

Sofie: “Het grootste verschil tussen ons is dat papa echt een dwangmatige verzamelaar is, en ik niet. Ik hoef de kunst waar ik van hou niet koste wat het kost om mij heen te hebben. Ik sla mijn esthetische ervaringen op in mijn herinneringen.”

Wat is de grootste kwaliteit van Sofie? Wat doet zij beter dan u?

Ronny: “Zo ongeveer alles wat met public relations te maken heeft. Sofie is heel sociaal, ik ben níét sociaal. Aan openingsrecepties heb ik de pest. Aan poseren voor foto’s heb ik een hekel. En praten met mensen doe ik ook al niet graag.”

U werkt liever samen met dode kunstenaars dan met levende, hebt u eens gezegd.

Ronny: “Ja, dode kunstenaars spreken je niet tegen, hè. Met levende kunstenaars is het altijd wat. Epische ruzies heb ik uitgevochten, met Panamarenko, met Jan Fabre...”

Sofie: “Jan kon toch tegen een stootje? Als hij iets gemaakt had dat je niet goed vond, kon je dat toch zeggen?”

Ronny: “Jaja, maar het gevolg was wel dat hij vijf jaar niet meer tegen mij sprak. En ik niet met hem! (lacht) Ik had gezegd: ‘Jan, ik vind dit niet goed, ik wil dit niet tentoonstellen.’ Razend was hij. Pas vijf jaar later hebben we het uitgepraat. En toen hebben we meteen ook besloten om niet meer met elkaar te discussiëren over kunst. Zo zijn we bevriend kunnen blijven. Jan is een paar jaar jonger dan ik, hij heeft ook in de Cadixstraat op school gezeten. Wat ze ook over hem zeggen: Jan is mijne maat, en hij zal dat altijd blijven. Panamarenko, dat was andere koek. Met hem is de samenwerking slecht afgelopen.”

Waarom?

Ronny: “Hij eiste mij helemaal op, hij eiste mijn galerie helemaal op, en ik ben daar te ver in meegegaan. Hij heeft een stuk van mijn leven en van mijn gezondheid gestolen. Ik moest hem elke middag gaan oppikken en dan reden we naar het restaurant. Twee flessen wijn bij het eten, een fles grappa als digestief, en een zakflesje absint om het af te leren. Dat waren zware dagen.”

Wanneer werkte Panamarenko eigenlijk?

Ronny: “’s Morgens vroeg. Of ’s middags aan tafel. Hij werkte als hij zich verveelde. Hij dronk ook uit verveling.”

Hoelang heeft dat geduurd?

Sofie: “Te lang.”

Ronny: “Jaren en jaren.”

Jessy: “Op het laatst werd het eng.”

Sofie: “Dan heb je de galerie aan de IJzerenpoortkaai verkocht, en de Antwerpse Luchtschipbouw in Borgerhout gekocht en gerenoveerd...”

Ronny: “Dat had ik beter niet gedaan. Maar ja, een mens maakt fouten.”

Jessy: “Het was ook een samenloop van omstandigheden. Het oorspronkelijke idee was dat Panamarenko in de Luchtschipbouw ging wonen. Maar hij kon er niet aarden. Hij vond het gebouw te nieuw en te chique, met al dat Chinese marmer dat een fortuin had gekost. Terwijl hij het zelf had gewild. En toen overleed zijn moeder en kwam Eveline (Hoorens, zijn latere vrouw, red.) in zijn leven. Dat was allemaal in dezelfde periode. In Brakel wonen, bij Eveline, en hier werken, dat bleek een onmogelijke combinatie. Dat kon hij niet meer opbrengen.”

Ronny: “Toen ze trouwden, heb ik hem een grote blauwe papegaai cadeau gedaan, een echte. Plus een stapel dvd’s met zijn favoriete films. Panamarenko was een filmfreak, Brazil van Terry Gilliam was zijn lievelingsfilm. Daarna hebben we elkaar niet meer gezien of gehoord. Op het einde van zijn leven had hij wel spijt. Niet lang voor zijn dood heeft hij gevraagd om langs te komen. Ik heb het niet gedaan.”

Sofie: “Papa was heel betrokken bij zijn kunstenaars. Hij zag hun relatie als een vriendschap. Dat werd door hen wel geapprecieerd, maar niet in dezelfde mate beantwoord. Doordat ik dat heb zien gebeuren bij papa, stel ik nu grenzen aan mijn kunstenaars. Ik straal dat ook uit, denk ik: ik ben zeer bereikbaar en beschikbaar, maar binnen bepaalde grenzen. Het gebeurt niet vaak dat kunstenaars mij ’s avonds opbellen of onaangekondigd voor mijn deur staan. Papa kon dat niet, grenzen stellen. Hij had zelf geen limieten.”

Hebt u ook een leven gehad buiten de kunst, meneer Van de Velde?

Sofie (antwoordt in Ronny’s plaats): “Nee, niet.”

Hebt u vrienden buiten de kunstwereld?

Sofie: “Niemand.”

Jessy: “Ons werk was ons leven. En daar hebben we met volle teugen van genoten. Dolle avonturen hebben we beleefd, met verzamelaars en kunstvrienden uit Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten. De jaren met Panamarenko waren niet alleen maar kommer en kwel. Dat was ook een boeiende, creatieve tijd. De edities die we uitbrachten, maakten we samen met hem. Eindelijk hadden we iets wat goed verkocht! In de magere jaren na de eerste Golfoorlog, toen niemand nog kunst kocht, hebben die ons gered.”

Zou u het nog opnieuw doen, een galerie beginnen?

Ronny: “Hm, dat weet ik niet. Ik denk dat het nu moeilijker is. Er zijn veel meer galeries én veel meer kunstenaars. Of liever: mensen die denken dat ze kunstenaar zijn, ook al komen ze pas van school.”

Sofie: “In de jaren 70 waren er in heel België nog geen dertig galeries. Nu zijn er driehonderd. In Antwerpen alleen al vijftig.”

Ronny: “Het internet bestond nog niet, dat is het grootste verschil. Kunstfanaten en verzamelaars móésten zich wel informeren bij insiders zoals ik. Ik had de informatie, ik had de contacten, ik wist wat er te koop was. En als ik het niet wist, zocht ik het uit. Weet je hoe ik neons van Dan Flavin bestelde? Ik tekende ze na op een A4’tje, zette er de afmetingen bij en de kleuren waarin ik ze wilde, en ik stuurde die krabbel per fax naar Leo Castelli – maar nooit vóór drie uur ’s nachts, want dan waren ze in New York nog niet wakker. Een paar uur later kreeg ik de bestelbevestiging per fax, en een paar maanden later arriveerde de kist met de Dan Flavins.”

Sofie: “Toch geloof ik dat wat papa nu doet de toekomst is: hij levert expertise, doet schattingen, onderzoekt en documenteert oeuvres en geeft catalogi uit. Hij kent waarde toe aan kunst, en hij voegt waarde toe met zijn kennis. Papa en Jessy leiden hier eigenlijk een kenniscentrum. Ze zijn een onuitputtelijke bron. Ik zal lang moeten leven om de kennis die zij hebben nog te vergaren.”

Jullie mogen ieder drie kunstwerken meenemen naar een onbewoond eiland. Welke worden het?

Sofie (lacht): “Gaan we met de boot of met het vliegtuig?”

Ronny: “Ik neem al zeker een Boîte-en-valise van Marcel Duchamp mee. Dat is een minimuseum van zijn oeuvre in een reiskoffer, daar kan ik dan mee spelen op het strand. Verder ook een schilderij van Jules Schmalzigaug, een Belgische futurist (1882-1917, red.) die ik zelf heb ontdekt en over wie ik het definitieve naslagwerk heb uitgegeven. En het derde... (denkt lang na) Doe maar die Ensor die hier achter mij hangt.”

Sofie: “Ik neem mijn etsen van Goya mee, de reeks Los desastres de la guerra. Die ga ik ook nooit verkopen, dat weet ik zeker. Verder een mooie Ensor of Picasso, en uiteraard ook iets van de jonge hedendaagse kunstenaars uit mijn galerie. Maar daaruit kiezen, dat is zoals kiezen tussen je eigen kinderen: moeilijk, onmogelijk. (Stilte) Ik zou liever mensen meenemen dan kunst.”

Ronny: “Ik niet! (hilariteit)

“In het begin van dit gesprek vroeg je of ik grote kansen heb gemist. Ik herinner me plots iets. In 1994 organiseerde ik in mijn toenmalige galerie aan de IJzerenpoortkaai een tentoonstelling van het werk van Man Ray (kunstenaar en fotograaf, dadaïst en surrealist, 1890-1976, red.). De Serpentine Gallery in Londen nam die integraal over, en de directrice nodigde mij uiteraard uit voor de opening. ‘Ik kom niet’, zei ik, ‘want ik heb ze al gezien.’ ‘Jammer’, antwoordde ze, ‘ik wilde u een mooie plaats geven aan de eretafel: naast Lady Di.’”

Stukken van mensen is te zien op GoPlay.

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234