Dinsdag 16/08/2022

ReportageMetissen van België

‘Ze verborgen ons uit angst dat we een erfenis gingen claimen’: metissen getuigen

. Beeld Tine Schoemaker
.Beeld Tine Schoemaker

In de jaren 40 en 50 werden kinderen van Belgische vaders in Rwanda systematisch weggehaald bij hun Afrikaanse moeders. De docu Metissen van België reconstrueert hun lot. ‘Ze verborgen ons uit angst dat we een erfenis gingen claimen.’

Maarten Rabaey

Emmy De Witte (°1954): ‘Ze zeiden dat mijn echte moeder ‘een slechte vrouw’ was en dat ze mij gered hebben

“Ik ben geboren in 1954 en zou als driejarige in het internaat van Save beland zijn. Hoe dat is verlopen weet ik nog steeds niet, maar vermoedelijk hebben de religieuzen mijn Rwandese moeder aangespoord me daar onder te brengen onder het mom van een goede verzorging. Ik heb ook verhalen gehoord dat mijn witte biologische vader me gebracht zou hebben.”

We bellen met Emmy De Witte in Lokeren, waar haar pleegouders destijds in de lokale kerk een oproep hoorden om kinderen uit de kolonie te adopteren. “Zo ben ik wettelijk geadopteerd. Ik was toen vijf, maar herinner me daar niets meer van.”

“Door mijn huidskleur wist ik wel dat ze mijn echte ouders niet waren. Mijn pleegmoeder heeft altijd gezegd dat mijn Rwandese moeder ‘een slechte vrouw’ was en dat ze mij gered hebben.

“Ik heb zelf per toeval ontdekt dat ik nog een moeder had, in Rwanda. Ik moet een jaar of 17 geweest zijn, eind jaren zestig, toen ik op de zolder papieren vond van die hele procedure. Daarin zat ook een foto waarop ik met mijn Rwandese moeder poseer.

Emmy De Witte met een foto van haar en haar echte moeder: ‘Waarom ik niet bij mijn biologische ouders kon opgroeien is een vraag die in het ijle blijft hangen. Het is een zwaarte die je altijd meedraagt.’ Beeld Tine Schoemaker
Emmy De Witte met een foto van haar en haar echte moeder: ‘Waarom ik niet bij mijn biologische ouders kon opgroeien is een vraag die in het ijle blijft hangen. Het is een zwaarte die je altijd meedraagt.’Beeld Tine Schoemaker

“Ik kon er met niemand over praten. Toen ik voor de eerste keer echt op zoek ging naar haar, was ik al gehuwd en had ik een kind. In die periode had ik af en toe contact met zuster Lutgardis van Save, die we als kleuters ‘mamiya’ noemden. Ik ben door haar vriendelijk ontvangen toen ze even in België was, maar kreeg geen antwoorden op mijn vele vragen. ‘Wij zorgden dat jullie het goed hadden’, suste ze, maar ik voelde aan dat ze de waarheid verzweeg.

“Op eigen initiatief heb ik dan contacten gelegd met het Internationale Rode Kruis, dat verwanten opspoort die door conflicten uit elkaar zijn gedreven. Ook dat spoor liep dood. Pas in de loop van de jaren tachtig ben ik in contact gekomen met andere metissen, bij wie ik dezelfde problemen en gevoelens herkende. Eén van hen reisde naar Rwanda en ontmoette daar een Belgische ngo-vrijwilligster die toevallig één naam had van een vrouw die haar dochter zocht. Dat bleek mijn mama te zijn.

“In 1988 reisde ik naar Rwanda en heb ik haar voor het eerst ontmoet. Het was een heel dubbel gevoel. Je hebt je moeder teruggevonden, maar je kent haar eigenlijk niet. Toch klikte het van meet af aan. De maand die ik er verbleef was onvoldoende om elkaar te leren kennen. De taalbarrière was moeilijk. En zij woonde op dat moment in een buitenwijk van Kigali, vrij armoedig.

'Het staat op papier dat mijn moeder toestemming gaf om me in België te laten opgroeien om te kunnen studeren, maar dat ik daarna terug met haar herenigd zou worden. Voor adoptie heeft ze nooit haar handtekening gezet.' Beeld Tine Schoemaker
'Het staat op papier dat mijn moeder toestemming gaf om me in België te laten opgroeien om te kunnen studeren, maar dat ik daarna terug met haar herenigd zou worden. Voor adoptie heeft ze nooit haar handtekening gezet.'Beeld Tine Schoemaker

“Ze heeft me verteld dat ze me afstond aan de Witte Zusters omdat ze haar vertelden dat mijn leven in gevaar zou komen door oorlog en opstanden. Mijn grootvader, die ik nog heb ontmoet, was daar heel boos over. Uit mijn dossier, dat ik pas de voorbije jaren kon inzien, blijkt nu dat de religieuzen haar onder druk hebben gezet. Het staat op papier dat ze het afstaan herhaaldelijk weigerde, maar gedeeltelijk toegaf na verschillende aanmaningen. Er staat letterlijk dat ze toestemming gaf om me in België te laten opgroeien om te kunnen studeren maar dat ik daarna terug met haar herenigd zou worden. Voor adoptie heeft ze nooit haar handtekening gezet. Er is zelfs correspondentie over haar weigering tussen de administratie en de religieuzen die de procedure wilden stopzetten. Desondanks ben ik toch naar België gebracht.

“Mijn moeder in Rwanda leeft nog altijd. Ze is al meer dan negentig jaar oud en overleefde de genocide van 1994 omdat ze kon onderduiken. Nu heb ik nog regelmatig contact met haar en mijn twee halfbroers. We bellen maandelijks en gaan af en toe naar Rwanda. Als ik ginder ben, voel ik me heel goed.”

GOEDE KATHOLIEKEN

“Mijn vader is onbekend. Mijn moeder weet alleen dat hij Belg was, en zowel Frans als de lokale taal Kinyarwanda sprak. Ze spraken elkaar aan met koosnaampjes; ze kent zijn echte naam niet. Ik heb hem nooit gekend. Pas recent weet ik uit mijn dossier wie hij vermoedelijk was. Hij is al gestorven in 1990. Een officiële erkenning of DNA-bevestiging heb ik evenwel niet. Het Afstammingscentrum van de Vlaamse overheid heeft een zoon van hem teruggevonden, maar die beweert ook geadopteerd te zijn en wil geen genetisch materiaal afstaan.

“Op mijn identiteitskaart staat tot vandaag enkel een geboortejaar. Administratief is dat altijd een probleem. Mijn verjaardag vier ik op de dag dat mijn pleegmoeder ook verjaarde. Ik heb eigenlijk een heel slechte ervaring gehad met mijn pleegfamilie. Ze waren allebei al 58 jaar toen ze me adopteerden. Ze hadden geen ervaring met kinderen. Mijn pleegvader is vroeg gestorven ook.

“De enige voorwaarde voor mijn adoptie was dat ze goede katholieken waren. Als je dat nu bekijkt, is dat verkeerd. In de tijdsgeest van toen kan ik het ergens wel plaatsen, maar goedkeuren zal ik het nooit. Ik heb later correspondentie gevonden waaruit bleek dat het christelijke CMBV (nu Markant, red.) aan huis kwam om te kijken hoe het ging met de adoptieouders en niet met mij als kind.

“Maar Vreemdelingenzaken werd tot mijn 18de wel op de hoogte gehouden over mijn schoolprestaties. Ze gaven ook financiële steun aan mijn pleegmoeder, met wie ik als 20-jarige het contact verbrak. Van haar mocht ik niet verder studeren. Ik wou verpleegster worden, maar moest kinderverzorging doen. Uiteindelijk heb ik later als opvoedster gewerkt tot aan mijn pensioen. Later zorgde ik wel voor haar voor ze stierf. We spraken nooit meer over het verleden.”

Emmy begint even zacht te wenen. “Ook al heb je hier in België een goed leven, het is toch altijd een moeilijke weg geweest. Als metissen, kinderen van wit en zwart, zijn we weggerukt uit ons biologisch midden. Mijn leven had anders kunnen zijn, maar mijn leven is wat ik nu heb. Ik blijf het jammer vinden dat ik mijn biologische ouders als kind moest missen. Waarom ik niet bij hen kon opgroeien is een vraag die in het ijle blijft hangen. Het is een zwaarte die je altijd meedraagt.

“Met mijn twee zonen en dochter heb ik er lang niet diepgaand over kunnen praten, tot ze in 2019 mee naar Rwanda trokken om hun grootmoeder te ontmoeten. Het was heel tof dat ze zo antwoorden kregen. Mijn mama was ook heel fier, het was na al die jaren een kinderwens die ze vervuld zag.”

Ken Kamanayo: ‘Als kind van de tweede generatie weet ik dat het dikwijls aan ons is om de eerste generatie een duwtje te geven om toch te gaan zoeken, want wij hebben wel de nieuwsgierigheid naar ons verhaal en de vraag waarom we onze huidskleur hebben, maar niet hun trauma.’ Beeld Tine Schoemaker
Ken Kamanayo: ‘Als kind van de tweede generatie weet ik dat het dikwijls aan ons is om de eerste generatie een duwtje te geven om toch te gaan zoeken, want wij hebben wel de nieuwsgierigheid naar ons verhaal en de vraag waarom we onze huidskleur hebben, maar niet hun trauma.’Beeld Tine Schoemaker

Georges Kamanayo (74) en zijn zoon Ken: ‘Veel metissen bestaan juridisch niet omdat ze geen geboorte­akte hebben’

“Eigenlijk werd ik in 1960 vanuit Rwanda naar België ontvoerd. Hoe kan je het anders omschrijven als je een kind bij zijn biologische moeder weghaalt met de smoes dat je later wel zal terugkeren? Eenmaal in België ben ik… ­verpatst, ja, verpatst... via kindertehuis Villa ­Bambino in Schoten.”

Georges Kamanayo heeft het soms nog moeilijk als hij met ons spreekt vanuit Rwanda, waar de gepensioneerde VRT-regisseur-cameraman regelmatig verblijft. “Dit alles,” en hij draait de camera 360 graden rond zich heen om de omgeving te tonen, “had ik niet beleefd als ik niet op zoek was gegaan naar mijn Rwandese moeder en Belgische vader.”

Georges (74) was een van de honderden metissen die eind jaren vijftig in Rwanda in de internaten van Save en Byimana terechtkwamen. De koloniale administratie had ze weggehaald bij hun zwarte moeder omdat ze vreesden dat gemengde kinderen een bedreiging vormden voor een koloniaal systeem waarvan de macht berustte op een strikte apartheid tussen wit en zwart.

Georges Kamanayo studeerde filmjournalistiek ‘want dat was de enige manier om in Rwanda naar mijn moeder te kunnen gaan zoeken’.  
 Beeld rv
Georges Kamanayo studeerde filmjournalistiek ‘want dat was de enige manier om in Rwanda naar mijn moeder te kunnen gaan zoeken’.Beeld rv

“Daartoe was toen een hechte samenwerking met de rooms-katholieke kerk nodig”, zegt Georges. “Achteraf bekeken heeft België onze werkelijke Euro-Afrikaanse identiteit proberen te verstoppen bij de geestelijken. De Witte Zusters noemden ons ‘kinderen van de zonde’, ook al hadden wij niets fout gedaan. Ik snapte wel waar het bij de kerk wrong. Hun paters hadden ook kinderen gemaakt, hè. Sommigen namen een jong meisje te biecht en ze eindigde zwanger.”

Zoon Ken, vandaag cameraman en bezieler van de documentaire, vanuit België: “In de internaten werden de Rwandese moeders omschreven als minderwaardig, soms prostituees genoemd. Aan de kinderen werd gezegd dat hun moeders ‘ongeschikt’ waren om hen op te voeden en ze nooit de liefde zouden kunnen geven die ze van de Belgen wel kregen. In dat verhaaltje, dat hun moeders nu eenmaal niet van hen hielden, geloven sommige metissen vandaag nog.”

Door zijn leeftijd was Georges altijd een buitenbeentje geweest. Hij was iets ouder dan de andere kinderen in Save en had nog een sterke herinnering aan zijn moeder. Toen hij in België terechtkwam, was hij al dertien. “Je bent dan toch al voor een groot deel gevormd”, zegt hij. “Ik had ook het geluk bij pleegouders terecht te komen die me de ruimte gaven om mijn eigen identiteit te zoeken. Ik koos ook om filmjournalistiek te studeren omdat ik wist dat het in die tijd de enige manier was om in Rwanda naar mijn moeder te kunnen gaan zoeken.”

Georges maakte er zijn levenswerk van. “Na mijn studie op de filmschool heb ik in 1974 met William Van Laeken mijn eerste Panorama-uitzending kunnen maken, waarin we het verborgen bestaan van de metissen onder de aandacht brachten. In die tijd zaten alle documenten nog achter slot en grendel, maar ik heb geluk gehad dat ik, eerst als cameraman en later als regisseur-cameraman, kon reizen in Rwanda, het land en zijn mensen leerde kennen.

“Uiteindelijk hebben mijn gezin en ik in 1982 mijn Rwandese moeder teruggevonden. Ze vertelde me dat ik haar ontnomen werd met een leugen. Ze hadden haar verteld dat ze me in ­Europa zouden laten studeren en ik later kon terugkeren. In dat jaar geloofde ze ook nog steeds dat ik bij mijn Belgische vader zat. Al die jaren had ze zelf niet kunnen zoeken. Terwijl ik vertrok, zat ze in een moeilijke situatie. Er had in 1959 al een eerste genocide op de Tutsi plaatsgevonden, en ze verloor een groot deel van haar familie, ofwel vermoord ofwel op de vlucht naar het buitenland. Ze stond alleen.”

DADEN NA DE WOORDEN

Ken was twee jaar toen Georges zijn moeder vond. “Omdat het een mirakel was dat ze nog leefde, zijn we haar tot haar dood elk jaar blijven bezoeken. Mijn verbinding met Rwanda was er daardoor vrij snel. De connectie met mijn biologische, Belgische grootvader kwam pas veel later omdat het voor mijn vader een grote stap was om hem te gaan opzoeken. Hij vond dat het aan hem was om zijn zoon op te zoeken en niet omgekeerd. Pas toen mijn vader in de vijftig was, wilde hij zijn kinderen een grootvader geven en is hij hem gaan opsporen.”

Georges: “Zowel jullie als je moeder stelden altijd vragen over hem, en daarom ben ik gaan zoeken.”

Ken: “Dan vond je hem in het zuiden van Frankrijk, hè? Mijn grootvader vertelde hem: ik wou uw leven niet overhoop­gooien, daarom heb ik geen contact gezocht. Dat vond ik de makkelijke oplossing, want net door nooit contact te zoeken heeft hij mijn vaders leven overhoop­gegooid.

“Wat wel voor hem pleit, is dat hij direct erkend heeft dat mijn vader zijn zoon was. Ik heb hem nog acht jaar gekend en had een goed contact met hem. We zijn dankbaar dat mijn vader hem omarmd heeft. Ik draag nu ook nog zijn familienaam als tweede naam, en daar ben ik trots op. Die fierheid is vooral gericht op mijn vader, die ons verhaal vervolledigd heeft.”

Georges was 13 toen hij in België aankwam. ‘Je bent dan toch al voor een groot deel gevormd.’
 Beeld rv
Georges was 13 toen hij in België aankwam. ‘Je bent dan toch al voor een groot deel gevormd.’Beeld rv

Georges: “Toen heb ik ook mijn tweede documentaire gemaakt, nu nog te zien op YouTube, waarin ik mijn ouders de vraag stelde of ik wel uit liefde ben geboren. Daar antwoordden ze wel positief op.”

Ken: “Mijn vaders verhaal bepaalde zo ook mijn identiteit. Redelijk vroeg begreep ik daarom al dat ik ergens tussenin zat. Ik weet nog dat ik op school makkelijk kon spelen met Belgische, maar ook met Marokkaanse en Turkse kindjes. Als er ruzies waren, was ik dikwijls de bemiddelaar. Dat kwam door mijn opvoeding waarin ik al die informatie over mijn gemengde afkomst meekreeg. Veel andere metissen van de tweede generatie hadden dat geluk niet. Zij kregen het trauma waar hun vaders of moeders mee worstelden door en zijn er vandaag nog altijd niet uitgeraakt.

“Het is om die mensen wakker te maken dat die documentaire er nu komt. Als kind van de tweede generatie weet ik dat het dikwijls aan ons is om de eerste generatie een duwtje te geven om toch te gaan zoeken, want wij hebben wel de nieuwsgierigheid naar ons verhaal en de vraag waarom we onze huidskleur hebben, maar niet hun trauma.”

ONTVOERING

Op 4 april 2019 excuseerde premier Charles ­Michel zich al eens voor de ‘ontvoering’ van Belgische metiskinderen uit de kolonies. Georges is Michel dankbaar, maar wil na de woorden meer daden zien. “Het Rijks­archief doet zijn best om de verspreide archieven te centraliseren, maar de archieven van de Staatsveiligheid en de kerk zijn nog steeds ontoegankelijk.”

Ken: “Hoe hoger de maatschappelijke positie van de betrokken vaders, hoe dichter bij de macht, hoe meer ze werden beschermd. Ze waren bang dat die kinderen een erfenis gingen claimen – er waren ook mensen in het adellijke milieu die in de kolonies kinderen hadden.”

Georges: “Wat we intussen ook nog ontdekten, is dat veel metissen eigenlijk juridisch niet bestaan omdat ze geen geboorte­akte hebben. Als ze dan overlijden, kunnen hun echtgenoten of kinderen niet erven. Het is niet te begrijpen dat zoiets in België vandaag nog kan.”

Ken: “Er zijn metissen die nu nog documenten hebben waar enkel kruisjes op staan! Zo werden ze derderangs­burgers. Mensen beseffen niet hoeveel problemen zij hebben gehad. Nu krijgen ze stilaan overheids­hulp, maar het is een race tegen de tijd. De meeste Belgische vaders zijn overleden en vermoedelijk leven nog maar enkele van de moeders. Eigenlijk is het nu of nooit om contact met hen te zoeken.”

Georges: “Mensen bellen mij nu, maar het is de Belgische ambassade in Kigali die hen moet helpen. Het is het minste wat ze kunnen doen.”

Ken: “Precies. Dit gaat om identiteit, om te weten wie je bent. Dat geeft je eigenwaarde. Veel metissen hebben nu een laag zelfbeeld van zichzelf. Het is de verantwoordelijkheid van België om ze zoveel mogelijk te connecteren met hun ware ik.”

Jacqueline Verbert-Mukandori: ‘Van geen familie ben ik naar een hele hoop bloedverwanten gegaan, een vreemde maar fantastische ervaring.’ Beeld Tine Schoemaker
Jacqueline Verbert-Mukandori: ‘Van geen familie ben ik naar een hele hoop bloedverwanten gegaan, een vreemde maar fantastische ervaring.’Beeld Tine Schoemaker

Jacqueline Verbert-Mukandori (°1957): ‘Mijn adoptie­moeder vond dat ‘dat Afrikaans er bij mij uit moest worden gehaald’’

‘Dit jaar pas ben ik te weten gekomen dat ik in 1957 geboren ben, terwijl dat officieel 1958 is. Van wat ik hoorde van mijn Rwandese familie, ben ik eigenlijk gekidnapt door mensen in opdracht van mijn biologische Belgische vader. Ik was nog heel klein. Aanvankelijk werd ik ondergebracht in de missie­post van Kansi. Toen ik er aankwam, had ik polio. Later ben ik bij de Witte Zusters van Save terechtgekomen. Zij hebben ervoor gezorgd dat ik weer kon leren lopen. Daarom heb ik geen negatieve ervaring met de religieuzen die zich over me ontfermden.

“Mijn overbrenging naar België rond 1960 vond ik vreselijk. Het was heel koud. Ik vond dat de Belgische mensen hard klonken, terwijl het Kinyarwanda (nationale taal van Rwanda, red.) veel zachter is. Ik bracht een tijd door in weeshuis Villa Bambino van adoptie­stichting Thérèse Wante in Schoten. Daar heb ik ook geen goede herinneringen aan. Ik heb jaren een hekel gehad aan reizen, omdat ik er heel verdrietig van werd, een gevolg van mijn eerste reis.

“Ik ben als kind aanvankelijk bij drie verschillende koppels en een oude juffrouw ondergebracht. Ik weet niet of het de bedoeling was of we een weekje op vakantie mochten, of dat de mensen ons eens mochten ‘uitproberen’. Uiteindelijk kwam ik bij mijn adoptie­ouders terecht.

“In die tijd werd heel anders gedacht over Afrikanen dan vandaag. Mijn adoptiemoeder zag Afrikanen als mensen die onder­ontwikkeld waren en niet zo slim als witte mensen. Het Afrikaans ‘moest eruit gehaald worden’, vond ze. Mijn adoptie­moeder zei bijvoorbeeld: ‘Goh, jij hebt ook maantjes in je nagels. Ik dacht dat alleen witte mensen dat hebben, want alleen witte mensen zijn intelligent.’ Ze zei ook: ‘Gij gaat een hoer worden, want uw moeder was dat ook.’ Ik kon in haar ogen niets goed doen. Eigenlijk heb ik mijn hele jeugd geprobeerd om aan haar eisen te voldoen en dat is me nooit gelukt, met als gevolg dat mijn zelfbeeld zeer laag was. Ik kreeg ontzettend veel slaag, en vanaf mijn elfde ben ik ook misbruikt door mijn adoptie­vader. Mijn adoptie­moeder was tegen dan al een alcoholiste die ook pillen slikte. Of ze het nu wist of niet, dat weet ik niet.

“Ze vertelden me ook dat ik geadopteerd was. Toen ik 16 was, bleek dat niet zo te zijn. Het was financieel interessanter om een pleeg­kind te hebben met een fysieke handicap van meer dan 67 procent. Mijn adoptieve grootmoeder heeft zich toen boos gemaakt en is mijn voogd geworden. Pas dan heb ik de Belgische nationaliteit ge­kregen.

‘Mijn Rwandese tante van 92 zei: ‘Nu weet ik waarom ik zo oud mocht worden, om jou terug te zien’.’ Beeld Tine Schoemaker
‘Mijn Rwandese tante van 92 zei: ‘Nu weet ik waarom ik zo oud mocht worden, om jou terug te zien’.’Beeld Tine Schoemaker

“Naar mijn Rwandese wortels ben ik maar een tiental jaar geleden beginnen te zoeken. In het koloniaal archief van Buitenlandse Zaken kreeg ik slechts een klein deel van het dossier te zien. Ik ondernam toen geen verdere stappen, tot mijn dochter interesse kreeg in haar Afrikaanse wortels. Ik wist wel al dat mijn echte roepnaam Mukandori is, naar mijn moeder, maar via het Afstammingscentrum - en dus onrechtstreeks door mijn deelname aan de docu - ontdekte ik wat de naam van mijn vader was. Naar Rwanda ben ik nu pas voor het eerst gereisd, met de hulp van de documentairemakers van De chinezen.

“Mijn moeder is helaas overleden, maar haar oudere zus leeft nog. Mijn tante wist me te vertellen dat mijn biologische vader een abortus eiste toen mijn moeder zwanger was. Ze woonde toen in Burundi, maar is teruggekeerd naar haar geboortedorp in Rwanda om van mij te bevallen. Ze liet me achter bij tante en het was haar bedoeling dat ze me daar later zou terugzien. Maar mijn biologische vader kwam het te weten en liet me weghalen. Mijn tante mocht me aanvankelijk bezoeken in de missie­post van Kansi, maar bij een derde visite werd ze weggejaagd. Ze wist toen wel dat ik ernstig ziek was.

“Toen we elkaar onlangs terugzagen, reageerde ik heel emotioneel. Zij op het eerste gezicht niet, want Rwandezen tonen geen emoties. Maar ze vertelde wel iets frappants. Ze is 92 en zei: ‘Nu weet ik waarom ik nog leef, om jou terug te zien.’

“Nu blijkt ook dat ik een breed vertakte stamboom heb. Ik zou mogelijk een zus hebben die in Oman woont, maar we deden nog geen DNA-onderzoek. Misschien is er ook een halfzus uit Congo aan vaderskant. Zij zou in Canada wonen. Mijn biologische vader overleed al in 1959 aan kanker, en mijn moeder hertrouwde met een Burundees met wie ze vier kinderen had. Mijn vader, die eerst militair was en dan ivoorhandelaar werd, zou ook kinderen bij minstens drie andere vrouwen hebben gehad. Dat zegt iets over de wijze waarop koloniale blanken met plaatselijke vrouwen omgingen.

“Ik wist al eerder dat ik in België een halfzus en -broer had aan vaderskant. Zij is overleden, maar hem heb ik al bezocht. Van geen familie ben ik naar een hele hoop bloedverwanten gegaan, een vreemde maar fantastische ervaring.”

Metissen van België: vanaf dinsdag 21 juni om 21.20u op Canvas en VRT NU

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234