Vrijdag 30/09/2022

InterviewDaniel Lanois

‘Sommige producers melken de mogelijkheden van de studio zozeer uit dat ze vergeten dat ze met een mens van vlees en bloed werken’

null Beeld Marcel Wagenaar
Beeld Marcel Wagenaar

Een halve eeuw geleden begon Daniel Lanois samen met zijn broer Bob het werk van reizende gospelartiesten op te nemen in de kelder van hun moeders huis in Ontario. Zijn producerscarrière bracht hem sindsdien op het pad van U2, Peter Gabriel, Bob Dylan, Emmylou Harris, Willie Nelson, Neil Young, Robert Plant en vele, vele anderen. En cours de route maakte de Canadees een handvol mooie soloplaten. Voor hij naar Gent Jazz afzakte, klapte hij uit de school over de levende legenden met wie hij lief en leed deelde in de studio.

Serge Simonart
null Beeld David Leyes
Beeld David Leyes

Na dit gesprek zal ik perfect begrijpen waarom de inmiddels 70-jarige Daniel Lanois zo populair is bij supersterren: je hebt niet alleen Lanois-de-muzikant en Lanois-de-producer, er is ook Lanois-de-diplomaat, een man die wijsheid en rust uitstraalt. Maar je voelt: er zit staal onder die fluwelen handschoenen.

Daniel Lanois: “Ik kom de Belgen volgende week verblijden met een wonderlijk powertrio – zei hij bescheiden. (lacht) Ik ben zo sluw geweest om muzikanten te kiezen die honderd keer beter spelen dan ik. Ik kan al verklappen dat mijn ouwe vriend Jim Wilson erbij zal zijn. En de drummer is een vrouw die klinkt als een orkest: zij is ons geheime wapen. Die combinatie laat allerlei muzikale uitstapjes toe, van zompige grooves uit New Orleans tot soul, blues, jazz en iets wat lijkt op rock-’n-roll.

“Ik zal plukken uit mijn solowerk en ook een paar klassiekers van anderen brengen, ook van de grote namen met wie ik heb gewerkt.”

NEIL BIJ VOLLE MAAN

Ik heb producers en muzikanten al vaak horen praten over het gevaar van ‘overrepeteren’ wanneer je een nieuwe plaat opneemt: één repetitie te veel en je zult routine inblikken. Maar één te weinig en de muziek zal niet strak genoeg klinken. Is er een ideale aanpak voor iedereen, of heeft bijvoorbeeld Bob Dylan simpelweg minder tijd nodig dan U2?

“Er speelt veel mee. Bob weet wat hij wil en werkt met specifiek voor een project ingehuurde muzikanten. Hij gaat recht van a naar b, terwijl U2 van m terug naar a en dan naar z gaat. Eén groepslid komt aanzetten met een idee, een klankkleur of een groove, waaruit maanden of zelfs jaren later iets heel anders zal zijn gegroeid – dat weliswaar niet zou hebben bestaan zonder die eerste vonk.

“Routine is dodelijk. Het zuigt alle frisheid en alle zin voor avontuur weg. Ik jaag altijd dat magische moment na waarop alle muzikanten de song volledig beheersen en er tóch nog iets onverwachts kan gebeuren terwijl ze hem spelen. Iets wat de hele performance een hogere vlucht doet nemen. Daarom zweer ik bij briljante muzikanten: zij kunnen op een onverwacht obstakel stuiten en toch overeind blijven.

“Ik hou van spontaniteit en gelukkig toeval, maar niet van chaos en geklungel op hoop van zegen. En even cruciaal als spontaniteit is finetuning. Er is een song die ‘Where the Streets Have No Name’ heet…”

Nooit van gehoord.

(lacht) Geloof het of niet: er zíjn mensen die daar nog nooit van hebben gehoord. Maar goed, The Edge kwam naar de studio en had die prachtige lange symfonische intro al volledig afgewerkt. Hij is wel degelijk een geniale gitarist, maar je kunt ervan op aan dat hij er weken, zo niet maanden thuis aan had geschaafd. Ik betwijfel of die song zo iconisch zou zijn geworden als we die springplank niet hadden gehad.”

Hoe zie je je eigen rol in heel dat proces?

“Mijn belangrijkste gebod voor mezelf is: gij zult niet te laat zijn, en gij zult tot laat blijven. Ik ben toegewijd, ik leef voor mijn werk en wil het onderste uit de kan halen. Dat neemt vaak wat meer tijd in beslag.

“Nog voor we de studio intrekken, breng ik quality time met de artiest door. Zo kan ik aanvoelen wat hem bezighoudt, wat zijn prioriteiten zijn. Een zanger die is verwikkeld in een vechtscheiding, bijvoorbeeld, zal ik anders aanpakken dan iemand die net de liefde van z’n leven heeft ontmoet en alleen maar aan seks denkt. (lacht) Dylan heeft honderd interesses, leest veel, verveelt zich snel, zet zichzelf altijd onder druk. Rondlummelen is er niet bij, als we elkaar zien. Smalltalk evenmin. Meestal praten we over ambities, filosofie, politiek, menselijk gedrag… Het doel is: een waarachtige plaat.

“Ook de locatie is cruciaal. Voor elke artiest wil ik een omgeving creëren waarin hij zich thuis voelt. Helpt isolement of wordt hij net geprikkeld door een drukke, industriële plek? Toen ik met Willie Nelson Teatro ging opnemen, eind jaren 90, heb ik de studio omgebouwd tot een soort ouderwetse barrioclub met een Cubaanse vibe – ik wist dat Willie zijn carrière begonnen was als zanger van een dansband, vandaar.”

En als jij eenmaal in de studio zit, ben je wellicht allesbehalve een roeper.

“Zoals filmregisseurs die denken dat ze al brullend de beste vertolking aan hun acteurs kunnen ontlokken? Nee. Ik stuur zo onopgemerkt mogelijk bij. Het zinnetje dat ik het vaakst uitspreek is: ‘Laten we het proberen.’ Ik geloof in alles, maar dan ook álles wat een artiest kan helpen, hoe ongewoon het ook is. En zelfs als ik 99 procent zeker ben dat het een doodlopend straatje is. Als alles eenmaal is ingeblikt, denk ik er het mijne van. In stilte en op veilige afstand. (lacht)

“Toen we in 1989 Oh Mercy gingen maken, zei Bob Dylan: ‘Daniel, laat ik één ding heel duidelijk stellen: we werken niet overdag.’ ’s Nachts maak je een ander soort plaat. Er is dan meer sfeer, meer overgave, mensen zijn minder op hun hoede, stellen zich kwetsbaarder op. En Bobs Time Out of Mind uit ’97 staat bekend als een New Orleans-plaat, terwijl hij halverwege plots in Miami wilde opnemen: ook dat stel ik dan niet ter discussie.

“In 2010 ging Neil Young nog een stapje verder dan Bob. Tijdens de opnames van Le Noise wilde hij alleen bij volle maan opnemen. ‘Alleen bij volle maan, Neil? Briljant idee’, zeg ik dan. ‘Doen we!’ En dus stuurde hij de hele ploeg na elke volle maan naar huis. (lacht) Het gevolg was wel dat iedereen bij elke nieuwe sessie op scherp stond. Ze beseften: nu moet het gebeuren!”

Le Noise: de onnozelste titel in je oeuvre als producer.

“Dat was een grapje. Lanois/Le Noise: heb je ’m? Ik ondertekende mijn e-mails naar hem met Lanois, en Neil schreef naar mij als Le Noise.

“Mijn favoriete uitspraak van Neil is deze: ‘Als het gevaarlijk klinkt, móét het wel juist zijn.’ En dat geldt zelfs voor een gevoelige ballad.”

BOB IN EEN TAKE

Zang is cruciaal. Voor wie volstaat één poging en wie blijft na ettelijke takes nog altijd aan zijn frasering schaven?

“Natuurlijk is Bono technisch en qua bereik en longinhoud de beste zanger, maar hij is ook iemand die tot op het laatste moment blijft schaven aan álles: de muziek, zijn teksten, zijn frasering…

“En Bob... Je hoort weleens beweren: ‘Dylan kan niet zingen.’ Wel, ik kan je vertellen dat hij perfect in staat is om in de eerste take een definitieve vocal neer te zetten. Willie Nelson, die wordt versleten voor iemand die maar wat aanmoddert, kan dat ook. Emmylou Harris: idem dito.

“Weet je wat mijn grootste nachtmerrie was? Een eerste, frisse vocal van Bob opnemen en dan van de technicus te horen krijgen: ‘Eh, er is iets misgegaan. Het staat er niet op.’ Als voor de microfoon een spontane ontbranding aan de gang is, kun je als technicus maar beter paraat staan om die te vereeuwigen. Bob is een meesterlijke verteller die zich vooraf, thuis, al heeft ingeleefd in het onderwerp. Hij weet wat hij wil zeggen en hoe hij het wil zeggen. Het is zoals een anekdote of grap: als je die meerdere keren vertelt, zijn het vuur en de verwondering en de overtuiging van die eerste vertelling wég.

“Bob bromt soms dat hij niet wil wegzakken in het moeras dat hij ‘studio-itis’ noemt. Het is echt een ziekte: sommige producers melken de mogelijkheden van de studio, dat hoogtechnologische mirakel, zozeer uit dat ze vergeten dat ze met een mens van vlees en bloed werken. Met iemand die één keer iets authentieks kan brengen – daarna wordt het acteren.

“Dylan heeft thuis trouwens een state-of-the-artstudio, hij zou elke dag kunnen opnemen, maar hij beseft heel goed dat een artiest in de eerste plaats moet léven. Je kent het cliché van de artiest die, na het eerste succes en de eerste wereldtournee, alleen nog songs schrijft over opnamestudio’s, vliegtuigen en hotelkamers. Daar zul je Bob niet op betrappen. Hij gebruikt zijn eigen studio alleen voor noodgevallen. Hij wil vooral geen producer worden.”

Welke was van alle platen waaraan je hebt gewerkt die met de grootste metamorfose tussen de demo’s en de eindmix?

“Toch wel Time Out of Mind. Toen stond een elfkoppige band ten dienste van de meester, met onder anderen Jim Dickinson uit Memphis en de tex-mexexpert Augie Meyers. Ik had vooraf minutieus uitgezocht welke combinatie van muzikanten ons de rijkste klank en het grootste avontuur zou opleveren. Ik wist dat Bobs vaste bassist Tony Garnier van de partij zou zijn, dus kon ik beter ook een drummer uit het Diepe Zuiden inhuren: dan had de ritmesectie dezelfde achtergrond, hetzelfde gevoel voor humor, dezelfde feel. Je wil harmonie, hè. Het grote voordeel van die talentenpool was bovendien dat we de klank aldoor konden bijsturen, alsof we een gerecht aan het kruiden waren.

“Dat ik zelf muzikant en songschrijver ben, helpt natuurlijk. Het wekt vertrouwen. Iedereen in de studio weet dat ik alle problemen óók heb gehad die zij als muzikant en artiest ondervinden.”

Als je met iemand een nieuwe plaat gaat opnemen, ga je dan vooraf naar zijn concerten kijken?

“Altijd. Zelfs als het om iemand gaat naar wie ik al mijn hele leven luister en die ik al meermaals live heb gezien.

“Jaren geleden heb ik met Robert Plant informeel wat demo’s opgenomen. Toen ik kort ervoor een concert van hem bijwoonde, viel me op hoe bedreven hij is in langeafstandscommunicatie. Hij is niet alleen puur fysiek een briljante frontman, zijn stem reikt bovendien tot de achterste rij. Ook in de studio bleek hij een echte liveperformer. ‘Kun je de klank van mijn microfoon zo manipuleren,’ vroeg hij me, ‘dat het lijkt alsof ik voor een stadion sta?’”

JIMI OP BANJO

Stel, je was een paar generaties eerder geboren: met wie had je dan willen werken?

“Als ik daar te veel over nadenk, word ik depressief. Al die gemiste kansen! Ik had Foxy Lady van Jimi Hendrix kunnen producen! En alles van Hank Williams! In zijn tijd was de opnamestudio, letterlijk, een plek waar je iets op band vastlegde dat al 100 procent af was. Terwijl mijn doel is: artiesten leiden naar een droomplek waarvan ze nooit hadden gedacht dat ze er zouden gedijen of zelfs maar functioneren. Zelfs toen ik met Emmylou Harris in de studio zat voor Wrecking Ball, in ’95, vroeg ik haar: ‘Stel dat Jimi Hendrix country had gespeeld: hoe zou dat geklonken hebben?’ Ik kan het niet laten.

“Mijn favoriete geluid is het geluid dat ik nog niet gehoord heb. Ik ben rootsy en heb respect voor tradities, maar ik produce futuristisch. Ik sta met één been in het verleden en één in de toekomst. Vermoeiend! (lacht)

Je bent geen freak die blijft volhouden dat analoog beter is?

“Nee! Waar is de tijd dat ik, in een studio in Berlijn, met technicus Mark ‘Flood’ Ellis de tape zat te markeren met krijt? (lacht) De middeleeuwen! Vroeger volstond één druk op de verkeerde knop om iets te wissen. ’s Nachts lag ik wakker en dacht: als de studio nu in lichterlaaie staat, is alles voor niets geweest! In het digitale tijdperk, waarin je het resultaat van je arbeid op een biljoen verschillende plekken kunt bewaren, heb ik maar één zorg meer: hopelijk verknallen we de groove niet.”

Eindelijk kan ik dit vragen aan iemand die erbij was. Toen jij en Brian Eno in 1986 met U2 in de studio zaten voor The Joshua Tree, zou Eno op een bepaald moment ‘Where the Streets Have No Name’ hebben willen wissen: is dat waar, lichtjes overdreven of een mythe?

“Brian had die song niet helemaal kunnen doen verdwijnen: we hadden er al verschillende versies van opgenomen – demo’s, alternatieve takes... En dat was net het probleem: niemand kon door de bomen het bos nog zien. We stonden er met onze neus te dicht op, wat in de studio misschien wel het grootste probleem is. En dus zei Brian inderdaad: ‘Ik heb mijn vinger op de knop. We gaan van nul af aan beginnen.’ Het was alsof hij een kernbom tot ontploffing dreigde te brengen! Maar het was een symbolische actie. Doen alsóf die song was gewist, was in die fase het beste idee.”

Onlangs haalde iemand in België U2 aan tegenover een jonge artiest: ‘In hun jonge jaren waren zij niet zeker dat ze ooit zouden doorbreken.’ Waarop die jonge artiest vroeg, in alle ernst: ‘En, zijn ze uiteindelijk doorgebroken?’

“Dat zegt alles over deze tijd. Over de relativiteit van roem. Over hoe muziekliefhebbers en artiesten diep in hun eigen genre duiken, en aan al de rest voorbijgaan. Ik heb onlangs nog iemand ontmoet die niet wist wie Bob Dylan was – kun je nagaan. Ik ben geworden wie ik ben omdat ik naar bijna álle genres luisterde.”

Met Bob Dylan op de Grammy’s. Beeld REUTERS
Met Bob Dylan op de Grammy’s.Beeld REUTERS

FANTASTISCHE SCHEET

Ik zag ooit een interview van twee uur met jou waarin het alleen over techniek ging: equalizers, compressie enzovoort. Maar is de psychologie niet veel belangrijker voor een producer?

“Je hebt geen ongelijk. Dat techniek niet alles is, bewijzen producers die een afgewerkte song alleen door de studioboxen jagen: die dingen laten zelfs een scheet fantastisch klinken! Van So hebben Peter Gabriel en ik in 1985 alle songs ook op een aftands transistorradiootje afgespeeld. Zo wisten we dat ze ook in de slechtste omstandigheden tot de verbeelding zouden spreken.”

Tijdens de opnames van So zou je volgens de legende een studiodeur hebben dicht genageld tot Peter Gabriel zijn teksten afwerkte. Overdreven, neem ik aan?

“Allerminst! (lacht smakelijk) Peter staat erom bekend dat hij heel traag werkt. Hij leeft graag, en soms gaat dat leven vrolijk door terwijl de studiotijd loopt. Als ik hem niet een beetje had gepusht, zaten we vandaag nóg in die studio. Dus nagelde ik de deur van zijn kot letterlijk dicht. Hij kon daar hooguit zuur om lachen, het scheelde weinig of ik was ontslagen.

“Nu, wat écht telt is natuurlijk dat So de lat hoger heeft gelegd voor de concurrentie.”

Wat doe je als opspelende ego’s de harmonie in de studio dreigen te harpoeneren?

“Daarvoor heb ik een trucje. Als een artiest te dominant of te koppig is, vraag ik om zijn hulp: ‘Artiest, kun je me helpen alsjeblieft?’ Daarmee zeg ik eigenlijk: oké, ik ben de producer, maar ik ben niet Meneer Allesweter; alleen jouw wijsheid kan ons nu redden. Dan voelt de artiest zich gevleid en gewaardeerd, en kan hij hopelijk wat empathie opbrengen voor de zich kwetsbaar opstellende producer.

“Ze hebben allemaal hun gevoeligheden, hoor. Bob Dylan haat discussies en bespreekt nooit iets in het bijzijn van de groep, dus dan wandelen we naar de parking om het pijnpunt rustig te bespreken.”

Herinner je je een moment waarop de diplomaat in jou de zaak redde?

“O, dat was zonder twijfel die keer in Dublin. Na een kerstpauze wilden U2 en ik weer aan de slag gaan, maar de studio bleek leeggeroofd. Mijn favoriete pedalsteelgitaar: weg. Op de beelden van de veiligheidscamera zag je drie mensen weglopen. Het bleken zigeuners van een nabijgelegen kamp. Bono waarschuwde me meteen: ‘Als we de politie erbij halen, zullen de daders meteen al het bewijsmateriaal vernietigen.’

“Er zat niets anders op dan te onderhandelen: ik moest mijn dierbare gitaar van hen terugkopen. Crazy. Ik zie me daar nog zitten, in de caravan tegenover de stamoudsten, moeizaam onderhandelend…”

‘In ruil voor mijn gitaar mogen jullie Adam Clayton hebben’?

“Nee, ze wilden Larry Mullen, de drummer. De bassist had voor hen geen enkele waarde. (lacht)

Zijn artiesten gewoontedieren?

“Ja. Soms moet je als producer omgaan met hardnekkige gewoontes. Ik ben erin geslaagd om The Edge te laten spelen op mijn Gibson – een overwinning. Bob Dylan nam een paar songs op met mijn vintage Stella. En Neil Young speelde één keer op mijn akoestische gitaar. Hij kocht er later zelf eentje, en dan weet ik: stramien doorbroken!”

Jij producet platen in een cocon, om zo intens en geconcentreerd mogelijk te kunnen werken. Hoe is het dan om later één van die songs in de buitenwereld te horen?

“De teksten voor ‘Time Out of Mind’ las Bob Dylan me eerst voor in een hotelkamer in New York. De demo’s namen we op in een verlaten theater in Mexico dat ik had omgebouwd tot een studio. Op zulke momenten is de boze buitenwereld met zijn platte commercie vér weg. Jaren later hoorde ik de song ‘Lovesick’ terug in een reclamespot voor Victoria’s Secret, en moest ik toch even gaan liggen. (zingt) ‘Ta-dááá… Try these panties on… Ta-dááá…’ Ik wacht nog altijd op mijn doos gratis lingerie. (lacht)

Op Gent Jazz zul je zondag aantreden na Judi Jackson en voor Van Morrison: dat is goed gezelschap, maar welke artiesten – levend of dood – mogen jou op je droomfestival omringen?

“Vlak voor ik opga, speelt de Indiase sitarvirtuoos Ravi Shankar een set. Die man was briljant, en zijn soort muziek is apart en intrigerend genoeg opdat alle aanwezigen de oren spitsen. Dan doe ik mijn ding, en Jimi Hendrix mag afsluiten, terwijl ik me in de coulissen vertwijfeld afvraag, met open mond: waarom ben ik hém niet?! (lacht) En ter afsluiting spelen we samen een nummer terwijl ik stiekem kijk hoe Jimi het doet. Dat heet: een perfecte avond.

(zucht) Al die fantastische artiesten zijn niet meer onder ons… Het is zoals mijn landgenote Joni Mitchell zingt: ‘You don’t know what you’ve got till it’s gone’.”

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234